Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: WANEWAARS Volgend artikel: WANG II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

WANGI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: wang

znw. vr., mv. -en. Onfra. * wanga (aangetroffen is mangon, met als lat. equivalent ‘maxillas’, een vorm die wel als wangon gelezen zal moeten worden), mnl. wange; os. wanga, mnd. wange, nnd. wang(e); nfri. wang; oe. wonge; ohd. wanga, nhd. wange. De etym. wdb. brengen het onderhavige woord doorgaans in verband met os. wang, oe. wong; on. vangr ‘landouw, vlakte’ en got. waggs ‘paradijs’ (alle znw. m.). Dit znw. m. (DE VRIES merkt op "nog bewaard in plaatsnamen" zonder duidelijk aan te geven of het ook in ndl. toponiemen voorkomt) wordt teruggevoerd op de idg. basis * uengh- (`gebogen zijn’) of * uenk- (`krom’). Het znw. vr. kan van dezelfde basis worden afgeleid als het znw. m. via een gemeenschappelijke grondbet. ‘gewelfd oppervlak’. Anderen, zooals TRIER en in zijn spoor DE VRIES, hebben tegen deze visie bezwaar gemaakt. De gereconstrueerde grondbet. ‘gewelfd oppervlak’ is in hun oogen te abstr. TRIER kiest voor het znw. m. de concretere grondbet. ‘loofbos’ als uitgangspunt, in welk geval het een gutturaal-afl. van *uen- zou zijn, gebruikt voor een bebladerden tak die als wintervoer voor vee dient. Znw. vr. wang zou dan even goed daarmee verbonden kunnen blijven, zij het oorspr. niet in den zin van ‘gewelfd oppervlak’ maar in den zin van ‘met haar begroeide oppervlakte’. Semantisch is die verbinding echter veel geforceerder dan die welke binnen de eerste etym. opvatting wordt gelegd. Bovendien is het argument dat ‘gewelfd oppervlak’ een te abstr. uitgangspunt zou zijn niet erg overtuigend. De voorkeur zou dus naar de opvatting van FRANCK-V. WIJK moeten uitgaan.
Als regionale varianten van wang, dat zelf de gebruikelijke vorm is in het noord. en oost. deel van Ned., het noord. en oost. deel van de prov. Antwerpen en in Belg. -Limburg, kunnen worden onderscheiden: kaak (in het overige deel van Vl., Waas- en Zeeland en in het gebied tusschen Arnhem en Nijmegen), koon (in Z.-Holl.) en kinnebakke (in het gebied Hengelo-Enschede) (vgl. de taalkaart van V. GINNEKEN in O. Tt. 2, 155 [1933]).
+I.  (Eig.) Als lichaamsdeel van den mensch en vervolgens bij verg. soms ook van een dier.
+II.  (Oneig.) Van zaken.
Afl. — Wangen (zie ald.).
Samenst. Als tweede lid in: hangwang, kelderwang, oostwang, westwang.
Als eerste lid in: wangaffuit, (artill.) affuit met wangen (in de bet. 3, d, γ, 1°.
Affuiten zijn toestellen waarop de vuurmonden geplaatst worden, om ze af te vuren … Behalve eenige geheel afwijkende soorten van Affuiten, verdeelt men ze tegenwoordig in 2 hoofdsoorten: wangaffuiten en blokaffuiten. De eerste bestaan uit twee evenwijdige of uiteenloopende zijwangen, die door drie of vier kalven en een aantal ijzeren sluitbouten met elkander vereenigd zijn,   LANDOLT 1, 8 [1861].
Wangaffuit, (artill.), affuit met wangen of zijstukken,   KUIPERS [1901].
Wangaffuitbracket-carriageaffût à flasquesWandlafette,   TEN BOSCH [1911].
— De voertuigen volgens de stelsels van Congreve en Millar vervaardigd, vonden ten gevolge hunner groote voordeelen al spoedig zooveel navolging, dat van 1825 af, bijna alle staten ze invoerden, of ten minste hunne wangaffuiten of kaissons naar de hoofdbeginselen van dit stelsel wijzigden,   Boek d. Uitv. 6, 358 [1869].
Wangbeen, (ontleedk.) jukbeen.
  BOMHOFF [1857].
Wangbeen. [Anat. ] Os mulaire,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
WangbeenZygoma, os malaire,   GALLAS [1911].
— Een stuck van sijn panne van ongewoenlijcke dickte vlooch den Lieutenant Colonnel Brog onder de ooge over de wang inne, morselende sijn neus ende alle het wangebeen,   DUYCK, Journ. 3, 153 [1601].
