Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: WATE Volgend artikel: WATERACHTIG
Dialect: WVD, WVD, WVD, WVD, WVD, WVD, WVD, WVD, WVD
Afbeeldingen: Dodoens1554
Etymologie: EWN, EWA
Gewestelijke variatie: PLAND
GTB Woordenboeken: MNW

WATER

Woordsoort: znw.(o.,v.)

Modern lemma: water

znw. onz. (hoogst zelden vr.), mv. -en en -s. Mnl. water; os. watar; ofri. weter, water; oeng. waeter; ohd. waᤙᤙar. Met on. vatn en got. wato teruggaand op een idg. r/n-stam * uédōr, uódōr (nom. sg.), udnés (gen. sg.), afgeleid van een idg. √ * ūd-. Vgl. gr. υδωρ, υδαιοζ (< * ud--tos). Zie voor verdere informatie en voor een etym. verband met otter de etym. wdb. Voor versch. dial. varianten van de eerste vocaal zij verwezen naar KLOEKE in N. Tg. 27, 244-49 en SCHÖNFELD § 80.
In ons materiaal werd een zeer groot aantal spreekw., zegsw., uitdr. e.d. met water aangetroffen. Er is niet gestreefd naar een volledige opsomming. In principe zijn niet opgenomen de spreekw. enz. die slechts incidenteel aangetroffen werden in HARREB. 1-3 [1858-1870], HUYGENS 1, Lyste v. Rar. 2 of de dial.-wdb.
Wegens den grooten omvang van het artikel volgt hier eerst een verkort schema van de indeeling:
+I.  Doorschijnende, geur-, kleur- en smaaklooze vloeistof, waarvan de moleculen bestaan uit twee atomen waterstof en een atoom zuurstof; en in hierbij aansl. toep.
+II.  Op water (in de bet. 1) gelijkende vloeistof; en in hierbij aansl. toep.
+III.  Bij verg. in toep. op niet-vloeibare zaken die in eenig opzicht met (eigenschappen van) water (in de bet. onder I) overeenkomen.
Afl. — Waterachtig (zie ald.).
Waterdrig, waterdrager. In de aanh. in toep. op een regenwolk.
Somtyts geeft de Son een blikje, maer soo bleik en waterig, Datse effe schynt te komen aen den bruinen waterdrig,   OUDAAN, Poëzy 2, 129 [1646].
Wateren, waterig, wateriseeren (zie die woorden).
Waterling, ben. voor al wat in het water leeft; waterbewoner. W.g.
Grootmaghtig koning, die … Zoo veel rivieren dwingt, en ziet voor uwe kroon de waterlingen met eerbiedigheit geboogen, Wat wolk van gramschap heeft uw heerlykheit betoogen?   ANTONIDES 1, 89 [1671].
Dit stil en stom zyn baert verdriet Aen de onbezonnen waterlingen (t.w. de kikvorschen),   CONINCKX, Fab. 89 [1808].
Waterloos, zonder water; geen (soms: weinig, onvoldoende) water bevattend; waar geen water is; droog.
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
— Dat, zoe wanneer de voors. mosselen … te veel gemenghet zijn mit sculpen … oft dezelve waterloes te zijn, alsdan de scipheer … zal gehouden wesen … twee pennincxmaten te vercoopen voor eenen penninck,   R.G.P. 69, 93 [1531].
Waterloose wolcken van den wint ommeghedreuen,   Bijbel v. Deux Aes, Judas 12 [1562].
Den Wijn schoon waterloos, de alderschoonste stralet, En onghemengelt bier, men liefst siet op den dis,   Bloem-Hof v.d. Ned. Ieught 65 a [ed. 1608].
De diepe Zee, noyt waterloos gevonden, Door-deyld' hy (God) vlack,   CAMPHUYZEN, Ps. 78, 9 [c. 1626].
  V. RANOUW, Kab. 8, 2, 45 [1724].
Bedevaartgangers … bedienen zich van die karavanen, en doen alzoo reizen, welke zonder dat in die deels onbewoonde, deels waterlooze, deels door rooverbenden onveilig gemaakte streken anders onmogelijk zouden zijn,   Boek d. Uitv. 2, 2, 126 [1865].
Waterlooze wolken — wilde zeegolven — dwaalsterren,   POTTERS, Katech. 3, 203 [1913].
Watersch. Sinds lang veroud. 1°. Zich in het water bevindend; in het water levend.
  Dict. Tetragl. 23 a [1562].
2°. Waterachtig; van den aard van water.
Dit voorstel (t.w. zekere wijze van berekening) is gemeen over alle stoffen, doch schijnt sijn grootste gebruyck in watersche verschillen te bestaen,   STEVIN, Gedacht. 6, 160 [1586].
Eenen gedistilleerden edik, hoe slap hy zy, vindende 't minste stuck eens kreeften-steens, en houd niet op, hy en ontdoet het, en eet 'et op, tot een doorschijnigh waters wesen,   V. HELMONT, Dageraad 141 [ed. 1660].
Watershalve, vanwege het water. W.g. en sinds lang veroud.
Desen steen ombt iissch ende watershalven hoeger laeten dragen, dair van gegeven 2 gl. Brab., vz. 100 gl. 5 st.,   Rek. v. Nijm. 3, 321 [1526].
Dat gesey upten lande, so noch ter tijt nicht te wetten iss, wess darvan kommen wert ader offtet watershalven verdrencken sal,   R.G.P. 140, 364 [1574].
Waterwaarts, in de richting van het water.
Waer het landt schadelijck af-spoelt, steeckt men kribben, ofte dwars hoofden dwars uit, waterwaerts in de gront, van enckel of dubbelt pael-werck,   WITSEN, Scheepsb. 480 b [1671].
Kopp. Hieronder zijn alleen kopp. opgenomen die samengesteld zijn uit een verb. met water en een suffix of znw.
Water-en-melkachtig, laf, flauw.
De goede Lou … moet in haar huwelijk een gansje zijn geworden … En waaróm dit? — Onnoozele vraag! Immers omdat anders heel dit salonromannetje van water-en-melkachtige echtbreuk niet gesponnen en gedrukt hadde kunnen zijn,   V. NIEVELT, Interlud. 263 [1898].
Water-en-melkboek, boek zonder substantiëelen inhoud.
Het is hier de plaats niet te onderzoeken, wat passende lektuur voor jonge jufvrouwen is — water- en melkboeken waarschijnlijk — maar Studenten-Typen ten minste zijn voor geene meisjes geschreven,   POTGIETER 13, 392 [1841].
Water-en-melkdefinitie.
Is geleerdheid, waarvan eene groote mate van duidelijkheid in de conclusies, soliditeit van bewijsvoering, betrouwbaarheid der bronnen het uitvloeisel is niet te verkiezen … boven eene populariteit, die zich in waterenmelkdefinities verliest?   Gids 1875, 4, 358 [1875].
Water-en-melkjoch, weeke jongen.
"Ik hou wel van een sporttype," zei ik. "Meer dan van zoo'n water-en-melk jog",   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 2, 15 [1921].
Water-en-vuuraffaire, zaak in (heet) water, gloeiende kolen en brandstoffen.
Ze kan … met je dooie centen nog net een water- en vuur-affairetje beginnen,   KOKADORUS, Amstelv. 78 [1909].
Water-en-vuurbaas, handelaar in (heet) water, gloeiende kolen en brandstoffen.
  V. DALE [1914].
  KOENEN [1920].
Water-en-vuurdrager. Zie de aanh.
Deze (t.w. schijnheiligen) zyn menschen met twee aenzigten of om beter te zeggen: water- en vuerdragers,   bij LIEV.-COOPM. [1800].
Water-en-vuurkelder, kelder waarin een water-en-vuurnering of waterstokerij gehouden wordt.
De Water- en Vuurkelders hingen den waterketel boven een vlammend vuurtje uit,   V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 1, 134 [1868].
De roman des levens … van dat oude vrouwtje, 't welk uit een water- en vuurkelder naar boven strompelt, en zoo in alles den stempel draagt, dat zij betere dagen heeft gekend,   Gids 1875, 2, 560 [1875].
Wanneer er een huiverig vrouwtje opduikt uit een water- en vuurkelder, ze beurt in de aarden test het kooltje vuur dat ze heeft gekocht voor een halven cent, moet ze eventjes toch op de kleine steentjes wachten,   V. LOOY, Feesten 96 [1903].
Water-en-vuurnering, handel in (heet) water, gloeiende kolen en brandstoffen.
  V. DALE [1884 ].
  KOENEN [1911 ].
Water- en Vuurnering. Te Amsterdam, in de Egelantiersstraat, vóór ongeveer 40 jaren, aan een kelder, onder de afbeelding van een Zon en boven die van een Vuurtest en een Keteltje,   V. LENNEP en TER GOUW, Opschr. 301 [1869].
Water-en-vuurvrouw, vrouw die (heet) water, gloeiende kolen en brandstoffen verkoopt.
  V. DALE [1914].
— Wij namen brood mee, en een zakje koffie, en halen dan heet water bij een water- en vuurvrouw op Scheveningen,   V. GOGH, Br. 1, 435 [1882].
Mijntje most 'r weer op uit, om bij de water-en-vuurvrouw 'n halleve cent heet water te halen,   HEIJERMANS, Diamantstad 320 [1904].
Water-en-windbrood, brood van slechte kwaliteit.
Mensen met de laagste inkomens kochten brood in een der winkels van "De Tijdgeest", want de slagzin luidde hier: "Op de zes een toe". … Ook hier gold vanzelfsprekend het "alle waar naar z'n geld. " Het was, zei men, met een minachtend gebaar: "water- en windbrood",   Maandblad Amstelodamum 1952, 27 [aangeh. woorden, c. 1900].
Water-en-windkers. Zie Dl. VII, 2430.
Volgers zyn roode ronde Kerssen, by de steel platagtig, niet vleezig, maer vol met sap met weinig geur …: nogtans zouden deze zoo gezegde water- en wind-kerssen in warme zomers gezonder zyn als Praegse Muskadellen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 134 [1737].
Samenst., samenst. afl. en overige kopp. Als tweede lid o.a. in: afvalwater, bluschwater, bronwater, buitenwater, drinkwater, gootwater, grondwater, kamferwater, kokswater, koningswater, kookwater, kunstwater, pompwater, regenwater, schuitwater, smeltwater, spraakwater, spuitwater, zomerwater.
Als eerste lid o.a. in: wateraandrang. 1°. Het aandringen van grondwater.
Bij het graven van putten is de wateraandrang vaak bezwarend,   V. DALE [1914].
2°. Drang tot urineeren.
  V. DALE [1914].
Wateraantrekkend, hydrophiel. Ook in de verb. wateraantrekkend(e) kracht, vermogen.
  GALLAS [1911].
— Dat men deeze weering des bederfs, door de gemeene vaste Loogzouten, alleen moet toeschryven aan haare water-aantrekkende kragten,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 16, 2, 90 [1776].
De wateraantrekkende kracht van het zwavelzuur is ongemeen groot,   Boek d. Uitv. 5, 42 [1868].
De vloeistof die door de vaatkluwens wordt afgescheiden is vrij van eiwit. Berust nu deze afscheiding op filtratie, dan moet men aannemen dat zij alleen dan kan plaats vinden, wanneer de drukking binnen de vaten de osmotische drukking — het wateraantrekkend vermogen — van de eiwitstoffen van het bloed overtreft,   Alb. d. Nat. 1899, 2, 79 [1899].
De aanwezigheid van wateraantrekkende stoffen in het celvocht,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 161 [1906].
Wateraantrekking, mate waarin een bep. stof water aantrekt.
Van 't Hoff (kwam) er toe te twijfelen aan de juistheid van eene opmerking … over de grootte van de aantrekking tusschen watervrij natriumsulfaat en water … Hij (stelde) zich de vraag … of niet deze wateraantrekking … te meten zou zijn … in eene waterige oplossing,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 217 [1903].
Wateraanvoer, aanvoer van water, inz. in de bet. 1) met de versch. toep.
  KUIPERS [1901].
  GALLAS [1911].
Wateraanvoer in groote steden. Amsterdam. Den 18 Maart 1851 is een vennootschap opgerigt te Londen, om Amsterdam met drinkbaar water te voorzien,   Jaarb. W. en K. 1852, 382 [1852].
De compagnie Bonnefin, eigenaresse der mijn, besloot deze te doen ledig pompen; de wateraanvoer (uit een naburige mijn vol water) werd op 6000 kub. el daags geschat,   Alb. d. Nat. 1853, 1, 263 [1853].
Spreker behandelde de verschillende veiligheidsmaatregelen …; het onverbrandbaar materiaal …, het brandscherm, den overvloedigen wateraanvoer, enz.   , Ts. Nijverh. 1892, 2, 102 [1892].
Ten einde het bezwaar der veranderlijke wateraanvoer te verhelpen, is in de Sill (zekere rivier) een dam gebracht,   V. CAPPELLE, Electr. 422 [1908].
De Donge heeft evenmin voldoende capaciteit voor den bij hevige regens steeds grooter wordenden wateraanvoer,   Versl. Landb. 1917, 1, XVI [1917].
Wateraardbei, plantengeslacht (Comarum), behoorend tot de familie der Roosachtigen; ook in gebr. voor één bep. soort daarvan: Comarum palustre L. Voorkomend op vochtige plaatsen.
Comarum palustre L. Waterbezie … Wateraardbei,   HEUKELS 72 [1907].
  GALLAS [1911].
Comarum palustre (wateraardbei) is een moerasplant; de kelk is grooter dan de bloemkroon en donkerrood gekleurd; de bloembodem wordt vleezig,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 4, 88 [1908].
Wateradder, gifslang (Ancistrodon piscivorus), behoorend tot de familie der Adders. Voorkomend in waterrijke streken in N.-Amerika.
