Koppelingen:
Vorig artikel: WASSE Volgend artikel: WASSEN II
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

WASSENI

Woordsoort: ww.(trans.,st.,intr.)

Modern lemma: wassen

onz., zelden bedr. st. ww. Onfr. wahson, mnl. wassen; os. wahsan, mnd. wassen, nnd. wassen; ofri. waxa, nfri. wâksen, oeng. weaxan, neng. wax; ohd. wahsan, mhd. wahsen, nhd. wachsen; on. vaxa, ijsl. vaxa, no. vaksa, nde. voxe, nzwe. växa; got. wahsjan. Van den idg. basis * aweqs- ‘vermeerderen, toenemen’ (FRANCK-V. WIJK 778; POKORNY 1, 84; J. DE VRIES 819). Het imperf. is wies, incidenteel ook wos. Vormen met ronding van a tot o, zooals in den inf. wossen en het verl. deelw. (ge)wossen komen gewest. vaak voor.
+I.  In toep. waarin sprake is van een organisch groeiproces en in daarbij nauw aansl. fig. toep. en/of uitdr. en zegsw.
+II.  In toep. waarin de ontwikkeling van het genoemde niet op een organisch groeiproces berust of niet als dusdanig wordt voorgesteld.
Afl. — Wasbaar. 1°. Van boomen, gewassen, zaden e.d.: groeikracht hebbend, het vermogen bezittend om te groeien, groeibaar. Soms bep. ook: welig groeiend goed gedijend.
  KIL. [1588].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
— Desgelics die met waschbaer cruyt om mede te thuynen, groote boonen, lattusaet ende diergelijcke ter merct comen, zullen staen van den voorsz. trappen voorwaerts,   Rechtsbr. v. Gouda 414 [1566].
Ende zoo wye boomen hebben staende aen die wege, daer hecken an zijn, sal d'selve mogen houden staende mits boven offcnootende ende beneden van de bast ontblotende, dat die boomen nyet meer wasbaer en blijven al opte boete alsvoren,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. Z.-Holl. 428 [1588].
Brengt daar 't begraven zaad niet zaad veelvoudigh voort? En straft ons van 't ontfangen ponds verzuimde renten Die wasbaar korrelplant; ook mê voor mis en enten, Met vrucht betaalt ghenoten weldaads woeker ruym,   SPIEGHEL 63 [c. 1610].
Dat de eygenaars van dien (t.w. zekere veenlanden), deselve … met goed wasbaar hout, het zy elsen, ofte anderen rys, sullen hebben te … beplanten, ofte … tot vruchtbaar land toe maken,   Utr. Placaatb. 1, 668 a [1694].
Het Water, 't lieflyk Element, Daar zich de dorst van alle dingen … na wend, … Dat alle vruchten wasbaar maakt enz.,   LUYKEN, Besch. d. Wereld 27 [ed. 1708].
2°. Van grond, aarde e.d.: een goeden voedingsbodem vormend, vruchtbaar.
Derft ook het kruid of boom de Zon of wasbaar aarde; Zo wertet nimmermeer een ciersel van de gaarde,   SPIEGHEL 106 [c. 1610].
3°. Van stoffen: plantaardig.
Laet ons komen tot de Hand-wercken, die de huysen vervullen met huys-raedt …; en toebereydt worden uyt onderaerdse, of wasbare, of leven hebbende stoffe (lat.: è minerali, aut vegetabili, aut animali materia),   COMENIUS, Deure d. Taalen 115 [1666].
4°. Van het weer: bevorderlijk voor den groei, groeizaam. Zie verder de tweede aanh.
Wasbaar, groeizaam,   HOUX e.a. [1968].
'n Wasbaar waer zegt men, wanneer het weer mild en warm is, en daarbij zacht regent,   Ald.
  [1968].
Wasselijk.
1°. Van boomen, gewassen e.d.: welig, rijkelijk groeiend.
Wosselik, voorspoedig, wasdom genietende,   LESTURGEON in Dr. Volksalm. 1847, 197 [1847].
  CORN.-VERVL. [1903].
— Myn Thuynman hadd mijn' Elst sijn' waschelickste tacken, Gewaerschout noch gelast, begonnen af te hacken,   HUYGENS 2, 253 [1656].
Deze scheuten groeyen knobbelagtiger en ongelyker als de Krieke-stammen, en werden zulke groote wasselyke boomen niet, maer zyn draegbaerder,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 130 [1737].
Zwavelagtige … gronden zyn met de zelve strydig; (schoon de Boomqueekers aldaer in weinige jaeren dikke sterk-gegroeide boomen … teelen) vermids in deze gronden noit wasselyke nog bejaerde boomen zullen werden, maer gemeenlyk door het afkankeren der takken van jaer tot jaer versterven; zelfs somtyds in de kragt van haer groei schielyk in het geheel,   131 [1737].
De haver, enz., staat wasselijk, zegt men …, waneer zij goed en gelijk opgroeit,   SCHUERM., Bijv. [1883].
Vandaar: wasselijkheid.
De tyd, dat de … bloemen, takken enz. in de saizoenen beginnen te groeyen …, kan niet bepaelt worden, vermids dit van veele gevallen afhangt; als zyn de gesteltheid der gronden, de wasselykheid der boomen, en de groeizaeme gesteltheid van lucht en weer,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 72 [1737].
2°. Van het weer: bevorderlijk voor den groei, groeizaam.
Wasselik, groeizaam, vruchtbaar, van 't weêr,   Dr. Volksalm. 1846 [1846].