Het leed heeft die holtens onder zijne wangbeenderen gegroefd,   POTGIETER 4, 164 [1840].
Wangbeurs, wangzak (bij bep. dieren).
Velen (uit zekere orde van zoogdieren) hebben wangbeurzen,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 430 [1831].
Wangbloeding, (geneesk.).
Wangbloeding. Gnathorragie, épanchement de sang par les parois internes des joues,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
Wangholte, naar beneden en naar achteren wigvormig uitloopende uitholling in de linkerzijde van een geweerkolf.
De linkerzijde der kolf wordt effen gelaten of verkrijgt eene uitholling (wangholte) die naar beneden en naar achteren wigvormig uitloopt,   LANDOLT 1, 338 [1861].
Wangijzer, (oliesl.) in oliemolens: ijzeren plaat die de wanden van de lade in het voor- en naslagblok in een oliemolen bekleedt.
Ook word hier een Spaak vertoont …, als ook … de Wangysers op haar kant,   Gr. Alg. Moolenb. 1, 2 b [1734].
Deze figuur stelt voor eenige kussens en ijzerwerk voor het voor- en naslagblok … c duiden de wangijzers aan op hun kant,   HARTE, Molenb. 70 b [1849].
Wangklier, (ontleedk.) speekselklier aan de binnenzijde der wangen.
Wangklieren. (In de Anatomie). Een klieragtig ligchaam, 't welk den mond van binnen bekleedt, en de inwendige oppervlakte der koonen voornaamelyk inneemt,   BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
Wangklier, glande génale,   V. MOOCK [1846].
Wangklier, speekselklier aan de binnenzijde der wangen,   V. DALE [1898 ].
Wangknobbel, (ontleedk.).
Die afronding, recht onder de uitmonding van de can. zygom. fac. gelegen, draagt den naam van wangknobbeltuberculum malare,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 1, 166 [1886].
Wangkuiltje, kuiltje in de wang(en).
  BOMHOFF [1857].
Wangkuiltje. Fossette ou creux des joues,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Wangkussen. (Ongew. en sinds lang veroud.) Oorkussen; hoofdkussen.
Cervical; Marc. 4:38 … Belg. wangkussen, oorkussen,   JUNIUS, Gloss. Goth. 384 [1665].
Wangenkussentjes.
H. droeg … een frischroode das onder zijn hoog uitstekende honnig dik room blanke hoofdje van donzige wangenkussentjes,   V. DEYSSEL, Kl. Rep. 2, 24 [1889].
Wangkwabbe, dikke, neerhangende wang; neerhangende wangplooi.
  CALISCH [1864 ].
  KUIPERS [1901].
Wangkwab. Abajoue,   GALLAS [1911].
Wanglidgroeve, (ontleedk.) een weinig boven den rand van den onderoogkuil gelegen groeve die markeert waar de huid van het onderste ooglid in de huid van de wang overgaat.
De grens (van de oogleden) tegenover de huid van het voorhoofd wordt gegeven door de wenkbrauw …; die tegenover de huid van den wang min of meer duidelijk door een groeve, welke een weinig boven den onderoogkuilsrand gelegen is en den naam draagt van: wanglidgroeve,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 2, 46 [1886].
Wanglip(pen), als neerhangende wang(en) gevormde lip(pen) bij dieren als den bulhond.
Het beste ras (van den "Bulhond") is de dubbelneuzige, met zwarten snuit, scherp gebit, sterk gedrongen ledenbouw en kwijlende wang-lippen,   THON, Honden 193 [vert. 1833].
Wanglipspier.
De wanglipspier, buccinato-labialis,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 1, 468 [1886].
Wangmusculatuur.
Wat de wangmusculatuur betreft, ziet men bij glasblazers een eigenaardige verslapping der wangen,   HEIJERMANS, Beroepsz. 261 [1908].
Wangmuts, in zekere kleederdrachten: katoenen vrouwenmuts, boven de ondermuts gedragen in de dagelijksche dracht, als men niet het zgn. oorijzer op had.
  MOLEMA (hs.) [1895].
  TER LAAN [1952].
— De maagdelijke jeugd met hare wangmutsen om de blozende aangezigten,   Z.-Holl. Volksalm. 1839, 197 [1839].
1 Kinder wit wangmutsje (ontvreemd),   Alg. Politiebl. 4, 579 [1855].
Wangontsteking.
Wangontsteking. [Méd.] Gnathite, inflammation de la joue,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
Wangpijn.
  BOMHOFF [1857].
Wangpijn. Aangezigtspijn,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  CALISCH [1864 ].
  KUIPERS [1901].