  DASYP. V v v° b [1556].
— De spijslange, de adderslange, de wateradder, zyn kruypende, en haer huyden aflegghende,   COMENIUS, Deure d. Talen 215 b [1642].
  BREHM-HUIZINGA 3, 101 b [1910].
Waterader. Na de 18de e. nog vnl. in wdb. aangetroffen. 1°. Plaats waar water opwelt uit den bodem; bron.
  HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
— Hi maect van eender woestinen een staende water, ende een dorre lant tot water aderen,   Bijbel v. Liesveldt, Ps. 107 D [1526].
Arm, roemryk Spa, zoo wyd geroemt Als 't Prinsdom van de Luikenaaren, Niet om de werldkloot wierd vernoemt, Om uw gesonde waateraâren,   SIX V. CHAND. 139 [1657].
2°. Uit den bodem opwellende waterstraal. Vervolgens meer in 't alg.: waterstraal, waterstroom.
  Dict. Tetragl. 273 d [1562].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Ic (schijn) in wanhoops Zee, begraven schier te syn, Wiens water-ad'ren my, gantsch driegen te versmoren,   BREDERO 3, 479 [161.].
Dat 'er een levende water-ader uyt een heldere en klare Fonteyn springt,   J. V. HOOGSTR., Wer. Ydelh. 1, 153 [1659].
Dat hy zyne laaving spaarden, Tot daar de zuiv're welbron zy; Den ryken oorsprong aller stroomen … En drinken 't heilig nat om niet; Dien levendigen Water-ader, Die eeuwig opweld, uit den Vader, En zeer bemin'lyk Jezus hiet,   LUYKEN, Besch. d. Wereld 99 [ed. 1708].
Uit de Source van een oude Bron … (ontsprong) een groote menigte water …; deze … zandige Steenkeizel wierd in zulk een groote menigte door deze nieuwe water-ader opgeworpen, dat enz.,   V. RANOUW, Kab. 3, 426 [1720].
Wateräders! Bronnen! Stroomen! Lokt uw kabblend golfgeluid Al 't gevederd zangkoor uit, Daar gy vloeit langs groene zoomen,   V. WINTER, Amst. 3 [1755].
3°. Ondergrondsche waterstroom; ondergrondsche gang waar water doorheen stroomt. Vaak in de verb. onderaardsche waterader.
  WEIL. [1811].
  BOMHOFF [1857].
— Hier mede opende daer een water aeder, met sulcken abondantie … opspringende, dat wij haestelijck altesaemen wt den pudt mosten climmen,   DE PUT voor V. LOM, Lied. 73 (ed. WIJNGAARDS) [1ste h. 17de e.].
De Rhyn … heeft zynen eersten oorsprong op de Alpen …; alwaar hy, uit eene kleene bronwel, en onderaardsche water-aderen, ontspringt,   BERKHEY, N.H. 1, 98 [1769].
Dat zulke oude Waterpoelen met eenige Wateraderen, naar alle kanten henen leidende, en dus ook met het buitenwater onder door den grond gemeenschap hadden,   V. BLEISWYK-ESDRÉ, Dijken 283 [1778].
Ieder … weet, wat eene Rivier zy, zo wel als dat dezelve geschikt is, om de wateren, geboren … uit onderaardsche water-aderen, van hoogere naa laagere plaatsen op het aardryk af te leiden, langs een geul of goot,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 19, 1, 6 [1779].
Het afleiden of opstoppen der onderaardsche wateraderen,   Boek d. Uitv. 2, 2, 5 [1865].
4°. (Geneesk.) Lymphevat.
  WEIL. [1811].
Waterader, … tegenstell. van bloedader, een der vaten, welke het waterachtige vocht naar het bloed voeren,   BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Aderlyke buysjes, … zich ontlastende inde wateraderen, hier door in 't kort ingezonden in de bloed-aders,   BOERHAAVE-LÓVE, Geneesk. Onderw. 52 [1745].
Dat de Waterslagaders den weiachtigen waassem aanvoeren, en de Wateraders denzelven opslorpen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 25, 9 [1788].
Hierbij: wateraderbreuk, breuk van een lymphevat.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  BOMHOFF [1857].
  KUIPERS [1901].
Waterafdrijvend. Geneesk. 1°. Vochtverwijderend.
  BLANCARDUS, Lex. Med. 529 [1702].
  V. MOOCK [1846].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— De Waterzugt … zal ook met gelyke Middelen geneezen moeten worden …, meer dan door Buikopenende en waterafdryvende dingen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 4, 1, 593 [1758].
2°. De urineloozing bevorderend.
  V. DALE [1872 ].
  GALLAS [1911].
— Het genoegzaam drinken en de beweegingen, (zullen) altoos de voornaamste hulpmiddelen tegen dit ongemak (gestoorde urineloozing) blyven: vermids een aanhoudend gebruik maaken van waterafdryvende middelen, meer schade dan vrugt aanbrengt,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 16, 2, 179 [1776].
Wateraffodil, ben. voor de plant Narthecium ossifragum, behoorend tot het geslacht Narthecium; beenbreek.
  GERTH V. WIJK, Plantnames 882 [1911].
Wateraffodil. Eene inlandsche plant, op veengronden groeiende, waarvan de bloem eenigszins op die des affodillen gelijkt, en waarvan men beweert dat zij, door het vee gegeten, het gebeente verslapt en bros maakt,   Aant. [c. 1860].
Geele Water-Affodillen … by de Boeren Edelgras. In Engeland schynt het byzonderlyk zyn Zetel gevestigd te hebben, alzo het den naam van Engelsen of Schotsch voert by de Autheuren, ja zelfs by sommigen Lancaster-Affodil getyteld wordt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 12, 354 [1780].
  SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 151 [1815].
Moeras Narthecium, gele water-Affodillen … ook wel wilde gerst of cipelgras genoemd, … op veenachtige heiden en op de eigenlijke hooge veenen niet zeldzaam,   V. HALL, Landh. Flora 226 [1854].
Gele wateraffodille; overblijvende plant met kruipenden wortelstok, smal-zwaardvormige bladeren en een tros van bloemen, die van binnen geel, van buiten groen zijn,   Vivat's Encyclop. 5615 a [1908].
Waterafkoeling, koeling door middel van water.
  TEN BOSCH [1911].
— De buis wordt … sterk belast, zoodat buizen met waterafkoeling … zeer aan te bevelen zijn,   V. CAPPELLE, Electr. 1016 [1908].
Als nadeel van het Madsen-geweer moet beschouwd worden, dat … luchtafkoeling van den loop is toegepast in stede van waterafkoeling. Hierdoor wordt het geweer vrij spoedig zeer warm,   Overz. Proeven Artill. 62 [1909].
Voor de automobiel-motoren wordt bijna alleen waterafkoeling gebruikt,   BRAND, Automob. 81 [1919].
Waterafleidend.
Een paar vrij slechte waterafleidende voren,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 243 [1812].
Waterafleiding.
1°. Het afvoeren van water, inz. overtollig boezemwater.
Dat de … ontgraven houtspinsen … niets ten opzigte der bewaring en der waterafleiding te begeeren laten,   Akkerbouw 1 April 1849, 2 b [1849].
In de Afdeeling Neder-Veluwe der Geldersche Maatschappij van Landbouw … bestaat groote behoefte aan eene verbeterde waterafleiding,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1861, 2 [1861].
2°. Goot, buis, kanaal e.d. die (dat) dient tot het afvoeren van water.
In den omtrek van elke kweekerij moet … eene wijde en diepe ringsloot gegraven worden, waarin de kleine waterafleidingen, rondom de beddingen vervaardigd, zich kunnen ontlasten,   Boeren-Goudmijn 9, 195 [1863].
Twee … groote wegen … bestaan uit eenen dam, met opgemetselde kanten en waterafleidingen,   Boek d. Uitv. 2, 1, 14 [1865].
Hier te lande (waren reeds) onderaardsche waterafleidingen aangelegd, voordat men in Engeland nog aan draineeren dacht,   2, 1, 302 [1865].
3°. Het geven van een andere richting aan den loop van een rivier. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  GALLAS [1911].
Waterafloop.
Dat in dat geval de waterafloop in het Zwanegat door de aanwezige bootjes niet kon worden belemmerd,   Weekbl. v.h. Recht 9 Mei 1898, 1 a [1898].
De beslissing der stadsregeering (werd) ingeroepen om uitspraak te doen in kwesties over waterafloop, grensscheiding en andere kleine geschillen,   Gron. Volksalm. 1910, 17 [1910].
Waterafscheiding, het afscheiden (in versch. bet.) van water.
  TEN BOSCH [1911].
Dephlegmatio. Waters-afscheiding; Zuivering van het water; word gezegt van de geesten, als men dezelve van haar overtollig phlegma of water door herhaalde distillatie zuivert,   CHOMEL 476 a [1768].
De behoefte aan eene onbelemmerde doorvaart heeft zwaarder gewogen dan het belang der waterafscheiding, en de (drie aanwezige) sluizen zijn opgeruimd,   G. DE VRIES, Zeew. 492 [1864].
Ook bij … soorten van Aronskelken (Calla en Arum), ziet men eene diergelijke overvloedige waterafscheiding,   1865, 1, 288 [1865].
De huid (is) de longen behulpzaam voor de ademhaling en beide genoemde organen helpen de nieren voor de waterafscheiding uit het bloed,   Alb. d. Nat. 1902, 1, 215 [1902].
Waterafsluiting, afsluiting door middel van een bep. hoeveelheid water. Zie verder de aanh.
  TEN BOSCH [1911].
Waterafsluiting, gasafsluiting door eene kolom water bij gashouders, ventilatoren enz.,   V. DALE [1914 ].
Waterafsluiting. Het middel om door eene hoeveelheid water het toetreden van lucht of het verspreiden van gassen tegen te gaan,   ZWIERS [1920].
— Het halsstuk aan den hollen bol past in de bovenste opening van den cilinder, en om deze sluiting beter digt te maken, wordt de omgevende kom vol water gegoten. Eene dergelijke water-afsluiting bevindt zich van onderen om de voegen tusschen den cilinder en den zuiger digt te maken (er is sprake van de luchtpomp van Guericke),   Boek d. Uitv. 2, 2, 370 [1865].
Wateraftapping.
1°. (Geneesk.) Het verwijderen van (overtollig) vocht dat zich op een bep. plaats in het lichaam opgehoopt heeft; ook: opening in het lichaam waardoor dit gebeurt.
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
  HALMA [1778].
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].  Vivat's Encyclop. [1906].
Wateraftapping … geschiedt, hetzij door …eenen steek, waarmede men buik- of borstholte opent, om aan het water uitgang te verleenen; hetzij door de huid van door water gezwollene ledematen … met hulp eener lancet te doorsnijden,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
2°. Het aftappen of afleiden van water (bep. uit een rivier); keer dat of gelegenheid waarbij dit gebeurt; middel, voorziening daartoe.
  KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
Wateraftapping, … het laten loopen van water uit rivieren, kanalen, enz. in slooten ten behoeve van velden en weiden,   KUIPERS [1901].
— De wateraftappingen, thans op de rivieren of andere waterloopen die tot grensscheiding dienen, bestaande, zullen in dezelver tegenwoordigen staat behouden worden,   Besl. v. 15 Febr. 1844 (Stbl. 12), a. 36 [1844].
Nederland … wilde de wateraftappingen uit de Maas, met het oog op de bevaarbaarheid der rivier, zooveel mogelijk beperken,   Hand. St.-Gener. 1861-'62, Tw. K., blz. 204 a [1861-'62].
Wet … tot goedkeuring van eenige artikelen der met België gesloten overeenkomst tot regeling der Wateraftappingen uit de Maas,   Wet v. 6 Juli 1863 (Stbl. 111) [1863].
Waterafvoer.
1°. Het afvoeren, loozen van overtollig water (bep. uit een polder e.d.); waterloozing; afwatering.
Het is eene bekende zaak, dat de waterafvoer in verschillende oorden van ons land veel te wenschen overlaat. Zoo liggen de slagdorpels van vele polders in Zeeland, die op de ebbe uitwateren, meestal aanzienlijk boven den ebbestand enz.   , Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1860, 151 [1860].
Dat in afwachting van eene meer volledige regeling van de afstrooming van water uit het Stadskanaal, het wenschelijk is bepalingen vast te stellen omtrent den waterafvoer uit dat kanaal … naar buiten door de Statenzijlen,   Bijv. Stbl. 1881, n° 104 [1881].
Daar de polders Leeuwen en Puiflijk, alhoewel tot de "gecombineerde waterlossing" behoorende, eene wetering voor eigen waterafvoer bezitten, zoo zou enz.,   Onderz. Landb. 1886, 3, 3 [1890].
Vooral in landen als Nederland … oefent o.a. ook de physische gesteldheid des bodems grooten invloed op den waterafvoer uit,   BLINK, Nederl. 1, 241 [1891].
Het regelen van … den waterafvoer en de watervoorziening van zuivellokalen en koestallen,   Versl. Landb. 1915, 1, 45 [1915].
In polders en op landerijen vereischt de waterafvoer … bijzondere voorziening door middel van greppels en Afvoerslooten enz.,   ZWIERS 1, 29 b [1917].
2°. Het stroomafwaarts voeren of loopen van water (in een rivier); hoeveelheid water die stroomafwaarts loopt (door een rivier).
Bij den minderen waterafvoer langs Neder-Rijn en Lek, bij ongeveer hetzelfde verhang als op de Waal, is op deze rivier deze eisch (t.w. zekere vaardiepte) overdreven,   E. Haard 1875, 295 a [1875].
Daar nu de waterafvoer van de Rhône 27 M³ per sekonde bedraagt …zou men juist 106 jaren behoeven om het droog geworden meer van Genève weer met water te vullen,   Alb. d. Nat. 1888, 2, 40 [1888].