3°. Van vreugde: toenemend.
Pyramus mijn lief, o goden gheduchtich Voor tlijden suchtich, weerde vruecht wasselic,   Piramus en Thisbe (ed. V. ES) 230 [c. 1520].
Wassenaar.
1°. Maansikkel, halve maan, bep. een afbeelding of voorstelling daarvan en als zoodanig inz. in de heraldiek.
  MEYER, Woordenschat [1669].
  V. DALE [1872 ].
Wassenaar, een sikkel der maan met de beide punten (horens) omhoog geplaatst. De wassenaar komt ook in andere standen voor,   JUNIUS, Herald. [1894].
— Gevierendeeld: I, IV: 3 zilv. wassenaars (ligg. halve manen) in rood (Wassenaer),   in Haarl. Bijdr. 2, 57 [1523].
Hoewel de Turken, met het vertoonen van een Wassenaer in hun veld-teykens, een ander inzicht zyn hebbende, dat sy te weeten met de halve wereld niet vernoeghd zynde, ook het overighe deel daer by zoeken te krijghen, ende alzoo een volle maen te maeken,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 1, 70 b [1654].
Nu steigert achter gouden kimmen Het hoog Algiers van uit het schuim. Men ziet de wassenaren glimmen, Verheven tot aan 't wolkenruim,   WISELIUS, Meng. 2, 114 [1818].
Maria is daar voorgesteld als de Onbevlekt Ontvangene …, de handen op de borst, staande op den wassenaar, in een glorie van stralen,   KRONENBURG, Maria's Heerlijkh. 7, 1, 134 [1911].
2°. (Bij verg.) In de volgende aanh. in toep. op een slagorde in den vorm van een halvemaan.
Henrik … stelde … nevens hem (zekeren onderbevelhebber) … den Burghgraaf van T. met twee honderdt twintigh paarden, makende den buik des wassenaars óft halver mane,   HOOFT, Henr. de Gr. 68 [1626].
Wassing.
1°. Van levende wezens, planten e.d.: het groeien (als organisch proces), groei.
  SASBOUT [1576].
Wassing, … groeijing der planten,   V. MOOCK [1846].
— Niet teghenstaende dat sommighe met kinde bevrucht zijn, die vele bloets moeten hebben tot de voedinge, ende wassinghe des voorschreven kints,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 763 b [1604].
2°. In de verb. volle wassing: toestand van volkomen ontwikkeling.
Ick hebbe somtijts overleyt by my selven met verwonderinghe, te weten waer af t'komt dat de terwe die den lantsman saeyt onder de aerde dat sy uytspruyt ghemeynelijck ende voortkomt tot volle wassinghe,   IOSEPH A S. BARBARA, Gheest. Kaertsp. 246 [1676].
3°. Uitwas, aangroeisel.
Nog een andere zoort van bloed-steen groeid tot de gedaante, als de Hersens van een Kalf … Deze vertoont zich ook noch op een verscheide wyze, gelyk als uitgebeeld werd in Fig. 26. in dewelke behalven de Herzenformige gedaante, noch verscheide andere waszingen en uitspruitingen vertoont werden,   V. RANOUW, Kab. 8, 1, 145 [1723].
4°. Toename, vermeerdering.
  DASYP. [1556].
  PLANT. [1573].
— Ende want wy gaerne sagen de wassinge ende weederopcoemste van derselver draperie ende gaerne verhoeden souden alle gebrecken, dairinne zijnde, hebben wy dairomme by ons geropen den … verstandelsten van der draperie,   R.G.P. 14, 235 [1504].
5°. Bep. van water(loopen), zeeën e.d.: verhooging van den waterstand (door overgrooten watertoevoer, vloed e.d.), stijging van het waterpeil; soms ook: vloed.
Om wassinghe der wateren, oft om ghebroken dijcken, of om riuieren die wt hare riuagien gheuloeyt zijn,   BOTTELGIER, Summe ruyrael 4 c [1542].
Hy (sach) dat aldaer een ghevaerlick vaer-Water is, en dat de wassinghe van de twee Zeen, die int midden van de Straet haer t'samen voegen, haer vertrecken met sulcken furie, vallende op eenighe plaetsen meer dan tsestich ellen, dat enz.,   N. Werelt 1, 77 b [1622].
De zee stuyft hier by iedere ebbe en vloed zeer sterk in, en brengd eene wassing van circa 6 voeten aan en af,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 4, 118 [1803].
Bij de schaal, daarvan ontworpen door R. Woltman, … wordt de wassing en het vallen der getijen van het IJ mede nagenoeg aldus opgegeven,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 119 [1824].
Samenst. Als tweede lid b.v. in: aanwassen, opwassen, overwassen, uitwassen.
Als eerste lid (zie ook onder de samenst. van was (I)) in: wasplaats, groeiplaats.
De vruchtbaerheyt van dit edel Eylandt is over al bekent; brenght voorts alle soorten van vruchten, koren enz.; waerom sy eertijdts van Marcus Cato Koren-schuer, Was-plaetse der vruchten, ende Voester-vrouwe van 't Romeyns volck ghenoemt wiert,   SURIUS, Pelgrim 121 [1653].
Wasvat. Zie de aanh.
Wasvaten noemt men in de techniek kristalliseervaten, d.i. die vaten, waarin de kristallen gevormd worden,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1989.