Koppelingen:
Vorig artikel: WARMMOES Volgend artikel: WARMOEZENIER
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

WARMOES

Woordsoort: znw.(o.,v.)

Modern lemma: warmoes

WARMMOES, WERMOES —, znw. onz., in enkele wdb. (vanaf CALISCH [1864] t/m KUIPERS [1901]) onz. (het gewas) en vr. (het gerecht), mv. warmoezen. Uit warm (I) en moes. Mnl. warmoes; mnd. warmôs; mhd. warmuos. Naast de gegeven nevenvormen zijn ook incidenteel spellingen aangetroffen als warremes, waermoes, wermmoes, wermoos en wermis.
+1.  Groente, moeskruid; inz. groene groente, bladgroente. Als gewas.
  SASBOUT [1576].
Waerm-moesOlus, olus coctiuum, herba esculenta dicitur waermmoes,   KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
+2.  Gerecht, gekookt of gestoofd, van veelal fijngehakte groente met verschillende toevoegsels; groenteschotel; stoofschotel; groentestoverij. Als spijs voor den mensch.
Wermoes oft pottagie van groene kruyden,   SASBOUT [1576].
  MELLEMA [1618].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 1898].
  KUIPERS [1901].
Afl. — Warmoezenier, warmoezerij, warmoezier (zie die woorden).
Samenst. en samenst. afl. Als tweede lid o.a. in: kervelwarmoes, knolwarmoes, koolwarmoes, langwarmoes, roerwarmoes.
Als eerste lid in: warmoesbol, gehaktbal bestaande uit gehakte groente, vleesch e.d., of bol van een bolgewas of bolvormige groente (ui, kool e.d.) (?); vgl. in dezen laatsten zin BOL (I) (Dl. III¹, 286).
Frederick de Voocht van Rijneveld, dolle, Van bontwerckers ende brouwers zijt ghy gekomen, U over-oude-moeder sat t'Amsterdam, verkocht warmoesbollen, Hoe zydy nu dus uytgenomen, Dat ghy van de Coenroetsen wout zijn geacht?   in V. VLOTEN, Geschiedz. 1, 192 [1528].
Warmoeseter, die warmoes eet; in de aanh. (in het mv.) als scheldnaam voor de inwoners van Koolkerke (W.-Vl.).
Adieu oock … RoomEters van moerbeke, ghy zonder Poer ende WaermoesEters van coolkercke snelle Adieu,   DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 29, 209 [1560].
Warmoesgilde, gilde der warmoeziers.
Deecken ende Hooftman van het Warmoes-gilden binnen Leyden,   BORT, Dom. 50 b [c. 1670].
Warmoesgroen, zekere groentestoofschotel.
De schaffmeester wert gehouden dagelycx ten behoorlycken uyren … aen te rechten: … Op Dynsdagen des middachs tot voorspijs kort warmoesgroen ofte van kool,   R.G.P. 29, 273 * [1631].
Warmoeshof.
1°. Groentetuin, moestuin.
  KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
— Hyer bij is oeck ene wermoes hoff vol ghaten ende holen, daer oock veel heiligen hoer selven in verburghen hadden tempore passionis,   in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 11, 91 [1525].
Wy sullen … beghinnen te beschrijuen de Houen, en ten alder eersten den Warmoes hof, de welcke afghedeylt ende gheschickt is gheweest neffens den Cruydt-hof,   STEVENS en LIEBAUT, Landtw. 180 [1582].
Dat mijne Heeren van den Gerechte … interdiceren ende verbieden … eenige erven te hoogen in eeniger manieren …: uyt geseyt 't hogen van … Warmoes-hoven, ende 't stellen van Ramen,   Handv. v. Amst. 1008 a [1589].
De Netele des Zees, op hare styve lippen End over t'gladde lijf een schadelijcken brand End heete cole draeght, die op de stoute hand Een vier'ghe bleyn' ontsteeckt, als in de warm-moes hoven Het cruyd'ken Roer-my- niet, een vier niet om verdoven In sijn groen bladen voedt,   V. BORSSELEN, Strande 32 [1611].