De totale jaarlijksche waterafvoer van de Maas voorbij Maastricht zal gemiddeld ± 9,9 milliard M³. bedragen,   BLINK, Nederl. 1, 204 [1891].
Hierbij: waterafvoerriool.
  TEN BOSCH [1911].
Waterafvoerend.
Dat een water-werktuig niet genoeg is … tot ontlastinge van die graveryen …; waarom de Bergwerkers verpligt zyn, aan eene bergbouwery … veele … pompen en water-afvoerende werktuigen te doen stellen,   V. RANOUW, Kab. 4, 372 [1720].
Waterafvoerend vermogen eener rivier of stroomend kanaal; hierdoor verstaat men de juiste hoeveelheid water, welke door hare doorsnede over de breedte, in eene gegevene tijdseenheid … afloopt,   G. NIEUWENHUIS, Wdb. v. K. en W. , Aanh. [1844].
Men (heeft) … het waterafvoerend vermogen der droogpijpen te duidelijk gezien, om zich niet verzekerd te houden van hare gunstige werking,   Boeren-Goudmijn 2, 1, 35 [1856].
Waterahorn(boom), eschdoorn.
Waterahornboom,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Waterahornboom,   V. DALE [1872 ].
Acer Pseudo-platanus L. Eschdoorn … Waterahornboom,   HEUKELS 2 [1907].
Waterahorn,   V. GELDEREN [1909].
Wateraker, bep. type emmer.
2 Coperen wateraeckers; — 2 witte marcktemmerkens,   R.G.P. 140, 475 [1578].
Het maaken van een' Rooden Water-Aker, van een plat Stuk Koper ofte Bodem geslagen, de grootte van een Water-Emmer, goed en gaaf, zonder gaten of soudeeren (opdracht voor den asp. meester-koperslager),   Keuren v. Haerlem 2, 175 a [1702].
Met deze houte handputsjes scheppen zy het water dikwils uit de groote water-emmers of reeten en greppels, en de houte water-emmers of ledere water-akers worden gevoegt aan groote werktuigen, daar zy het water mede opwinden,   V. RANOUW, Kab. 3, 358 [1720].
Waterakker, aan of in water gelegen akker. Sinds lang veroud.
Een ackerlants van drie vierendeel zaaijens, gelegen in die water-acker,   in Bijdr. Gesch. Bisd. Haarlem 4, 275 [1582].
Die plantagie (wert) nu al by velen by der hant genomen …, te weten in de padie die op hoge landen geplant wort, de waterackers tot het planten van cattoen onbequaem sijnde,   bij DE HAAN, Priangan 3, 384 [1664].
Wateralant.
1°. Ben. voor het gewas Inula brittanica L. van het geslacht Inula; Engelsche alant.
  V. DALE [1898].
  KUIPERS [1901].
2°. Eschdoorn (Acer pseudo-platanus L.).
Acer Pseudo-platanus L. Eschdoorn. … Wateralant,   HEUKELS 2 [1907].
  V. DALE [1914].
Wateralf. Buiten de wdb. w.g. Veroud. 1°. Schimpnaam voor watergod. In de litt. aanh. in toep. op een pers.
Waeter-alf … Neptunus,   KIL. [1588].
  MEYER, Woordenschat [1669 ].
  WEIL. [1811].
  V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
— Desen gevalueerden wateralf, Die is wel een geheel jaer te vroech gheboren,   Drie Esbat. 39 [1541].
2°. In of bij water levende geest; waterspook.
Waeter-alf. Daemon aquaticus,   KIL. [1588].
  MEYER, Woordenschat [1669 ].
Wateraloë, krabbescheer (Stratiotes aloides L.).
  CHOMEL 52 b [1768].
  W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  HEUKELS 247 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1297 a [1911].
— Dat men op zulk een moeras moet … zaaijen zoo veele soorten van Waterplanten als men kan bekomen; inzonderheid … de Water-Eppe, het Perzik-Kruid, de Water-Aloë,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 8, 2, 99 [1765].
  Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 14, 316 [1825].
De naam scheeren wordt algemeen gebruikt. Verder in Friesland wateraloë en waterstekels, in Groningen, Friesland en de Graafschap Zutphen aalstekels en in de Graafschap Zutphen, Zuid-Holland en Utrecht kaarde,   HEUKELS, Flora 1, 627 [1911].
Waterampul, waterkan. In de aanh. inz.: waterkannetje dat bij de Heilige Mis gebruikt wordt.
Vervolgens neemt hij (de misdienaar) de waterampul in de rechterhand, ontvangt dan de wijnampul met de linkerhand terug,   SPRENGERS, Handl. Misdienaars 2, 20 [1914].
Waterananas. Uitsl. in wdb. aangetroffen met de omschrijving ‘watersalade’.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1898 ].
  KUIPERS [1901].
Waterandoren, ben. voor versch. planten die alle tot de familie der Lipbloemigen (Labiatae) behooren, inz. wolfspoot (Lycopus europaeus L.) en watermalrove (Marrubium aquaticum).
Water Andoren. Marrubium aquaticum,   DE LOBEL 1, 620 [1581].
  DE GORTER, Flora 8 [1781].
  CHOMEL, Verv. [1793].
  V. HALL, Kruidtuin 135 [1871].
Lycopus europaeus L. Wolfspoot. … Waterandoorn … Oude namen: Waterandoren, Watermalroue,   HEUKELS 148 [1907].
Lycopus europaeus L. … water-andoorn …, wolfs-poot,   GERTH V. WIJK, Plantnames 796 a [1911].
Water Andoren oft Water Malroue is van viercante hooge stelen, ende stekende rouwe Bloem knoopkens, rontsom de steelkens wassende, den Swarten Andoren volkomen gelijck,   DODON. 1024 a [ed. 1608].
Het water Andoorn of water Malrove heeft de naem van Heyden-kruydt of Egyptenaer-kruydt gekregen, om dieswille dat de Landt-loopers en bedrieghelycke Waer-seggers … hun huydt met dit kruydt bestrycken, de selve een swerte verwe doen krygen, sulcks als men de Egyptenaers en de geele Mooren of Africaenen siet hebben,   WITGEEST, Toverb. 260 [ed. 1715].
Men plagt het, deswegen, Water-Andoorn te noemen, dewyl het naar het Marrubium veel gelykt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 149 [1777].
Waterandoorn. Twee gewassen dragen dezen naam: de lycopus europaeus, eene soort van het geslacht lycopus of wolfspoot … De andere plant is de stachys palustris, eene soort der stachys van Linné, dat een plantengeslacht is in de familie der labiaten behoorende,   V. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
Waterangelica, engelwortel (Angelica silvestris L.). Vgl. Dl. III, 4125.
Angelica silvestris L. Engelwortel … Waterangelica,   HEUKELS 20 [1907].
Angelica sylvestris L. … engelwortel, … waterangelika,   GERTH V. WIJK, Plantnames 91 a [1911].
— De Water-Angelica, ofte Archangelica, is al soo hoog als de Tamme groeijende: dog de kleindere bladen van meer in getal, en digter by een gewasschen, groeijende aan roodagtige steeltjes,   BLANKAART, Ned. Herbarius 65 [1698].
Waterappel, ben. voor zekere (in Z.-Amerika voorkomende) boom (Anona palustris); vrucht daarvan.
  CHOMEL [1777].
  SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 99 [1806].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 93 a [1911].
— Annona met langwerpige, stompachtige, gladde Bladen en geperkte Vrugten. Hoe klein het verschil in de Kenmerken ook voorkomen moge, wordt deeze nogthans, van den Vlaade-Appel Boom, door de Engelschen onderscheiden, en, om dat hy aan de Rivieren groeit, Water-Appel getyteld,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 3, 97 [1774].
Hierbij: waterappelboom.
  MARTIN [1829].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  GALLAS [1911].
Waterarm, weinig water bevattend.
  V. GELDEREN [1909].
Waterarm beton,   TEN BOSCH [1911].
Wateras, (molenb.) as van scheprad en waterwiel van een schepradmolen.
Tmiddel vande wiecken is 201/4 voet vant middel vanden as, daerom sullen wy vinden tgewicht daert scheprat mede verladen is, ooc op 201/4 voet vant middel vande wateras (betr. ontwerp v.e. watermolen),   H. STEVIN, Bedr. 10, 12 [1667].
Den water-As met zyn Raden vertoont drie draden, den As is zwaar na dat hy groot is,   Gr. Volk. Moolenb. 1, 8 b [1734].
Die back daer 't onderwiel in gaen sal sal groot wesen naden eysch vant wiel, soo hoogh dat de wateras daer effen van draeyen mach,   Aant. v. G.J. BOEKENOOGEN [1834?].
Het spoorwiel en het scheprad worden beide op een horizontale as …, de wateras genaamd, gehangen, welke aan het eene eind op den draagmuur en aan het andere einde op den achtkantsmuur draagt,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 718 [ed. 1857].
Aan de horizontale zoogenoemde wateras worden op de eene of andere wijze armen of spaken en daaraan planken of schoepen bevestigd,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 226 [1875].
Waterautomaat. Zie de aanh.
Men kende … voor een paar eeuwen water-automaten, of door water gedreven wordende figuren van menschen en dieren, die werkten, muzijk speelden, zongen, riepen, sprongen enz.,   Nav. 21, 219 [1871].
Waterbaan, 1°. Dicht. ben. voor stroom, rivier, zee e.d.; watervlakte. Bijna uitsl. in rijmpositie aangetroffen.
  BOMHOFF [1857].
  V. GELDEREN [1909].
— De gryze Maes … vergat zyn vaert Terwyl de windt … speelde in ruisschende elzeblaen Langs 't vlak der zilv're waterbaen,   ZEEUS, Ged. 347 [c. 1710].
Hoe spoedig voert de vloed hen met de golven aan! Hoe siert die kleine vloot den kant der waterbaan! Men werpt het anker uit,   V. WINTER, Jaarg. 140 [1769].
Terwijl … op het vlotte veld de schepen voorwaarts snellen, Vest aller oog zich op d' onmeetbre waterbaan. Pompeus blik alleen gloeit nog den oever aan,   FEITH, Verl. v.m. Oud. 213 [1818].
Als een zilverwitte zwaan … Voortrolt op de waterbaan, Kliefde … Haemsteês vlugge kiel de baren,   V. LENNEP, Poët. 3, 221 [1831].
Woest schokken, tuimlen, vliên de kielen, Die weêrzijds branden, slaan, vernielen. Het bloed doorgolft de waterbaan,   V. ACKERE, Winterbl. 310 [1868].
2°. Waterweg; scheepvaartroute.
Waterbaan, Route d'un vaisseau,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  HEREMANS [1869].
  V. DALE [1872 ].
— Uw hebzucht, Britten, en uw afgunst zijn voldaan: Maar, Vrienden, ziet gij nu, langs open Waterbaan, Uw koopmanschap elks grenzen binnenstoomen,   STARING 4, 153 [1832].
Waterbaander, iem. die zich te water of door water een weg baant. W.g.
Waar is de Cook nu van dit volk, de waterbaander, Die, worstlend' tegen stroom, het eerst met ranken spaander De toegeschoten golf bestrijdt en overmant?   HELMERS, Nag. Ged. 1, 9 [c. 1800].
Hoe! zal dit klein geslacht … heerschen in uw rijk, en trotsche waterbaanders, Uw golven geesselen met dennenhouten spaanders?   BILD. 4, 301 [1808].
Waterbaar, golf. In fig. verband en fig. zooveel als: moeilijke omstandigheid.
  SERVILIUS, Dict. Trigl. KKK 4 r° b [1552].
  PLANT. [1573].
  V.D. ENDE [1654 ].
  HALMA [1710 ].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Hy (God) sandt van bouen, en … Tooch mi wten water baren Van mijnder vyanden party Mi van mijn niders vryde hy,   V. ZUYLEN V. N., Souterl. 16 b [1540].
Ende doe ginghen sy tot hem … seggende: Meester …, wy vergaen. Ende hy stont op, ende strafte den wint, ende de waterbaren: ende … daer wert een stilte,   Bijbel v. Deux Aes, Luc. 8, 24 [1562].
Een waterbaer (quam) daer pruyzend' aenghedreven, En storten neer aen strandt met een zeer groot gheluyt,   COSTER 92 [1615].
Om in dese angstvallige water-baren niet te gronde te gaen, soo heeft Godt de Man een Vrouwe ge-ordonneert, als een Schip op de Zee, tot zijn behoudenisse,   SPRANKHUISEN 1, 143 b [1634].
Onder dit bidden … gingen de … verschrikkelyke waterbaren hun gang, want nu wierden ze door dezelve na de lugt gevoert, en dan wederom na den afgrond geslingert,   V. SPAAN, Louwtje v. Z. 65 [1700].
Geesel 't schip met waterbaren Aan beî de boorden, dat het kraak'!   OOSTERDIJK, Hor. 182 [eind 18de e.].
Vandaar: waterbaarachtig.
De stof, de as, en splinters (t.w. van een vulkaan) leggen eenige mylen in 't ronde, maar zeer hoops-gewyze, en als golf- of water-baarachtig, op die plaatzen daar dezelve nader aan de openinge … gevonden worden,   V. RANOUW, Kab. 3, 5 [1720].
Waterbarig.
  SMYTERS, Epith. V 5 r° [1620].
Waterbaars, in water gekookte en in zijn kooknat (zonder saus) opgediende baars. Ook: (inz. kleine) baars die gewoonlijk voor dit gerecht gebruikt wordt.
  SEWEL [1766].
  WEIL. [1811].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Waterbaars. Perche à l'eau,   BLOM, Kookk. 208 [1910].
— Iemant die … gedebaucheert genoeg is om hem gezelschap te houden in zyn godloos gedrag, disponeert over zyn waterbaars en wynen,   WEYERMAN, Vrol. Tuchth. 37 [1730].
