Koppelingen:
Vorig artikel: WALLEN I Volgend artikel: WALLEN III

WALLENII

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: wallen

onz. en bedr. zw. ww. Van wal (I).
1.  (Onz.) Aan de stadswallen werken; wallen oprichten of versterken, vernieuwen e.d.
De custer van Heze van dat hy die naburen alle reysen gebaedt hadde om hier te koemen wallen, gegeven 12 st.,   Rek. v. Nijm. 8, 228 [1543].
2.  (Bedr. en in abs. gebr.) Rond (een zeker stuk land) de slooten opmaken door den slappen kant af te steken en op het land te halen, en ze van waterplanten e.d. te zuiveren.
  V. DALE [1898 ].
— Ik heb me hooiland nag vergeten te wallen,   BOEKENOOGEN [1897].
3.  (Onz.) (Wieringen) Van graszoden lage, langwerpige verhoogingen maken om stukken land van elkaar af te scheiden.
  DAAN, Wier. L. 10 [1950].
Samenst. — Walhaak (vgl. ook de Samenst. van wal (I)), drietandige haak waarmee men slooten uitdiept en schoonmaakt; sloothaak.
  BOEKENOOGEN [1897].
  V. DALE [1898 ].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.