Warmoes, Ajuyn, Wortelen …, en alle andere diergelijcke Vruchten, die men in Warmoes- Hoven gewoon is te teelen,   BORT, Dom. 50 b [c. 1670].
Eenen woonhuijse, stallinghe, schuere, met voordere Edificien ende gronde van Erve dyer met den Warmoeshof,   in GOOSSENAERTS [1778].
2°. Boomgaard (?). Vgl. ook de volg. alinea.
Inden yersten de hoeve te wetene huysinghe met schuere etc metten wermoes hoff oft bogaert,   in GOOSSENAERTS [1539].
Hierbij: warmoeshofboomgaard, combinatie van groentetuin en boomgaard (?).
Al tgunt, dat licht … noortwart lancx den wech tot Coppen int warmoeshofboomgart ende vandaer streckende noortwart uuyt voorby Adriaen van der Hoogens boomgaert,   R.G.P. 54, 640 [1546].
Warmoesketel. Zie Dl. VII¹, 2506.
Warmoeskom, kom om warmoes uit te eten.
4 Mostert potten, 10 warmoes commentjes, 1 lampet, 2 trechters, 1 waterpot, 2 half pintjes, 17 stuck silvere lepels ende een beecker enz.,   Dagreg. S. Jorge da Mina 370 [1645].
Warmoeskoopster, groenteverkoopster, -vrouw. Alleen in de wdb. aangetroffen.
  HALMA [1778].
  KUIPERS [1901].
Warmoeskop, soepkop.
Wy creghen van haer (zekere inboorlingen) een Warmoescop, en een Schotel seer grof, met root en groen gheschildert, 't was Porceleyn, daer zy seer licht afscheydeden,   Ontdekkingsr. v. Le Maire en Schouten 1, 88 [1616].
16 Groote holle commen, 33 quaert en warmoescoppen, 6 cleyne pimpeltgens enz.,   Econ.-Hist. Jaarb. 10, 180 [1622].
Warmoeskruid, (blad)groente.
  JUNIUS, Nomencl. 130 a [1567].
  HEREMANS [1869].
— Ende dieghene, die mit warmoescruyt ende diergelijcke groene wairen ter marct comen, sullen staen in gaerde noortwaerts upgaende,   Rechtsbr. v. Gouda 362 [1521].
Dog alles was buyten des tijts, vermits het nu somer alhier begonde te werden …, soodat wij tot onse ververschinge niet anders dan warmoeskruyden en wat wortelen en artisocken konden krijgen bij dese tijd des jaers,   J.M. V. RIEBEECK, Br. 47 [1676].
Van alle de Warmoes-Kruiden, die Rechttydig in deeze Maand zyn, is de Zuuring zekerlyk een van de beste, zynde Bloedzuiverende en verquikkende,   Holl. Huyshoudster 89 [c. 1780].
Warmoesland, (stuk) land, waar groenten, moeskruiden geteeld worden.
  HEXHAM [1678].
  V. DALE [1872 ].
— Een stuckgen warmoeslandt, groot omtrent een hondt, by den hoop zonder maet, gelegen in Leyderdorp,   Kenningb. Leiden 1, 47 [1570].
Alle Erven, Boomgaerden, Kruyt-hoven, Speel-hoven, Warmoes-landen …, vande welcke eenige Vruchten ofte Inkomsten ghetrocken worden,   Gr. Placaetb. 1, 1528 [1635].
Rontomme becinghelt zijnde, met ontelbaere Lust-hoven ofte Thuynen …, schoone hooge Weylanden, groene Beemden, goede Coorn-landen, Warmoes-landen,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 3 [1641].
Het (is) ook beter, dat men de akkers der Warmoes-landen in het voor- als in het na-jaer spit,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 311 [1737].
Biljet van verhuring van warmoeslanden door gemelden Heer van Schagen,   Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 4, 397 [1876].
Warmoesman (warmoeslieden, warmoesluiden).
1°. Persoon die groenten teelt voor den verkoop; warmoezier, hovenier, tuinder. In de 5de aanh. mog. ook in den zin van: iemand die den tuin van een ander aanlegt en/of onderhoudt; tuinman, tuinbaas (vgl. hovenier, 2) (Dl. VI, 1205).
  KIL. [1599].