Waterbaars, doopbaars, snoek, bot, gekookt, gestoofd, gebakken, gebraden, altoos visch visch: 's middags visch, 's avonds visch,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 2, 345 [1793].
Zij …, die liefhebbers van een waterbaarsje zijn, zullen zich gemakkelijk den bitteren smaak der gal kunnen herinneren,   FOKKE, Verz. W. 2, 106 [1800].
Katvisch is hem (den hengelaar) even welkom als doop- en waterbaars. Katvisch is den Laienaar dierbaar! Al wat aan den angel bijt en … van den angel kan worden afgescheurd — ziedaar wat hem gelijkelijk gelukkig maakt,   BEETS, C.O. 345 [1841].
Waterbaars. 11/2 K.G. waterbaars, Water, zout, 6 sneedjes wittebrood, 6 sneedjes zoet roggebrood, Peterselie,   WANNÉE, Kookb. 88 [1910].
Houdt gij van waterbaars?   KOENEN [1911 ].
Waterbaas, bep. soort van vuurwerk (?). Vgl. waterbal.
Coning Fredrick … spaerde moeyte noch gelt om een statige Blijtschaps Feest ter gedachtenisse van dien (t.w. van den vrede met Engeland) te houden: Tot Antwerpen dede hy ettelijcke 100. Maskerade-Tronien koopen, ende veel Vuyrwerckx en Waterbasen tot zijn toestel practiseren,   Holl. Merc. 5, 81 b [1659].
Waterbad, waterbak (zie die woorden).
Waterbal, balvormig stuk vuurwerk dat op het water wordt afgestoken. Na de 18de e. nog uitsl. in wdb. aangetroffen.
  MARIN [1701 ].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
— Om vierwerc tot triumphe. Goet cruyt gestoten als meel 4 pont, een pont hers, 1 pont solfers, 1 pont mastic, 1 pont salpeeters ende een vierendeel wieroocx; … maect er af wat ghij wilt, tsij viere ofte waterballen, oft vierpompen,   in Bijdr. Gelre 4, 267 [eind 16de e.].
Een Water-bal die twee verscheyde Pijlen uytschiet, en ten laetsten een groote slagh geeft,   WITGEEST, Ton. d. Konsten 325 [1679].
In het Hoornwerk (werd) een kunstig Vuurwerk, bestaende in een meenigte Vuurpylen, Lucht en Waterballen, mitsgaders in een Engel, Zon, vurige Raderen, Wapenen zyner Hoogheit, Kroone enz. afgestoken,   Ned. Jaerb. 1749, 223 [1749].
Waterbalans.
1°. Instrument waarmee men (vanaf een bep. punt) een horizontale lijn kan bepalen; waterwaag. W.g.
  BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
2°. Instrument waarmee men het soortelijk gewicht van vloeistoffen kan bepalen; vochtweger. W.g.
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Waterbalg.
1°. Zak vol water (?). W.g.
De Windtgodt riep vol tooren, De dolle stormen …; Deez' hadden tot haar hulp, o schrikkelijk gebruik! Aardtbeeving, Waterbalg, Klipkneuzer, Toorenslooper enz.,   Al t'zaamen afgerecht op een afgrijslijk stik. … Om al de scheepen in het Tessel t'overromplen, J. VOS, Ged. 2, 136 [1658].
Vette klos, heet ik mijn os, Waterbalg, heet ik mijn kalf,   LOOTENS en FEYS, Chants pop. 215 [1879].
2°. (Gewest. in Vl.-België) Waterzucht in den buik (bij konijnen).
  SCHUERM. [1865-1870].
Waterbalg. Soort van buik-waterzucht dien de konijnen dikwijls krijgen van vochtig voedsel te eten,   DE BO [1873].
  TEIRL. [1922].
  LIEV.-COOPM. [1954].
Waterbalie, bep. soort emmer, inz. voor water. Vgl. ook baliën. Veroud.
Dat het schip in 't slaen, overal wel genat is, en dat water-balien en brant-zwabbers by alle stucken klaer staen,   WITSEN, Scheepsb. 404 b [1671].
6 Water-balies (uit een lijst van "equipagie-goederen"),   bij VALENTIJN, O.-I. II, 1, 11 a [1708].
1 Halve aam, 6 water balys, in ruiling,   N.-I. Plakaatb. 11, 44 [1788].
Onder zyne administratie en directie (zullen) zyn alle hospitaals klederagien, beddegoederen, kooyen, waterbalies, emmers, spuugbalies, lanthaarns en wat … ten dienste van het hospitaal ter zyner verantwoording gesteld is,   12, 956 [1799].
Is goedgevonden … als nu uit het ambachtskwartier om het halv jaar aan het gemelde corps te laten verstrekken de nodige pady- en water-balies, emmers, mandens, bezems, lampen en verdere benodigtheeden,   13, 267 [1801].
Waterbaljuw, ben. voor een rechterlijken ambtenaar die belast is met het toezicht op zaken betreffende de wateren, visscherij en scheepvaart. Met de functie sinds lang veroud.
Dat onse coopluyden geven moeten den waterbailliu van elcke carte vellen 2 d. Vlaems ende van een sack wols 2 d. Vlaems,   R.G.P. 14, 237 [1504].
Item, en zal de voirnoemde waterballiu geen compositie van eenighe delicten, die geschien bynnen scheeps, beneden zoewel binnen eenighe havenen als in de zee, zoe belangende confiscatiën, materiën van arrestementen, gevischte anckers, cabels ende andere geberchde goeden … mogen doen noch laten geschien zonder wete alsvoiren,   75, 813 [1571].
Noch ontfangen van Willem Pattarsz., als waterbailliuv deze naervolgende ankers enz.,   Econ.-Hist. Jaarb. 20, 262 [1574].
Dat hij … als substituijt waterbailliu over den lande van Biervliet … alle de goederen … die … bevonden heeft aldaer te sijn gekomen aendrijffven, gestrandt ende aengelandt geweest …, altijd … in Handen van den … Waterbailliu … toe Middelburch heeft … overgelevert,   in DE JONGE V. ELLEMEET, Mus. Cats. 89 b [1696].
Water-Bailliu, vermag alomme de Schepen … te ondersoecken tot het vinden van de contraventien jegens de Placcaerten op het Visschen,   Vl. Placcaertb., Index [1767].
Waterbalk, (scheepsb.) dwarsscheepsche balk die dient als afsluiting van het ruim bij schepen die geen doorloopend dek hebben. Zie verder de aanh.
Waterbalk. De balk die de opening van het ruim van achteren afsluit, gelijk dit van voren door den zeilbalk geschiedt,   BOEKENOOGEN [1897].
Waterbalk, … balk die het ruim van achteren afsluit,   V. DALE [1898 ].
Waterballk, … dwarsbalk achter op de plecht om het daarover achterwaarts vloeiende water te keeren,   MEERTENS e.a., Urk [1942].
Waterballast, (scheepv.) uit water bestaande ballast (in een leeg of gedeeltelijk beladen schip), die zorgt voor den noodigen diepgang en stabiliteit.
  TEN BOSCH [1911].
  V. DALE [1914].
— Het kan bij uitstek nuttig zijn, om door 't innemen van waterballast, de stabiliteit te vermeerderen of haar door uitpompen te verminderen,   L'HONORÉ NABER, Zeemanshandb. 1, 464 [1910].
Wanneer een schip niet voldoenden waterballast heeft, zal het aan moeten vullen met anderen ballast,   NOORDRAVEN, Beladen 260 [1920].
Hierbij: waterballastpomp.
  TEN BOSCH [1911].
Waterballet.
1°. Balletachtige voorstelling op het water. Buiten de wdb. w.g. Het is onzeker of de tweede aanh. onder dit bet.-nr. gerangschikt moet worden.
  GALLAS [1911].
Waterballet bij Carré,   Aant. v. BOEKENOOGEN [c. 1910].
2°. Omstandigheid, toestand of handeling waaraan veel water te pas komt.
Dit winderige regennest, deze loeiende tochthoek, dit perpetueele waterballet (bedoeld is Vlissingen),   BRUSSE, O.M. 2, 77 [1914].
Het bootsmansfluitje klinkt en het waterballet begint …; matrozen … smijten met water … en schrobben de dekken,   bij CHAMBON, Marineschetsen 132 [1918].
Waterbank.
1°. Plank e.d. waarop waterkannen en -kruiken gezet worden. Sinds lang veroud., maar gewest. nog incidenteel aangetroffen.
Vrnarium. Een water banck, daermen borncannen op stelt,   PALUDANUS 23 d [1544].
  WEIDENBACH [1808].
— Een groene melkkuip met zwarte banden, op de "waterbank",   DE VOS, Vl. Jong. 29 [1881].
2°. Zie de aanh.
Waterbaanke, boenplank aan de kant van het water, waar men ook water put(te),   HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
Waterbarometer. Zie de aanh.
Water-barometer, een door Pascal voorgeslagen barometer, waarin water het kwikzilver vervangen zou,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
Waterbarometer, een toestel van O. van Guericke (1654), waarin het kwikzilver door water vervangen is; wegens zijne hoogte (32 voet) is deze echter weinig bruikbaar,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Waterbasilicum, ben. voor zeker gewas. Zie verder de laatste aanh. Uitsl. in aangeh. bronnen aangetroffen.
Waterbasilicum.Basilic aquatique,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
Water Basilicom. … In Latijn, Erinus. In Spaensch, Albahaca de arroyos, dat is Water Basilicom. … Hy is een palme hooge, hebbende vijf steelkens …: de bloeme is wit, ende tsaedt swert ende cleyne: ende daer vloeyet wt veel melckachtich sap dat soet is,   DE LOBEL 1, 596 [1581].
Waterbasis. Zie de aanh.
Waterbasis, een oude naam voor waterstof als de basis van het water,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868].
Waterbassin, waterbekken (I).
  KUIPERS [1901].
— Wyders moet men altyd ontrent alle Fontein-sprongen uit mensen of dieren, niet uit een Water-bassein, voortkomende, bedagt zyn, dat ze volgens ieders eigenschap te voorschyn komen; want het is belaggelyk uit zodanige partyen, die van natuure geen vogt uitwerpen, water-sprongen voort te brengen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 12 [1737].
Waterbatterij, (mil.) batterij (1) te water (voor de kust).
De Gombora werd … hevig door de kanonneerbooten beschoten; zoo ook de waterbatterij door de korvet en kielligters, voor dezelve geposteerd,   Mil. Spect. 1, 98 b [1833].
De Kapitein Gey (liet) het geschut der regterflank onverwijld omzetten, om daarmede op de naastbij gelegene, regtlijnige waterbatterij, waarvan de uiteinden niet gesloten waren, vooral binnen langs de borstwering te vuren, hetwelk de vijandelijke bezetting dadelijk noodzaakte, door middel harer praauwen, te ontvlugten,   1, 154 b [1833].
Vóór de groote waterbatterij vond hij 3 tot 31/2 vadem water,   Lev. v. F.P. Leicher 268 [ed. post. 1843].
Waterbed.
1°. (Molenb. ) Zie de eerste aanh.
Waterbed … de leiding waarover het water loopt, dat de raderen (v.e. watermolen) in beweging brengt,   Aant. v. BOEKENOOGEN [c. 1910].
— Om het waterbed en de daaronder zijnde radkamer daar te stellen, slaat men palen in den grond, waarop de dorpels komen, waarop weder de stijlen geplaatst zijn en vervolgens door kerbeels zijn geschoord,   HARTE, Molenb. 110 a [1849].
2°. Soort van bed waarvan de onderlaag gevormd wordt door een met (warm) water te vullen zak of bak.
Waterbed, ook najade of, naar den uitvinder Arnotts-bed genaamd, is een waterdigte trog, die de lengte van een gewoon bed heeft en een voet diep is. Deze trog wordt ter halverwege harer diepte met water gevuld, daarover een door caoetschoek waterdigt gemaakt kleed gelegd … Hierop wordt nu … een matras met het gewone beddengoed gelegd,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
Het Waterbed is een gummi zak, die gevuld wordt met water en die zich, dank zij de onsamenpersbaarheid van het water, geheel voegt naar den vorm van het daarop rustende lichaam,   STUMPFF, Ziekenverpl. 444 [1920].
— De gemakkelijkste bedden voor zieken zijn de zoogenaamde waterbedden, welke bestaan uit eene zachte matras, die op water drijft,   Ned. Mag. 1843, 16 a [1843].
3°. Water (in de bet. 3); rivier, stroom, meer, zee.
Bij elk land bevindt zich een waterbed, 't welk in de sterkste zomerhitte nimmer opdroogt,   Boeren-Goudmijn 9, 285 [1863].
De zon gaat onder en zinkt in het waterbed, maar daaruit rijst de maan met het eeuwige sterrenheer,   Boek d. Uitv. 3, 2 [1867].
4°. Zie de aanh. Uitsl. ald. aangetroffen.
Wanneer men schepen drijvende per spoor wil vervoeren, laat men ze rusten op een waterbed, in water,   V. DALE [1898 ].
Waterbeek, beek, vliet. Zie ook Dl. II, 1273.
  KIL. [1574 ].
  HEXHAM [1648 ].
  HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
— Die (de vrome) sal sijn als eenen boom geplantet aen die waterbeken, dye sijn vrucht brengt tot sijnder tijt,   Bijbel v. Liesveldt, Ps. 1 B [1526].
Het en is nyet van noode, dat wy het gemeen volck naervolgen, die in een cleyn waterbeecksken groete tempeesten dickwils verwercken,   in Kron. H.G. 4, 82 [1589].
Godts Kinderen zijn als schoone Bloemen … aen de Water-beecken geplantet,   SPRANKHUISEN 5, 7 a [1628].