Wangenrood, roode blos of gloed op iemands wangen. In dicht. taalgebr. bij HOOFT.
Soo men op gelaet zijn gissing vesten magh, Ick speur, ujt eb en vloedt van wangeroot, wt repping Van wenkbraeuw en van oogh, in u een heele schepping Van eenigh nieuw gemoedt,   HOOFT, Ged. 1, 247 [1625].
Wang(en)slag, slag op de wang, klap in het aangezicht; oorvijg; kaakslag; kinnebakslag. Mnl. wangeslach. Veroud.
Wanghte, wanghen-slagh. Alapa, colaphus,   KIL. [1599].
Wangen-slagh. A Box on the ear,   HEXHAM [1678].
Wangslag. Kinnebakslag. Souflet; coup de la main sur la jouë,   HALMA [1710].
  BOMHOFF [1857].
— Van R. … wyt het (zeker "onheil") eenen wangslaaghe, gegeeven aan P., van S.,   HOOFT, N.H. 1166 [c. 1645].
Wangslagader.
De wangslagader, art. buccinat.,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 3, 50 [1886].
Wangsnijder, straatroover die zich voor zijn praktijken van een mes bedient (?). Of eerder met holl. velariseering van -nd- of -nt- tot -ng- te lezen als wantsnijder en dan in scherts. verband met de eerste bet. van dat woord (zie daarvoor verder ald.) voor een straatroover die met een mes het koord of den band waarmee een kleedingstuk was bevestigd, doorsneed en ermee aan den haal ging (?).
't Is hier 's avonts al wat naer te gaen langhes straet, En ick heb plomp noch scherp by my, daer ick my op verlaet, Offer allijckwel een wangsnyer quam, alsser hier veel waren, Want het graeuw loopt leech,   COSTER 545 [1613].
Wangspier, (alg.) spier of spieren van de wang; (ontleedk.) trompetterspier. Bij JONCTIJS eert. in den vorm wangenspier met spier als onz. znw. en in coll. bet. in den zin van: het vleesch der wangen.
Wangspier, der Wangenmuskel,   Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
Wangspier. Buccinateur. Muscle alvéolo-labial,   V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
Wangspier. Muscle de la joue; (particul.) muscle zygomatique,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Wangspier (ontl.), spieren der wangen,   V. DALE [1898 ].
— De borst was wel bezet, met twee geklierde bergen … Waer in de kinn, als in een's Doffers kroppe, stak. … En … het paersche wangen-spier Bereykte 't ruyme perk van hare borsten schier,   JONCTIJS, Ven. en Min. 21 [1641].
De III. Uitbeelding …; vertoonende A. den Stam der Speegzelbuizen, van de Wangspieren en der zelver bekleedzelen afgesneeden,   BIDLOO, Ontled. menschel. Lich. H i v° [1690].
Het blazen, dat hier niet met de werktuigen der ademhaling, maar door de wangspieren geschieden moet …, vereischt in het begin inspanning en moeite,   V.D. BOON MESCH, Scheik. 1, 184 [1831].
Zij vertrekken en mismaken den mond, sparren hem wijd open, de weeke wangspieren bieden geen tegenstand, en het geheele kopje wordt allerleelijkst,   ROOBOL, Tooneelsp. 317 [1858].
De voorste zendt een tak in de buitenste vleugelspier (nerv. pter. ext.), welke echter voor een deel … aan de mediale zijde van de pees van den musc. temp. naar voren loopt, tot dat de wangspier bereikt is,   V. BRAAM HOUCKG., Ontleedk. 3, 309 [1886].
Wangstuk (zie ald.).
Wangtasch, wangzak.
Wangtasch, wangzak,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Kaakzakken, wangtassen, bijzondere ruimten binnen in den mond, waarin voedsel kan geborgen worden. Zij zijn aan de apen der Oude Wereld eigen,   C. DE JONG, Handwdb. 223 a [1869].
Wangtasch, kaakzak (bij sommige dieren),   V. DALE [1872 ].
Wang(en)vel.
Myn wangvel bloost, van schaamrig vuur, Dat ik uw dropplen sweets niet gaarde: Wyl ghy den ploegh dreeft, met het stuur, Dan saaijende, in een weelige aarde,   SIX V. CHAND. 384 [1657].
Hij stelde voor zich, dat-i Agnes aanraakte en haar een zoen gaf, hij zag haar wangenvel, voelde in gedachte de aanraking,   V. DEYSSEL, Kl. Rep. 2, 155 [1889].
Wangvlak, vlak zooals door de wang gevormd.
"Dank u hartelijk, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig!" prees Julie, tante Fenna kussend op het breede wangvlak,   NAEFF, Dochter 122 [1905].