— Item ontf. van Evert, die wermoesman, van dat hy Jonge Dirck angeseyt heeft, dat hy sijn loon onthouden hadde, die twiedeel van 2 R. gld., facit 35 sc. 4 d. 8 m.,   R.G.P. 14, 212 [1502].
Ende de ruychte zal men mede wech moeten doen precyes vóór deselve tijdt ende die zal men mogen brengen in de put achter de Waegh. Welcke ruychte oock de warmoesluyden in de geheele weeck duer noch sullen moeten brengen, eer dat sij van de marct scheijden,   bij BIK, Medisch Lev. 511 [1614].
Ick (moet) alhier mede gedencken het Gilde vande Warmoesluyden, het welcke alhier veel grooter ende meerder is als in eenige gebuyr-steden,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 264 [1641].
De Warmoeslieden (Hoveniers) (opschrift),   J. GAILLIARD, Amb. en Ner. Brugge 2, 181 [1854].
2°. Soms ook: boomkweeker.
Is gheconsenteert tot verzoucke ende begheerte van alle die wermoesluyden, die eynten ende jonge bomen jairlicx teelen, ende carreluyden, dat enz.,   Rechtsbr. v. Gouda 240 [1521].
Warmoesmand, groentemand.
Een Vlaems spinwieltgen mit een ander spinwieltgen; 8 warmoesmanden, zoe nyeuwt als out; een visthon; 5 haspelen enz.,   R.G.P. 140, 527 [1585].
Warmoesmarkt, groentemarkt.
  PALUDANUS 5 d [1544].
  WEIDENBACH [1808].
— Alhier scheyden haer drie wegen, een na der Chinesen cramen, den tweeden nae de groen oft Warmoes merckt, ende de derde na de vleesch merckt,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 44 c [1598].
  C.P. HOOFT, Mem. en Adv. 2, 367 [1605].
Warmoesnering, groentehandel.
Geen warmoes-neeringe, noch oock eenige leveringe van eenigerhande warmoes-vruchten … te doen,   Keuren v. Leyden 76 [ed. 1658].
Warmoespot.
1°. Pot om groente (met evt. toevoegsels) in te koken of stoven.
Die man sal alle sijne kleederen nemen, sijn gordel, sijn harnas …, een spade, sijn warmoespot den besten sonder een, een lepel ende mes,   bij V. AELST, Oudewater 500 [c. 1510].
Een grooten ende cleynen (koperen) wermoespot,   in WEYNS, Volkshuisraad in Vl. 428 [1539].
(Spreekw.) Kleine warmoespotjes preutelen ook, hoe gering of onbelangrijk een spotter ook is, zijn spot kan toch groote schade aanrichten.
Het heeft v gelust met dit Concilie (t.w. dat van Trente) … uwen spot te houden, ende de gheheele authoriteyt vant Concilie te ver-blaesen (want kleyn warm-moes potkens preutelen oock),   REINERI, Verantw. 21 [1605].
In een zei-spreuk.
Elk wat, (sey de Warmoespot) dan heeft niemand te klagen,   Lyste v. Rar. 1, 210 [1706].
  HARREB. 2, 196 a [1861].
2°. Stoofschotel van groente (met evt. toevoegsels); groentestoverij.
Baasje van Schaagen, Doet de Steêgang voor zyn Wyf …; Wyl zyn Vrouw hem t'huis verbeid, En de Warmoespot bereid,   V. GYZEN, Verm. Buitenlev. 51 [1716].
Warmoesschotel.
Item dat nyemant wermoesschotelen, souzieren, soutvaten, maten, trejoren, stroylpotten ofte schelen van steenen, pothens maecken en sal dan van stoff geheyten graauw teen,   in Ambachtsg. 's-Hert. 1, 399 [1503].
In de bottelarie: 3 plateelkens …, 2 warmoesschotelen, ende een cleyn keteltgen,   R.G.P. 141, 142 [1568].
Warmoesschuit, boot voor het vervoeren van groente (naar de markt); snebschuit.
Voor ider Schutting (zal) betaelt moeten werden als volgt: Van een vlot, of dubbelde modderschuyt 2 st. … Een Warmoes of Snebschuyt 1 st.,   Handv. v. Amst. 319 b [1697].