Denselven (hadt) een stuck van 's Compagnies thuyn doorgraven en aen zijn erf vastgemaekt, mitsgaders de gemeene waterbeek, soowel voor verbij zijn huys als agter over zijn erf verleyt, alwaer dat water tot gebruyck van de keuken, slaven, verkens, en andere onreynigheyt, noch al meer wiert bedorven,   in B.H.G. 62, 28 [1685].
Daer is ien klaere Waeterbeek, Drink daer, dat het je wel bekoomt,   ALEWIJN, Latona 31 [1703].
Gelijk een Hert schreeuwt naar de waterbeeken, zo schreeuwt zeker uw Sentimenteel gevoel van verlangen, naar de tooneelen die ik bijwoonde,   WOLFF en DEKEN, Wildsch. 6, 152 [1796].
Wie daartoe eenigszins in staat was, had in de schaduw van hooge boomen en langs liefelijke waterbeken rust gezocht,   Alb. d. Nat. 1899, 1, 353 [1899].
Waterbeemdgras.
1°. Ben. voor het gewas Poa aquatica van het plantengeslacht Poa.
Water Beemdgras zeer hoog, met een verstrooide bloempluim, en zesbloemige lijnvormige bloemairtjes,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 37 [1815].
Voedsel (van zekeren vogel). Wormen en de wortelen van het waterbeemdgras,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 298 [1822].
Poa aquatica Water Beemdgras f 0.50,   Boeren-Goudmijn 3, 2, 138 [1857].
2°. Liesgras (Glyceria aquatica).
Glyceria R. Br. Vlotgras. … Waterbeemdgras,   HEUKELS 113 [1907].
Glyceria aquatica Wahlenb. … liesgras, … waterbeemdgras,   GERTH V. WIJK, Plantnames 594 a [1911].
Waterbeer (I).
1°. IJsbeer. W.g.
Water- ofte zee-beer. Vrsus aquaticus, colore albo,   POTTER in KIL. 774 a [1605].
— Door de kracht der onweêrwinden Zag men 't opgeruide Meir, Als een' wreeden waterbeer, Woedend, beemd by beemd verslinden,   V. WINTER, Amst. 23 [1755].
2°. (Hic?) Ben. voor bep. soorten van insecten. Vgl. ook BEERDIERTJE.
De voornaamste … zijn de kleine aaltjes …, die in bedorven azijn, zuur geworden stijfselpap, in meel en elders worden aangetroffen, en de zonderling gevormde zoogenaamde "kleine waterbeeren," of Tardigraden, waarvan verschillende soorten zoowel in het slijk der dakgooten als tusschen mossen op de daken en in slootwater voorkomen,   Alb. d. Nat. 1854, 1, 168 [1854].
In het mos van dakpannen en goten vindt men bij ons veelvuldig het Gewone Waterbeertje (Macrobiotus ursellus),   BREHM-HUIZINGA 3, 604 b [1910].
Waterbeer (II), waterkeering.
't Is vruchteloos die Hydra in te toomen, Zy barst verwaten voort, gelijk gezwolle stroomen, Van eenen waterbeer gestuit in hun gewelt, Met volle monden opbraveeren over 't velt,   ANTONIDES 1, 9 [1671].
Waterbeestje, ben. voor zeker torretje (Silpha aquatica) dat tot het geslacht der Doodgravers behoort. Buiten de wdb. w.g.
  WEIL. [1811].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Water-beestje, dusdaanig word een Torretje genoemd onder het Geslagt der Doodgraavers behoorende, in 't latijn Silpha aquatica,   CHOMEL [1777].
Waterbeet (I), (W.-Vl.). Zie de aanh.
Waterbeetje, Eene mompe brood of andere spijs die men neemt tusschen de maaltijden, als men gevoelt dat men flauw wordt of den heeten honger krijgt,   DE BO [1873].
Voor een breidelbete zeggen ze te Kortrijk è waterbètje,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
Waterbeet (II). Zie Dl. II, 1346 en nog de volg. aanh.
Hij (aasde) op 't enkle kroos, En lisch, en waterbeeten,   BILD. 1, 22 [1786].
Waterbehandeling, geneesk. behandeling met water.
  V. DALE [1914].
— Uit de toepassing van het water blijkt … dat die waterbehandeling dikwijls als een symbolische moet worden beschouwd,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 77 [1909].
Hydrotherapie. Als wij het begrip "waterbehandeling" eenigszins ruim opvatten, dan mogen wij hieronder rangschikken alle behandelingswijzen, die met water, in welken vorm ook, toegepast worden,   STUMPFF, Ziekenverpl. 456 [1920].
Waterbeheer, beheer over de voorziening van water.
De toestand op Bali (steekt) zeer gunstig af bij dien op Java, … waar men nergens een inlandsch stelsel van waterbeheer vindt als dat op Bali,   in COLIJN, N.I. 2, 125 [1912].
Waterbehoefte.
  TEN BOSCH [1911].
— Elke locomotief moet minstens twee van elkander onafhankelijke voedingstoestellen hebben, die ieder voor zich voldoende zijn, om ruimschoots in de waterbehoefte van den ketel te voorzien,   HAMELINK en WENTING, Spoorw. 316 [1876].
Waterbehouder, voorwerp waarin water (in versch. bet.) wordt opgevangen of bewaard.
Receptaculum Lymphae, het Water-zakje, of de Water-behouder in 't Darm-scheil,   WOYT, Schatk. 676 [vert. 1766].
Deeze (kuip) ontvangt het water uit de lange goot, in welke het door de waterbehouders vloeit,   Handw. 9, 20 [1792].
De water-behouder kan gedurende de bewerking van tijd tot tijd geledigd worden; tot dit einde wordt de kraan gesloten, het water uit het koelvat afgetapt enz.,   V.D. BOON MESCH, Scheik. 1, 112 [1831].
Waterbeits, oplossing van chemicaliën of (plantaardige) kleurstoffen in water, gebruikt als kleurstof om hout te kleuren.
  ZWIERS [1920].
Waterbeker.
Also nam Dauid de spiesse ende den waterbeker dye welcke aen Sauls hooft was …, Ende daer en was niemant dyet sach …, noch ontwaecte,   Bijbel v. Liesveldt, 1 Sam. 26 B [1526].
Zo dat Dauid aldaer by nachte quam ende Sauls spietsen ende waterbeker nam,   DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 30, 120 [c. 1561].
Waterbekijking, het bezien van urine om op grond daarvan een diagnose te stellen.
Sedert het jaar 1736, nam myn practyk als Geneesheer, byzonderlyk in den tak der waterbekyking, die tot de kennis der krankheden noodzaakelyk is, … sterk toe,   Goudmyn v. Ludeman 156 [1787].
Waterbekken (I).
1°. Kom bestemd voor of gevuld met water; ook bep.: waschkom; drinkkom; doopvont.
Waterbecken. Bassin à eau. Peluis, aquiminarius, malluuium,   PLANT. [1573].
Waterbekken. Handtwaschvat,   HALMA [1710 ].
Waterbekken. Lampet, handwaschvat,   WINKELMAN [1783].
— Een silver waterbecken mit eenen waterpot daertoe behoerende mitten decxel,   R.G.P. 140, 107 [1558].
Weynigh tijts daer na wierden ons, zoo voor den Koningh zaten, vereert, den Onder-Koopman een gout Water-Becken …, als mede een Louws Kleet,   in H.P.N. MULLER, O.-I. C. in Cambodja 37 [1641].
Het beitelwerk (op het doopvont) is zeer ruw. Boven in den rand om het waterbekken, ziet men sporen als van eenig ijzerwerk, op de vont gestaan en waarschijnlijk gediend hebbende, om het deksel op te ligten,   Geld. Volksalm. 1835, 27 [1835].
Het Noordpand (t.w. van de sacristie) is Mariaas herwonnen domein … Maar de kredentie en de waterbekkens met hunne goten (piscina) zijn ten Zuiden,   ALB. THIJM, H. Linie 160 [1858].
2°. Natuurlijke, of met een bep. oogmerk in de natuur, een tuin e.d. aangelegde poel met water.
De verschillende natiën, die de kusten van dat waterbekken bewoonden,   Boek d. Uitv. 1, 1, LXVII [1864].
Planten "van allerhande streken en landen der wereld" stonden rondom een sierlyk en wyduitgestrekt waterbekken, waar uit fonteintjes opstraalden en nederdansten,   GEZELLE (ed. BAUR) 4, 68 [1864].
De helft der mijnen behoort aan particuliere personen, die ook groote waterbekkens op de bergen hebben laten aanleggen, om de stampmolens te drijven,   Boek d. Uitv. 2, 2, 165 [1865].
Het waterschap (bekwam) een waterbekken, waarin de meer binnenwaarts gelegen sluizen ook bij vloed, als de sluizen bij Zoutkamp gesloten waren, konden afstroomen,   Onderz. Landb. 1886, 23, 5 [1890].
Daar het bewezen is, dat zij (t.w. pareloesters) zich in binnenwaters, d.i., in kleine aquariums, voortplanten, kunnen wij zeker zijn, dat in groote waterbekkens de vermeerdering op ruime schaal zal geschieden,   Alb. d. Nat. 1899, 1, 315 [1899].
Waterbekken (II), watertanden; vurig verlangen. Buiten de wdb. sinds lang veroud., maar nog in gebruik in Vl.-België.
  KIL. [1588].
  BINNART [1654].
  POMEY [1760].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
  DE BO [1873].
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  LIEV.-COOPM. [1954].
Iel-sack. Gh'en weet maet, gh' en weet? Moenen. Ey pijp op, ende en laet uwen liefsten speciael soo langhe niet water-becken,   Mall. Reden-kav. 65 [1596].
Wat zijn-der al novellisten, of nieuwisten in de weereld! d' een courante en is zoo haest niet gekomen, of-men water-beckt naer een ander,   DE BRUNE, Bank. 1, 290 [1657].
Hy siet ievers in een Boomgaert schoone Appelen staen, sijnen mondt beginter naer te water-becken,   V.D. LEPE, Weir. Ydelh. 290 [1688].
Daer! God ségene u, goevaere, Toets eens van dat versche vat: Seppen, breng 'et uwe kaere, Sie, sy waterbekt nae 't nat (een waard spreekt),   V. DAELE, Tydv. 4, 6 [1806].
Vandaar: waterbekkig, het speeksel in den mond hebbend van verlangen; vurig verlangend. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  KIL. [1588].
  BINNART [1654].
  POMEY [1760].
  WEIL. [1811].
Waterbel (zie ald.).
Waterberd, (Vl.-België) (schuine) plank onder aan een deur of raam die dient om water van buiten te beletten binnen te komen. Vgl. ook WATERBORD.
  SCHUERM. [1865-1870].  Verz. GEZELLE [voor 1899].
  V. KEIRSBILCK, Timm. [1898].
  JOOS [1900-1904].
— Int maken van een scut jeghens tfundament vanden poeste, waterbarderen ande scuerdueren beneden inde cooten ende elders up thof,   in VIAENE, Kl. Versch. 2, 99 [1532].
Niemant en sal … waterberden stellen by de welcke twater soude moghen vallen ten griefve van synen ghebuer,   Cost. v. Ieperen 1, 102 [1611].
Niemant en sal … waterberden stellen by den welcken het water soude mogen vallen ten griefve van synen ghebuer,   Cost. v. Roeselare 97 [1624].
Bij CORN.-VERVL. [1903] ook nog in eenige andere opvattingen.
Waterberd. … Ieder van de planken, over de windveren gelegd, waarlangs het water afdruipt op de pannen,   CORN.-VERVL. [1903].
Plank, die schuins op het einde der kepers en tegen den gootbodem wordt genageld, om de eerste rij pannen te ondersteunen,   Ald.
  [1903].
Waterberg, (overdr.) berg van water (in de bet. 1); vandaar bep.: zeer groote en zeer hooge golf.
  WEIL. [1811].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Men siddert slagh op slagh, En elcke waterbergh hun dreyght den jonghsten dagh,   VONDEL 2, 178 [1623].
Het is gelooflyk, dat voorgenoemde waterberg recht van onder de voornoemde plaats … opgekomen zy,   bij VALENTIJN, O.-I. II, 2, 235 b [1674].
Daar yder zee de kiel ontzet, door slag op slag, En yder waterberg vast dreigt den laatsten dag. Hoe slingert dan de Vloot op hemelhooge golven!   DE MARRE, Bat. 90 [1740].
Ook sleept zy (de maan) … ten minsten in 't Vak van den grooten Oceaan, geduurig zo een Waterberg onder zig mede, en daarom is het nog te … onbegrypelyker, dat zy dezelve niet hooger … tot zig zoude trekken met een steeds toeneemende Kragt, indien men de Werking van Ebbe en Vloed, aan Haar en de Zon dank te weeten hadt,   VELSEN, Rivierk. Verh. 88 [1768].
De bliksem (schoot) omlaag en scheen over de schuimende waterbergen heen te dansen. De boot werd … nu omhoog, dan omlaag geslingerd,   SNIEDERS 29, 147 (ed. 1877) [1869].
Hij (zwom) … door den waterval van schuim en sneeuw die drijft in ieder dal Tusschen twee waterbergen,   GORTER, Mei 4 [1889].
Waterberging, het tijdelijk bergen van overtollig polderwater; ruimte daartoe bestemd (meestal uitgedrukt in een deel of percentage van de totale oppervlakte).
  V. DALE [1914 ].
— Dat de waterberging eenes boezems afhangt, a. van de grootte van deszelfs oppervlakte, en b. van het verschil, dat er tusschen den lagen- en hoogst lijdelijken boezemstand gewoonlijk bestaat,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 139 [1824].
De Zuidplaspolder … werd geacht eene ruime waterberging te behoeven, ten einde de teellanden … voor waterlast in het natte jaargetijde te behoeden,   BEIJERINCK, Zuidplasp. 81 [1851].
