Koppelingen:
Vorig artikel: WANK III Volgend artikel: WANKEL

WANKANT

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: wankant

znw. m., mv. -en. Uit wan (I) en kant (I).
1.  Ruwe, niet gekantrechte of ronde zijde van hout dat uit ronde stammen of balken gezaagd is.
Dosses, Dosse-flache. Waan-zijde, of Schraale kant van een hout, Wannekant,   AUBIN [1702].
— Al het eiken hout, zal moeten zijn zuiver droog, zonder de minste spint, wankant, roode of witte olm, uileveeren enz.,   Bijv. Stbl. 1815, 537 [1815].
Wanneer nu deze eik in 1832 gehakt en boskant beslagen ware geworden, zoo zoude hij op het midden waarschijnlijk dik geweest zijn 1.17 el en, de wankant dan niet in aanmerking nemende, eenen inhoud van ruim 15 teerling ellen hebben gehad,   Landb. Courant 16 Aug. 1855, 1 b [1855].
Vloeren, beschotten, beschietingen, enz. De delen moeten zijn zonder wankant of spint, zuiver recht en van gelijke breedte,   Alg. Voorschr. Onderh. Werken 1895, § 216 [1895].
2.  (Zeel.) "Deel van een perceel, dat niet in cultuur is gebracht, zoals grasbermen aan bouwland, struikgewas langs weiland, scheidingssloten en derg. …; ook schuine hoeken van een perceel, die moeilijk bewerkbaar zijn worden wankanten genoemd" (GHIJSEN [1964]).
3.  (Zeel.) "Onregelmatig stuk, kant, bijv. bij het versnijden van vlees, in 't bijz. van ham, spek" (GHIJSEN [1964]).
4.  (Zeel.) "Keerzijde, minder goede kant" (GHIJSEN [1964]).
Ik wone graog op Schouwen, mè in zôô'n barre winter binne d'r toch wankanten an,   GHIJSEN [1964].
5.  (Klompenm.) "Gebrekkige kant van een stuk of klomp, b.v. een kant die niet vol genoeg is; machinaal vervaardigde klompen vertonen wel eens wankanten, doordat de kopieerguts niet overal geraakt heeft" (V. BAKEL, Klompenm. [1958]).
Afl. — Wankanter, (Dr.) ongezeggelijk persoon.
Wankanter, tegenkanter, wederparty,   LESTURGEON in Dr. Volksalm. 1847 [1847].
Wankantig.
1°. Een wankant of wankanten (1) hebbend.
  Synon. Lat. -Teut. 3, 4 [c. 1640].
  RÖDING [1793].
— Alle … Knegten (mogen) haar vermaand vinden, dat sy in 't aanvoegen van haar Inhouten, agt geven of deselve, binnen of buitenwaards, niet Spintig, Quaad-Quastig, of Wankantig sijn,   V. YK, Scheepsb. 80 [1697].
2°. (Gron.) Ongezeggelijk, tegenstrevend, tegenstribbelend.
Wankantig, wederstrevig, ongezeggelijk,   Taalk. Mag. 4, 689 [1842].
  MOLEMA [1887].
3°. Van de uier van een koe: scheef.
  TER LAAN [1952].
4°. (Zeel., O.-Vl.) Onregelmatig, niet zuiver van vorm.
  GHIJSEN [1964].
— De boomen stonden lijk wankantige beelden stil en schenen in diepen droom gedompeld,   STIJN STREUVELS, Zonnetij 189 [1900].
Vandaar: wankantigheid (1), in de aanh. m. betr. t. steenen.
Goed reguard nemende op de gestaltenisse, forme en wankantigheid van deselve Steenen, ten eynde hy (de "steenmeter") zyn maate zoo seker zy, als … mogelyk is, voor … hy eenige … verklaringen daar af zal doen,   Handv. v. Amst. 1026 a [1715].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.