Warmoessop, groentesoep.
  BINNART [1654].
  POMEY [1760].
— Moes, oft groen vverm-moes-sop, het vvelck bestaet in een menghelingh van tien oft meer verscheyde cruyden,   V. STERBEEK, Toon. d. Campern. ** 3 [1675].
Warmoestiend, de tiend die op groenten geheven werd.
De Sententie van den Hove van Hollandt …, daer by dat de Ingelanden van de Made buyten Delft gecondemneert zyn … Warmoesthienden te betaelen,   BORT, Dom. 50 a [c. 1670].
Warmoestuin, groentetuin, moestuin.
  SEWEL [1691].
  V. DALE [1872 ].
— Men (en sal) geen erven buyten deser Stede van St. Antonis poort zuyd-waerts totte Haerlemmer dijck toe binnen de vryheyt deser stede gelegen mogen hoogen, uytgeseyt alleen de warmoes ende kruyd-tuynen, omme warmoes ofte kruyd te gekrijgen,   Handv. v. Amst. 1006 b [1553].
Een Warmoestuyn met de Wooninge daar op staande,   Amst. Secret. 42 [ed. 1737].
De warmoestuinen aan beide zijden van de Steenstraat (te Leiden),   FRUIN, Geschr. 2, 403 [1874].
Warmoestuinder, groenteteler.
Oft nyet oirbaer waere …, dat 't Waeterpoortgen over die Lastaige, mitsgaders Jan Roodenpoorte, tot geryeff van den bleycksters, warmoesthuynders ende anderen, geopent werde,   R.G.P. 69, 399 [1578].
Warmoesverkooper, warmoesverkoopster.
  PALUDANUS 34 c [1544].
  V.D. ENDE [1695].
  KUIPERS [1901].
Warmoesvrouw, groentevrouw, groenteverkoopster. Vgl. -wijf.
  MARIN [1701].
  WEIDENBACH [1808].
Warmoesvruchten (mv.), de versch. soorten groenten, moeskruid.
Dat van nu voortaen geene persoonen … hen sullen mogen vervorderen eenige Warmoes-vrugten over den Over-toom van het eene Schip in 't ander te verbomen,   Handv. v. Amst. 350 b [1618].
De Warmoes-vruchten, werden vercocht aen de Noordt-zijde van den nieuwen Rhijn, beginnende aen de Coornbrugge,   ORLERS, Beschr. v. Leyden 275 [1641].
De Vroetschap der Stad Utrecht interdiceert, ende verbiet by deesen, by provisie alle en een jegelyk, woonende buyten de duysent roeden, … binnen deese Stad te … verkoopen, anders als op de weekelykse marktdagen, eenige warmoes- ofte aard-vruchten,   Placaatb. v. Utr. 3, 818 a [1653].
Dat geen warmoes en boom-vrugten tiendbaer zijn, ten zy imant speciael geregtigt zy,   V. ZURCK, Cod. Bat. 715 a [1711].
Die geenen, die met hunne Warmoesvruchten op dezelve Markt zouden wllen voorstaan,   N. Ned. Jaerb. 1780, 750 [1780].
Warmoeswijf, groentevrouw, -verkoopster.
  LAMBRECHT [1546].
  WEIDENBACH [1808].
— Soe gebiedt den heeren van de Gerechte, dat alle die warmoeswijven … van stonden an alle bladen dat zij van den wortelen ende cool vergaderen ende ofsnijden, dat zij alle die bladen ende anders van der vuylnisse voir him nemen ende wechdoen,   bij BIK, Medisch Lev. 102 [1527].
Warmoes-wijfs, die op de marckt voort staen met alderhande groenlijckheydt,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 94 [1569].
Sy (de olifanten) hebben voor een manier dat sy dickwils op die mercten gaen, daermen alle groenicheyt vercoopt … ende die dan den Olyphant goetgunstich is, werpt hem wat voor: Onder ander wasser een van dese vercoopsters, ende Warmoes-wijf, die altoos den Olyphant wat voor wierp vant geen datse hadde,   V. LINSCHOTEN, Itiner. 69 b [1596].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1988.