Zeer veel water is door de marken-verdeelingen … op de Bolks- en Schipbeken gebragt, maar meerdere ruimte tot waterberging is er niet gekomen,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1861, 30 [1861].
De hooge stand van het water in de slooten van de … polders is oorzaak, dat er weinig waterberging is, ten gevolge waarvan men bij veel regenval … spoedig waterbezwaar heeft,   Versl. Landb. 1917, 1, 159 [1917].
Om te voorkomen, dat het polderpeil bij sterken neerslag te veel stijgt, moet de polder voldoende waterberging hebben; deze kan worden uitgedrukt door de verhouding van wateroppervlak ter hoogte van het zomerpeil tot de totale polderoppervlakte,   ZWIERS 2, 220 b [1920].
Waterbericht, bericht over den waterstand.
  V. DALE [1884 ].
— De waterberigten zijn, ten opzigte onzer rivieren, tot nog toe niet verontrustende. Het water blijft nog vallende,   Alg. Handelsbl. 27 Febr. 1830, 2 b [1830].
Waterberm, berm tusschen het water in een kanaal en de glooiing van de er langs liggenden dijk.
Op sommige kanalen … kan de kabbeling van het water tegen de glooiingen nadeelig zijn. Men kan daartegen o.a. een platten berm aanbrengen v. 0,60 à 1 M. breed op de hoogte van den gewonen waterstand en dezen dan met riet of andere waterplanten trachten te bezetten. Zulk een berm noemt men waterberm,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907].
De dijken zouden op zoodanigen afstand zijn aan te leggen, dat ter weerszijden van de vaargeul bermen van ongeveer 30 M. breedte werden gespaard … De breede waterbermen hadden ten doel eenige meerdere zekerheid voor het behoud van de kanaaldijken te geven,   WORTMAN en V.D. BROEK, Noordzeekan. 50 [1909].
Waterberoering.
1°. Natuurverschijnsel waarbij het water in zeeën, meren, rivieren e.d. in ongewone, meestal heftige beweging komt; mog. ook bep.: vloedgolf; of: zeebeving. Veroud.
Dat … dat gedeelte des Aardbodems, waar in deze Waterberoeringe voorgevallen is, gezamentlyk met de Beddens der Rivieren, Vaarten, en Graften, een korte, zagte, en matige undulerende of golvende beweginge heeft ondergaan,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 7, 1, 137 [1763].
Eene inwendige werking, die nu en dan Aardbeevingen, Waterberoeringen, Uitbarstingen van Vuur en opwerpingen van Bergen of Eilanden uit den grond der Zee … veroirzaakt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 1, 189 [1780].
Proefneemingen ter aanwyzing, hoe de aardbeeving en waterberoering zomwylen door eene electrische ontlaading veroorzaakt kunnen worden,   Verh. Teyler's Tw. Gen. 4, 171 [1787].
Hiertoe (t.w. tot de gevolgen van een vulkanische uitbarsting) behoort ook het ontzettende natuurverschijnsel der waterberoering … De zee begon te koken en te bruischen, rees eensklaps op, steeg met onbeschrijfelijke snelheid ter hoogte van 60 tot 80 voet en verspreidde zich met onafzienbare vaart over het land,   BRENDONCK, R. n. Ned.-Indië 20 [1859].
2°. Het in beweging zijn van water (in een rivier e.d.).
De aanhoudende waterberoering, door de stoomvaart in onze rivieren veroorzaakt,   Boek d. Uitv. 3, 80 [1867].
Waterbes, ben. voor een soort van boschbes (Vaccinium uliginosum L.); rijsbes.
  CHOMEL, Verv. [1793].  Bloemk. Wdb. 490 [1820].
  BLANCARDUS, Lex. Med. 1511 [1832].
  HEUKELS 268 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1386 a [1911].
Uliginosum. Waterbessen. Boschbessen met eenbloemige Steeltjes, de Bladen effenrandig, stomp ovaal en glad,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 487 [1775].
Waterbeschrijver, hydrograaf.
  AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Waterbeschrijver, vervaardiger van een werk, in hetwelk de wateren zijn beschreven,   BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
Waterbeschrijving, het beschrijven van de wateren (in de bet. 3) van een gebied; hydrographie; (concr.) product dat daardoor ontstaat.
  AUBIN 499 [1702].
  WEIDENBACH [1808].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Deze melding van deze vier Vloeden, die Moses … Hoofdvloeden noemt … is de eerste en alderoudste Geographische Land- en Water-beschryving, dewelke van eenige Schryvers ons is nagelaten,   V. RANOUW, Kab. 1, 430 [1719].
Het werkje van D. geeft eene Waterbeschrijving der Nederlanden, dat is: eene beschrijving van alle meeren, zeeën, plassen, boezems, kanalen, vaarten, rivieren en andere wateren,   G. NIEUWENHUIS, Wdb. v. K. en W., Aanh. [1844].
Waterbetonie, beekschuim (zie ald.).
  DE GORTER, Flora 169 [1781].
  V. HALL, Kruidtuin 166 [1871].
  V. DALE [1872 ].
  HEUKELS 231 [1907].
— De andere soorte (t.w. van scrofularia) wordt in t' Nederduytsch Beeckschuim geheeten … Sommige noemense Betonica aquatilis, dat is Water-Betonie,   DODON. 73 b [ed. 1608].
De Bladen gelyken naar die van Betonie, en hierom is het ook Water-Betonie geheten,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 9, 516 [1778].
De namen, waaronder de soorten van Scrophularia met vuilbruine bloemen bij ons bekend zijn, zijn, behalve die van Helmkruid, nog de volgende: Speenkruid enz. en Water-Betonie,   OUDEMANS, Flora 2, 323 [1861].
Waterbeuk, plataan (Platanus occidentalis L.).
  Bloemk. Wdb. 370 [1820].
  V. HALL, Kruidtuin 65 [1871].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1026 b [1911].
Waterbeur (waterboor), werktuig voor het opvoeren, omhoogbrengen van water; vijzel.
Waterboer ofte waterrat door 'twelcke hy hem vermeet niet alleene het water 6 voeten hooge van 't leege water in 't hooge, maer sulcx noodich wesende oyck over de dycken acht, thin, 15 voeten ende meer te dryven … daermede dat hy oyck metten val des verheven waters moelens verhoopt te don gan, dienende om coren, graen, papier, olie ende andere dingen mede te wercken,   in DOORMAN, Octr. 101 [1599].
Waterboren, waer mede men, met een wintmolen, het effect van drie gelycke wintmolens, met getrade, soude cunnen bereycken, dat namentlyck syn water boren, soo veel water konnen opbrengen tot de hoogte van 8. a 9. voeten, ende hoger, als men met een getrad, tot de hoogte van 3 voet can doen, twelck dan t'elckens twee molens soude cunnen uytwinnen,   in a.w. 241 [1674].
Waterbeurs, (geneesk.) waterzak (zie ald.).
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
Hierbij: waterbeursgezwel.
Naar het verschil en den aard van den inhoud der beursgezwellen onderscheidt men: waterbeursgezwellen, als de inhoud waterig, dun is; brij- of gortgezwellen enz.,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 453 [1871].
Waterbevangenheid. Zie de aanh.
Zij (een ontsteking aan den hoef) ontstaat door het vatten van koude op verschillende wijze … Naar de oorzaken, heeft men de ziekte in wind-, water-, voeder- en stalbevangenheid onderscheiden. Windbevangenheid is het, als de ziekte door het gebruik van het paard bij sterken wind en opvolgend koude vatten is ontstaan; waterbevangenheid als die door te vroeg laten drinken, of door het in het water gaan, als het dier bezweet is, veroorzaakt wordt,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 225 [1871].
Waterbeweegkunde, hydrodynamica. Uitsl. in wdb. aangetroffen, soms met de aanduiding ‘veroud.’.
  AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  MARTIN [1829].
Waterbeweegkunde, kennis van de beweging, de zwaarte en het evenwigt der vloeistoffen,   BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  V. GELDEREN [1909].
Hierbij: waterbeweegkundig, hydrodynamisch.
Van eenige Eigenschappen van het Water, en van eenige Waterwigt- en Waterbeweegkundige Wetten,   VELSEN, Rivierk. Verh. IX [1768].
Dat … de geheele vlakte … met kostbaarder middelen zoude moeten gedefendeerd worden, dan hare flaauwe helling anderzins, om waterbeweegkundige redenen, zoude vorderen,   CALAND, Dyksb. 71 [1833].
Waterbeweging.
1°. (Plantk. ) Het opstijgen van water (vanuit de wortels naar de bladeren) in een plant.
Waterbeweging in de plant. — Er bestaan thans tweederlei theorieën over de beweging van het water in de planten, namelijk de imbibitietheorie … en de gasdruktheorie,   Alb. d. Nat. 1886, 2, 4 [1886].
2°. Beweging of strooming van het water van een zee, rivier e.d.
De kennis der waterbeweging in de getijdenrivieren heeft … ook een praktisch belang. De diepte der wateren, de aanslibbingen en opwassen alsmede de grondverschuivingen staan in nauw verband met de beweging des waters,   BLINK, Nederl. 1, 544 [1891].
De golfbeweging … is in hoofdzaak een verticale waterbeweging, welke bestaat in verheffen en dalen van den waterspiegel in bepaalde lijnen,   1, 557 [1891].
De wind heeft … grooten invloed op de waterbeweging. Z.O.-winden stuwen het water op, N.W.-winden doen den waterspiegel dalen,   bij OTTSEN, Reis Z.-Amerika 38 [1918].
Het is … niet mogelijk, door berekening nauwkeurig te bepalen welken invloed op de waterbeweging het leggen van een beteugelingsdam in een geul in zee heeft,   Zuiderzeewerken 1, 6, 12 [1920].
Waterbewoner, dierlijk wezen dat in het water leeft; waterdier. Inz. in toep. op visschen, schaal- en schelpdieren, maar niet daartoe beperkt.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Ten slotte willen wij als waterbewoners nog noemen de kikvorsch,   Onv. Speelmakker 62 [1853].
De Bruinvisch …, voortgezweept door eene verregaande roof- en vraatzucht, zet deze kleine waterbewoners (t.w. vischjes) … zóó ver na, dat hij zelf strandt,   KROEZE RAMAKER, Nat. Hist. 1, 93 [1856].
Het getal der op de markt gebragte waterbewoners — "zeevruchten", zooals de Italiaan ze zeer sierlijk noemt — is ongeloofelijk groot. Volgens berekeningen … komen er alleen aan haringen 114 millioen stuks aan de markt; 21/2 millioen stokvisschen …; 500 millioen oesters; 300 millioen zeemosselen enz.,   Boek d. Uitv. 3, 67 [1867].
Deze eerste Dinosaurii … konden verdeeld worden in vleescheters en in planteneters of ook in land- en waterbewoners,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 236 [1903].
Niets ontsnapt aan dat monster (t.w. den octopus), als eenmaal de vangarmen de prooi te pakken hebben, terwijl een sepia-achtige vloeistof wordt afgescheiden, die … het dier zelf bijna onzichtbaar voor de andere waterbewoners maakt,   Natuur en Vernuft 1, 139 b [1916].
Waterbezichtiger, iem. die urine bekijkt (?).
Mester Berent van Embden, waterbesichtigher,   Rek. v. Gron. 158 [1536].
Waterbezie, wateraardbei (zie ald.).
  CHOMEL, Verv. [1793].
  WEIL. [1811].
  SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 227 [1815].
  V. DALE [1872 ].
  HEIMANS en THIJSSE 18 [1899].
  HEUKELS 72 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1057 b [1911].
— De eenigste Soort, zeer bekend onder den naam van Rood Moeras-Vyfblad, voert hier den Griekschen naam Comarum … niet oneigen; dewyl het Kruid een Vrugt heeft als een drooge Aardbezie. Ik noem het derhalve, aangezien dit Kruid in stilstaande Wateren en vogtige Landsdouwen … voorkomt, Waterbezie,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 9, 79 [1778].
Het geslacht Comarum (Waterbezie), 't welk het naast aan de Aardbezie grenst, verschilt daarvan nogthans door den spitsen vorm der bloembladen,   OUDEMANS, Flora 2, 63 [1861].
Waterbezwaar.
1°. (Landb.) Teveel aan water (in een polder e.d.); wateroverlast.
  N. Verh. Bat. Gen. Wijsb. 9¹, 19 [1844].
Men moet … verscheidene schepen te gelijk kunnen doorschutten, overal waar waterbezwaar zich niet daartegen verzet,   E. Haard 1875, 278 b [1875].
Wat is overtollig water? Daaronder wordt verstaan de hoeveelheid water, die in een betrekkelijk korten tijd verwijderd moet worden, wanneer de bouwgronden geene schadelijke gevolgen zullen ondervinden. Men noemt het ook, vooral met het oog op polders, het waterbezwaar,   REINDERS, Landb. 1, 281 [1892].
De afwatering naar de riviertjes laat bijna overal zeer veel te wenschen over. Groote oppervlakten, hoewel voldoende hoog gelegen, lijden onder waterbezwaar,   Versl. Landb. 1917, 1, 48 [1917].
2°. (Bouwk.) Hinder van grondwater (bij graafwerkzaamheden).
Het bleek …, dat bij de ontgraving van den sluisput veel minder waterbezwaar werd ondervonden dan waarop aanvankelijk was gerekend, zoodat men besloot … de ontgraving voort te zetten, teneinde met zekerheid na te gaan tot welk peil de afmaling zonder bezwaar zou kunnen plaats hebben,   WORTMAN en V.D. BROEK, Noordzeekan. 96 [1909].
Waterbezwaar treedt dikwijls op bij het maken van fundeeringen, en het kan soms veel zorg kosten, het te overwinnen,   ZWIERS [1920].