Ze tuurde scherp door haar gouden lorgnet, de wenkbrauwboogjes en 't glanzige voorhoofd soms even gerimpeld, maar overigens gladjes en gaaf het week-mollig gezicht met de paars-roode wangvlakken,   ROBBERS, Gel. Fam. 19 [1909].
Wang(en)vleesch.
Een scharp Incisie-mes, waar door het Wange-vlees onder de bovenste Lip gelegen, als oock het Vlees onder de Neus, bequaamlijk magh gescheyden worden (t.w. bij een hazelip-operatie),   V. ROONHUYSE, Heelk. Aanm. 214 [1663].
By mijn weeromkomst, waaren daar nog 2 gekwetste, de eene de arm af, de andere een stuk van de wangvlijs af,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 86 [1779].
De hem innige en vertrouwelijke wangen en oogen van Mietje waren in zijn denken heerlijk helder met het frissche wangenvleesch en het zuivere oogengroen,   V. DEYSSEL, Kl. Rep. 1, 24 [1889].
Om den rechten, fijnen neus, waar het slappe bleek van het wangvleesch haast groen getint was van zwakte, trok het in nerveuze trillingen,   COENEN, Zwakke 7 [1896].
Groo'moe was wel erg verouderd, grauwbleek, en zoo diepe groeven, hard gekerfd om 't zachte wangvleesch,   DE MEESTER, Geertje 1, 135 [1905].
Wang(en)vorming, (heelk.) herstel of verbetering van den vorm van wang of wangen door middel van plastische chirurgie; op de wang(en) toegepaste plastische chirurgie.
Wangenvorming, meloplastiek, een gedeelte der chirurgikale kunst, om verlorene deelen des ligchaams door in de plaatsbrenging van andere organische stof te herstellen. … Aanvankelijk had zij slechts het herstellen der neus ten voorwerp …; doch naderhand heeft men dezelfde kunstbewerking ook op andere deelen, voornamelijk van het aangezigt, toegepast,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
Wangvorming. [Chir.] Génoplastie,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
Wangzak, zakvormige uitstulping van de mondholte bij versch. zoogdieren (voor het bewaren van voedsel).
Wangzak, soort van zak in de wang van sommige dieren, waarin zij hunne spijs, enz. eenigen tijd bewaren,   BOMHOFF [1857].
Wangzak. Abajoue, sorte de poche de réserve que quelques mammifères portent aux deux côtés de la bouche, entre les joues et les mâchoires,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Wangzakken noemt men bij sommige zoogdieren, bijv. bij vele apen der Oude Wereld en bij vele knaagdieren twee symmetrisch naast de mondholte gelegene huidzakken. Zij zijn voorzeker ontstaan door eene aanhoudende gewoonte om voedingsmiddelen, die niet dadelijk verwerkt konden worden, in den mond tusschen de kaak en de wang te bewaren,   WINKLER PRINS, Encyclop. [1888].
Wangzak, bij sommige dieren eene groote ruimte tusschen de wangen en de tanden waarin zij voedsel kunnen bewaren,   V. DALE [1898].
  KOENEN [1911].
— Vele (apen der oude wereld) hebben, aan de binnenzijde der wangen, zakken, wangzakken genoemd,   SCHLEGEL, Dierk. 1, 7 [1857].
Een merkwaardig geslacht is dat van de Aardeekhoorns (Tamias). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels,   BREHM-HUIZINGA 1, 277 b [1910].
Hierbij: wangzakrat.
De Wangzakratten (Geomyidae) heeten zoo wegens hare zeer sterk ontwikkelde wangzakken,   BREHM-HUIZINGA 1, 324 b [1910].
Hierbij ook: wangzakspringmuis.
Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de andere zijde, vormen de Wangzak-springmuizen (Dipodomys),   BREHM-HUIZINGA 1, 325 b [1910].

Aanvulling bij WANGI

Samenst. Wang(en)tafel.
Wangtafel, tafel welke niet op pooten rust maar op twee, vaak zeer rijk bewerkte zijstukken (wangen), verbonden door een eveneens soms rijk versierden balk, wel de ”traversa” genoemd,   Kath. Encyclop. [1938].
  V. DALE [1950 ].
— De wangentafel vooral bood plaats voor veel versiering en werd bijzonder gewaardeerd,   Hout in alle T. 2, 416 [1949].
De statige wangentafel met haar soliede zware ondersteuning maakte meer en meer plaats voor de kolomtafel met gedraaide poten die in het laatst der 16e eeuw algemeen in gebruik kwam,   VRIEND, Bouwk. Land 3, 44 [1950].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.