Waterbier, bier voor het gebruik te water, op zee. Vgl. scheepsbier. Eenmaal aangetroffen.
De Bieren, die vertiert en gelevert zullen worden aan het gemeene Land … ende noch ook de Water- ofte Scheeps-Bieren,   Handv. v. Amst. 183 a [1704].
Waterbies.
1°. Rietachtige plant. Ook bep.: plant behoorend tot het onder 3° genoemde plantengeslacht.
De huysinghen ende woonsten vanden Kelten waren van ghebonden houten. De daken … ghedeckt met waterbiesen,   V. SCRIECK 98 [1614].
Van knopelose waterbiesen, daer de pluimknodsen op wassen, maeckt men matten,   COMENIUS, Deure d. Talen n° 140 [1642].
De drie-ellen-hooge, Water-biese (Riet) (boven op een rietkolve dragende) welke omdat het knooploos en weekachtigh is, worden daer uyt gevlochten Biesmanden, Handkorven, Matten,   COMENIUS, Deure d. Talen n° 106 [1666].
Die voelt, dat hy verdrinkt, houdt zich aan een waterbies vast,   WOLFF en DEKEN, Leev. 5, 104 [1785].
Zij vlechten van zeewier en waterbiezen touwwerk tot netten ter vischvangst,   Gron. Volksalm. 1911, 16 [1911].
2°. In de verb. welriekende waterbiezen e.d., pijptorkruid.
Juncus Odoratus Aquaticus, wel-riekende Water-biese,   BLANKAART, Ned. Herbarius 333 [1698].
  DE GORTER, Flora 78 [1781].
  V. HALL, Landh. Flora [1854].
  V. DALE [1872 ].
— By de soorten van Sion mach dit cruyt oock ghestelt worden, dat sommige Welrieckende Water Biesen noemen … Dit ghewas heeft dunne, ronde, effene, niet merckelijck in kniekens verdeylde, ijdele ende hole Steelkens, de Biesen bij nae gelijc enz.,   DODON. 1016 b [ed. 1608].
Als men het (kruid) in de Tuinen kweekt, hangen 'er Knobbeltjes aan en op deszelfs Vezelige Wortelen, en daarom noemen sommigen het Filipendula … Het wordt van Dodoneus Welriekende Waterbiezen geheten, om dat de Stengen hol zyn,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 8, 134 [1777].
3°. Plantengeslacht uit de familie der Cypergrassen (Heleocharis). Vroeger niet onderscheiden van het verwante plantengeslacht Bies (Scirpus).
Scirpus. Waterbieze,   CONSC., B. d. Nat. 254 [1846].
  V. DALE [1872 ].
HeleocharisWaterbies,   Ned. Plantennamen 27 [1906].
  HEUKELS 116 [1907].
Water Bies met een driekante halm, een gebladerde opeengestapelde bloempluim, drieslippige pluimschubbetjens,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 23 [1815].
Het geslacht der Waterbiezen … kenmerkt zich door tweeslachtige bloemen, welke in grooten getale tot eene alleenstaande aar zamenkomen,   OUDEMANS, Flora 3, 195 [1862].
Waterbies, Moerasliefje, Heleocharis, plantengeslacht van de familie der Cyperaceeën … In Nederland komen een 4-tal soorten voor: het veelstengelige waterbiesje …, het naald-waterbiesje …, het gewone waterbiesje … en het slanke waterbiesje,   Vivat's Encyclop., Suppl. [1908].
4°. (Gewest.) Waterrusch.
Juncus lamprocarpus Ehrh. Waterrusch. Waterbies,   HEUKELS 129 [N. Ov., Z.-Holl., 1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 704 a [1911].
Hierbij: waterbiesgras.
VVater Rietgras, oft Bies-gras, anders oock van sommige VVater Biesgras geheeten, in Latijn Gramen palustre siue aquaticum alterum, heeft een cleyne veeselachtige wortel, gras bladekens, dunne halmen, eenen voet lanck, aeren als die van Biesen,   DODON. 1002 a [ed. 1608].
Waterbint.
1°. Bint in den wand langs den waterloop in een molen.
Men (ziet) … het Waater-bint daar in een sponning daar de schuif in moet komen (betr. kopermolen),   Gr. Volk. Moolenb. 2, 4 b [1736].
2°. Watersloof; juk dat ook bij den laagsten waterstand onder water blijft.
Het juk bestaat … uit twee op elkander geplaatste jukken, waarvan het benedenste den naam van waterbindt draagt, en met den bovenkant van de sloof zoo weinig mogelijk boven den laagsten waterstand verheven moet zijn,   STORM BUYSING, Waterb. 1, 272 [ed. 1854].
Onder water ligt op heipalen, die gesteund worden door schoorpalen, een Watersloof, ook wel Waterbint geheeten,   ZWIERS 1, 105 b [1917].
Waterbitter, ben. van het gewas Aloë palustris; ook bekend onder andere namen, zooals krabbescheer, krabbeklauw, wateraloë, waterkruid, ruiterkruid.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  HEUKELS 247 [1907].
Waterbitter … Dit Kruid groeit hier te lande en elders, veel in de slooten en moerassige plaatzen, uiterlijk van gedaante niet kwalijk na de gemeene Aloë zweemende,   CHOMEL 52 b [1768].
Waterbitter … is een wondheelende Plant, wier bladeren naar die van den Aloë gelyken, zy zyn alleen een weinig korter en smalder, met doornen aan de randen bezet,   DE BOMARE PAPILLON, Aanh. [1770].
Waterblaar (waterblader).
1°. Blaar waaronder zich vocht (bloedwei) bevindt. Sinds lang veroud. maar nog in Vl.-Belgische dial.-wdb. vermeld.
  SASBOUT [1576].
  HEXHAM [1648 ].
  WEIDENBACH [1808].
  DE BO [1873].
  LIEV.-COOPM. [1954].
Waterblader die op het lijf ofte handen komt,   PLANT. [1573].
Dese Salve is oock seer goet voor die somwylen water-blaeren hebben, 't zy van verbrantheyt als andersints,   SIMONS, Troost d. Armen 28 [1721].
Kleine Waterblaardjes vertoonden zich, in den omtrek van het Kanker-gezwel, welke eenig nat uitgaven, waar door de Plaaster vochtig was,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 15, 153 [1774].
2°. Waterbel, waterbobbel op het wateroppervlak. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  SASBOUT [1576].
  HEXHAM [1648 ].
  V.D. ENDE [1654 ].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Waterbladeren, oft waterbobbelen opwerpen,   PLANT. [1573].
Waterblaas, waterblad (zie die woorden).
Waterblauw (I), in lichter of donkerder tint de blauwe kleur van water (inz. zooals dat voorkomt in rivieren, de zee e.d.) hebbend. Soms bep.: donker leiblauw.
  WEIDENBACH [1808].
Waterblauw. Bleu turquin,   HEREMANS [1869].
  V. DALE [1872 ].
— Tyberijn, d' oude Stroomgodt zelf, scheen uit het genoeghlijcke water … voor hem (Aeneas) op te borlen, en was bekleet met dun waterblaeuw linnen,   VONDEL 5, 300 [1646].
Twee goden (t.w. de Donau en de Rijn), even fier in 't waterblaeu gewaed, … Begroeten 't godendom der heerlijkste stroomen,   ANTONIDES 1, 82 [1671].
Een glad schilferachtig donker waterblauw gesteente wyst Zilver aan,   V. RANOUW, Kab. 3, 319 [1720].
Zie daar blonde lokken … En waterblaauwe oogen, die vonklen van gloed,   BILD. 1, 314 [1822].
Er gloeide iets van naakt vleesch, wulpschen lach, geelgoud brokaat, bedrupt met waterblauwen saffier,   COUPERUS, Metam. 411 [1897].
Waterblauw (II).
1°. De onder waterblauw (I) genoemde kleur.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Het hemelsch oog, welks waterblaauw Eens wemelde van gloed en luister, Stond onbezield en dof en duister,   V. LENNEP, Poët. 1, 37 [1828].
Heden, luchten ondoordringbaar grauw. Morgen, nog een plekje waterblauw,   BEETS 3, 116 [1852].
2°. Kleur- of verfstof van die kleur.
Het Berlijnsch blauw … komt veelvuldig met zwaarspaat enz. vermengd voor onder de benamingen van Mineraal-, Saksisch, Louise-, Zwickauer, Erlanger, Hortensia-, Olie-, Antwerpsch, Wasch-, Nieuw en Waterblauw,   V.D. KLOES, Verver 12 [1908].
Waterblazen, van bep. zeedieren: uit een of meer blaasgaten water uitspuiten. W.g.
Hy zagh de … Dolfyns in schuim dobberen en waterblazen dat het stoof,   S. V. HOOGSTR., Haegaenveld 192 [1669].
Waterblazer, zeedier dat uit een of meer blaasgaten water spuit; inz. dolfijn en walvis. Na de 18de e. uitsl. in wdb. aangetroffen.
Waeter-blaeser. Physeter, flator,   KIL. [1599].
  WEIL. [1811].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— 't Stranden van drie walvisschen by Monster en Heyde …, die men water-blasers noemde,   PERS, Ontst. Leeuw 638 a [1647].
Een walvisch strant. De waterblazers, zijn gezellen, Aen 't blazen luit Met open snuit, Daer zanden hem bewellen,   VONDEL 5, 622 [1647].
Een tallelooze stoet van waterblaazers spoeit Naar 't olyachtig aas … Dat zy aan allen kant thans op den vloed zien zwemmen,   V. WINTER, Jaarg. 183 [1769].
Waterbleek (I), de bleeke kleur van water hebbend.
O, wat wordt de wijn des levens troebel, waterbleek en schraal, Waar men zonder U, o Jezus! zich ter nederzet aan 't maal,   TEN KATE 6, 150 [1850].
Stormweer vandaag, boertje! … Dat heb ik nog niet bijgewoond, zoolang ik hier woon: die jacht in de lucht, dat telkens valsch klarende, waterbleeke licht; en dat de zee zich tot modder ligt op te woelen,   BRUSSE, O.M. 2, 287 [1918].
Waterbleek (II), het bleeken van linnen met water; het aldus gebleekte linnen.
De menagiebleek wordt ook Meerschbleek en Waterbleek genaamd, en hoewel zoo wit niet als de Melkbleek, is hij nogtans de beste omdat hij het lijnwaad niet krenkt noch beschadigt,   DE BO 684 a [1873].
Waterblein, blaas op de huid waaronder zich weiachtig vocht bevindt. Vgl. ook waterblaar en waterblaas.
Hier by vervoeghen haer veeltijdts Koortsen, en alderhande sieckten: als mede de Roos, Knobbelen over 't geheele Lichaem, Water, waterbleynen, Bock-water genoemt, … en ten laetsten het Kout-vyer,   V. BEVERW., Schat d. Onges. 2, 84 b (ed. 1656) [1642].
Waterblinkend, van tranen blinkend. W.g.
Noch moet gij, kleene knaap … kijken diep in zee, met waterblinkende oogen, naar vaders schip dat gaat,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 24 [1856].
Daar heeft hij, tien jaar, alles wat hij geerde moeten derven …, om … moedeloos gevangen, die muren daar te vloeken, en met enen diepen zucht en waterblinkende ogen, door de vrije blauwe lucht, den vogel te vervolgen,   RODENBACH (ed. BAUR) 2, 227 [c. 1879].
Waterbloed, wondvocht; etter. Sinds lang veroud.
O goedertieren Heer! … Als ghy het al verlaet, peynst om dat Weerdigh Bloedt, Dat lest-vergoten Bloedt, voor alle s' werelts sonden, Dat Water-Bloedt dat ick van uwe versche Wonden, U doende van het Cruys, soo neerstigh hebt vergaert,   L. VOSSIUS 245 (ed. 1701) [1641].
Vandaar: waterbloedig.
  BLANCARDUS, Lex. Med. 774 [1832].
— Comt Reynhertich met Liefden becleed deelachtich word ghy mynder Bermherticheden voor hu heb ick oetmoedich waterbloedich bezweet de parsse zonder hulpe Alleene ghetreden voor hu zondeghe zeden,   DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 26, 171 [c. 1561].
Hierbij: waterbloedvloeiend.
Ara es de weemoedighe suchtende ziele int oude testament, in de durre drooge wet ende besnidenesse niet wel gherust of ghepaeyt, roupende om dat waterbloedvloiende doopsele des nieuwe testaments,   DE BACKERE, Tsamenspr. 122 [ed. 1576].
Waterbloei, katoenmos. Later ook voor het in de tweede aanh. beschreven verschijnsel.
  GERTH V. WIJK, Plantnames 102 b [1911].
— Van welken aard is de groene stof, welke men des zomers bij warm en stil weder, voornamelijk in Junij en Augustus, zeer spoedig aan de oppervlakte van stilstaand water ziet ontstaan, en onder den naam van waterbloei … bekend is?   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 10, 2, XI [1820].
Waterbloeisel, katoenmos (Byssus flos aquae).
  DE GORTER, Flora 321 [1781].
  CHOMEL, Verv. [1793].
  BOMHOFF [1857].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 102 b [1911].
— In de Voorzomer komt dit veel als een groen Vlies op 't Water voor, bestaande uit deeltjes als een fyn Poeijer van den Grond opryzende en zig dan over 't Water uitspreidende met eenigen samenhang … Het wordt by ons en elders Waterbloeizel geheten en zakt eindelyk weder naar den Grond,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 14, 575 [1783].
Waterbloem (zie ald.).
Waterboa, ben. voor zeker slangengeslacht; zekere slang daartoe behoorend (Anaconda).
  Encyclop. Ned. W.-I. 285 a [1917].
— In dezelfde landen als de Afgodslang ontmoet men ook de beroemde Anakonda (Eunectes murinus), die … het geslacht der Waterboa's vertegenwoordigt,   BREHM-HUIZINGA 3, 55 b [1910].
Eigenlijk is de Anaconda of Waterboa, geen echte Boasoort, hij verschilt van de landboa door een platteren, gladden kop, terwijl die van de gewone boa geschubd is,   Natuur en Vernuft 1, 119 b [1916].
Waterbobbel, waterbel, waterblaas (zie ald.); (oneig.) iets wat daarmee vergelijkbaar is.
Waterbobbel. Vn bouillon sur l'eau,   PLANT. [1573].
Waterbobbele. Bulla,   KIL. [1574].
  SEWEL [1691 ].
  HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
— Wtgaen ende borsten ghelijck een waterbobbele,   Dict. Tetragl. 102 c [1562].
Dat alle dusdanighe indulgentien ende aflaten anders niet en zijn dan ydele, onnutte, crachteloose bullen ofte waterbobbelen ende winden,   in FREDERICQ, Pamfl. 262 [1588].
Sy waeren eenen roock; ende desen is verstroyt, het waeren water-bobbelkens ende die sijn geborsten,   V.D. LEPE, Weir. Ydelh. 191 [1688].
De kinders, die met waterbobbéllen te blaazen hunnen tyd doorbrengen, zyn nu de ziel van dit werk,   DE LAIRESSE, Schilderb. 1, 192 [ed. 1712].
Dat de grond opwelde met zeldzame Waterbobbelen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 7, 1, 159 [1763].
  BERKHEY, N.H. 1, 371 [1769].
Waterboelkenskruid (-poeltjeskruid), boelmansvorke (zie ald.).
  LEMERY-V. PUTTEN, Wdb. d. Droog. 102 b [1743].
  DE GORTER, Flora 213 [1781].
  V. HALL, Kruidtuin [1871].
Bidens cernuus L. Knikkend tandzaad. Waterboelkenskruid,   HEUKELS 40 [1907].
Bidens tripartitus L. Driedeelig tandzaad … Waterboeltjeskruid. Waterpoelkenskruid. Waterpoeltjeskruid,   41 [1907].
Bidens tripartita L. … driedeelig tandzaad, … waterboelkenskruid, waterboeltjeskruid, waterpoeltjeskruid,   GERTH V. WIJK, Plantnames 175 a [1911].
— Boelkens cruyt Wijfken, anders Water-Boelkens cruyt, oft Hepatorium aquatile gheheeten, heeft eenen ronden, ontrent drij voeten hooch overeynd staenden Steel, bruyn roodt van verwen, in veel sijdescheuten ende tacken verspreydt,   DODON. 1023 b [ed. 1608].
Driedeelig Tandzaad met driedeelige Bladen, byna gebladerde Kelken en opstaande Zaaden. Door geheel Europa … is deeze, die men in 't Nederduitsch Water-Boelkenskruid noemt, op vogtige plaatsen, aan de kanten van Slooten en Moerassen, gemeen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 10, 538 [1779].
Waterboer.
1°. Leverancier van water, inz. drinkwater.
  PRICK V. WELY, Hulpwdb. [1910].
  V. DALE [1914 ].
2°. (Utr.) Arbeider in een glasfabriek die de waterbakken van de glasblazers steeds van koud water voorziet.
  Ts. 71, 129 [1953].
3°. (Gent, scherts.) Melkboer.
  LIEV.-COOPM. [1954].
Waterboezem.
1°. Boezem in de bet. 6). Ook: poel, vijver, meer e.d., zonder functie als vergaarbak voor overtollig water.
Water inne te laten uuyte gemeene wateryngen ende waterbosemen, die mit Maeswater duer die sluysen … tot geryff ende coste van 't gemeen landt vervolt werden,   Rechtsbr. Hoofdwatersch. Z.-Holl. 116 [1565].
Hier (op zekere penning) ziet men eenige ronde gebouwen, ringh-ront besloten …, en in de zelve een water-boezem, waer op eenige roey-schepen tegen elkander aenkomen,   WITSEN, Scheepsb. 343 b [1671].
Deeze Landen, om of aan den waterboezem van het Braassem-meer gelegen, zyn verknogt aan Langer- en Korter-Aar enz.,   BERKHEY, N.H. 1, 46 [1769].
Met een geldboete … zullen gestraft worden de eigenaars of pachters … van molens, waterwerken, of waterboezems, die … de eigendommen van een ander overstroomd zullen hebben,   W. v. Strafr., a. 457 [1811].
De Groote Vliet, die tot den waterboezem des ambachts behoort,   G. DE VRIES, Zeew. 456 [1864].
2°. Boezem (in de bet. 9) vol water.
Dat deeze Hoozen niet anders zyn geweest, dan eene doorzakking van water uit eene en meer andere zwaare waterwolken, die … niet in staat waren om haaren bezwangerden waterboezem driftig te houden,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 15, 1, 301 [1774].
Waterbok.
1°. Wilde thijm. W.g.
Waterbok. Quendel, of wilde Thym,   BOERHAAVE-LÓVE, Geneesk. Onderw. 473 [1745].
2°. Zeker insect (Leptura aquatica).
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
Leptura Aquatica. Waterbokje. Dit Insekt onthoudt zig op vogtige plaatsen, en komt dikwils voor, op de Bladen van de Plompen …, als ook aan 't Riet, Biezen en de Water-Eppe, aan wier Wortel de Pop somtyds zit,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 9, 577 [1766].
Waterbokje … Dit Insekt is wanneer men het van nabij beschouwt, een der schoonsten van ons waereldsdeel,   CHOMEL [1777].
3°. Een soort van antilope.
De waterbok (Antil. ellipsiprymna) bewoont de oevers der rivieren van de binnenlanden van het zuidoostelijke Afrika,   SCHLEGEL, Dierk. 1, 96 [1857].
De waterbok (in Z.-Afrika) wordt steeds in kleine troepen nabij de rivieren aangetroffen, en stort zich, als hij bedreigd wordt, zonder aarzeling te water; zelfs bij snellen stroom kan hij zeer goed zwemmen,   BURGERSDIJK, Dieren 1, 322 [1864].
De Waterbok (Kobus ellipsiprymnus) … wordt bijna zoo groot als een Edelhert,   BREHM-HUIZINGA 1, 480 b [1910].
Waterbol (zie ald. ).
Waterbolk (waterbulge), watergolf (?), waterzak (?). Vgl. bolk (II) en (III). W.g. en sinds lang veroud.
Wie is so wijs, die de wolcken tellen konne? wie kan de waterbulgen aen den Hemel toe stoppen?   Bijbel v. Deux Aes, Job 38, 37 [1562].
Waterbom. Zie de aanh.
Waterbom, bom, geworpen uit een vliegtuig en wel op een duikboot of ander vaartuig, om deze te vernietigen,   KOENEN [1920].
Waterboog.
1°. Regenboog.
  MEYER, Woordenschat [1669 ].
  HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Wy sperren 't oogh om hoogh, 't Verheugelicke licht van 's hemels Water-boogh Bekittelt onsen lust, Sou daer het rood staen blaeken In 't geel, in 't blaeuw, in 't groen; en in ons mantel-laeken, In onse rocken min?   HUYGENS 1, 80 [1622].
2°. Bocht van een oever, inham. Zie Dl. III, 395.
3°. Boog, kromme lijn van water.
De emmers vliegen hand aan hand: Spuiten zenden waterbogen Naar den hoogen, In den brand,   V. LENNEP, Poët. 12, 11 [1830].
4°. (Gron.) Boogvormige brug over een gracht.
Daar, waar de A thans de stad binnenstroomt … geschiedde dit … onder twee waterpoorten door … Jasper van Marwijck's naam is door die waterbogen vereeuwigd, een ieder kent in onze dagen nog den Marwixpijp, hoewel de pijp of boog reeds in het midden der vorige eeuw is verdwenen,   Gron. Volksalm. 1893, 214 [1893].
Waterboom (zie ald.).
Waterboon, ben. voor het gewas Arum colocasia.
ColocásiaWaterboone wt Egypten,   Dict. Tetragl. 59 a [1562].
  HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
  POMEY [1760].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Waterboor. Zie waterbeur.
Waterboord, waterkant.
O! 't ruischen van het ranke riet! hoe dikwijls dikwijls zat ik niet nabij den stillen waterboord, alleen en van geen mensch gestoord,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 72 [1857].
Waterboot (I), binnenvaartuig dat drinkwater levert aan schepen in de haven of op de reede.
  TEN BOSCH [1911].
Waterboot (II), (Vl.) bundeltje ruw vlas (dat in water wordt gelegd om te roten). Zie voor een mog. iets afwijkende opvatting de derde aanh.
  DE BO [1873 ].
  SCHUERM., Bijv. [1883].
Waterboot. Twee bondels vlas, top en eers, met twee of drie stroobanden aan malkaar gebonden, om te rooten,   Loquela 9, 15 [1889].
— Wanneer het vlas tot rypheyd gekomen is, haelt men het zelve uyt den grond, en vereenigt het tot bundels, gewoonlyk root-bundels (ofte waterbooten) genaamd,   bij LIEV.-COOPM. [1820].
Men maakt gewoonlijk drij waterbooten uit een wisch,   JOOS [1900-1904].
Vandaar: waterbooten. Zie de aanh.
Waterbooten. Het gerepeld vlas in kleene bundels binden om het aldus in het water te rooten,   DE BO [1873].
  SCHUERM., Bijv. [1883].
Waterbord (zie ald.).
Waterborn, bron, waterput. Sinds lang veroud. maar nog in een gewest. bron.
  Loquela 14, 48 [1894].
— Ende God dede haer ooghen (t.w. die van Hagar) op, dat sy eenen waterborne sach: doe ginck sy henen ende vulde de flessche met water,   Bijbel v. Deux Aes, Gen. 21, 19 [1562].
Bij dij is 't dat men souken moet de waterborn' des levens,   DE HUBERT, Ps. 36, 10 [1624].
Waterborst, waterzucht in de borst; door waterzucht aangetaste borst.
  WEIDENBACH [1808].
  KUIPERS [1901].
— Hy was … altoos eenigzins benaauwt op de Borst geweest …; waar uit blykt, dat hy een Hydrops Pectoris voor de Kwetzuur hadde. Indien nu de Steek lager was toegebragt geweest, kon de Lyder van zyn Water-borst zyn geholpen geweest,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 2, 267 [1755].
Onderzocht (moest) worden, of dit beletzel veroorzaakt wierd van den streng dan of het kind mogt hebben een waterbuik, -borst, of water-hoofd of iets anders,   4, 1, 379 [1758].
Waterborstel.
1°. Zeker type van borstel (in de bet. B, 2).
Deze inrigting (t.w. van het haarwerk) nu brengt te weeg, dat de (in water gedoopte) waterborstel, over de ongeverwde strepen gaande, aldaar de eene verwstreep in de andere doet loopen, waardoor de kleuren het ook doen,   Boek d. Uitv. 4, 349 [1867].
2°. (Waas) Ben. voor het gewas Dipsacus fullonum L.; weverskaarde.
  JOOS [1900-1904].
Waterbot (I), waterloot. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
Waterbot (II), in gezouten water gekookte bot die zonder saus wordt opgediend.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862 ].
  V. DALE [1898 ].
— Bot. Deze visch wordt, als de schol, doorgaans in zijn geheel opgedischt, hetzij gebakken, hetzij als Waterbot, d.i. eenvoudig gekookt in gezouten water,   RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven 206 b [1866].
Waterboterbloem. Vgl. ook WATERBLOEM. 1°. Waterranonkel (Ranunculus aquatilis L.).
Ranunculus aquatillis L. … gewone water-ranonkel, … water-boterbloem,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1122 b [1911].
— Water Lever-cruyt, ende witte water Boter-bloemen,   DE LOBEL 2, 41 [1581].
2°. In 't bijz.: dotterbloem (Caltha palustris L.), soort van het geslacht Caltha, uit de familie der Ranunculaceeën.
  SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 1, 247 [1815].
  V. HALL, Kruidtuin 212 [1871].
  HEUKELS 50 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 223 b [1911].
Caltha palustris L. Water-boterbloem. Zij groeit bij ons, op lage weilanden …; de bloemen zijn zeer groot en hooggeel,   Bloemk. Wdb. 61 [1820].
Eindelijk heeft men eene gele kleur opgemerkt, nadat de dieren Caltha palustris (water-boterbloem) en de wilde saffraan genoten hadden,   Boeren-Goudmijn 1, 1, 359 [1855].
3°. In aansl. bij 1°, ben. voor het ondergeslacht Waterranonkel (Batrachium) van het geslacht Ranunculus uit de familie der Ranunculaceeën.
  HEIMANS en THIJSSE, Flora 88 [1899].
  HEUKELS 36 [1907].
  HEUKELS, Flora 2, 196 [1909].
Waterbouw, het aanleggen van (een) bouwwerk(en) in, over of langs het water; waterbouwkundig werk. In de laatste aanh. hetz. als waterbouwkunde. Voor 1921 uitsl. in wdb. aangetroffen.
  AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1903 ].
Waterbouwkunde, kennis van en leer omtrent het ontwerpen en aanleggen van bouwwerken in, over of langs het water, inz. werken die dienen tot keering, reguleering of voordeeliger gebruik van het water; ook: practische bekwaamheid daarin. Tot deze discipline wordt door sommigen ook de wegenbouw gerekend. Vgl. ook waterbouwkunst.
  BENAU [1809].
  WEIL. [1811].
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
  V. DALE [1872 ].
— Men heeft … in het oog gehouden, de … waterwerken, zoo veel mogelijk, naar dadelijke ondervinding … en minder naar theoretische formulen te beramen; daar ook bij de waterbouwkunde de spreuk volkomen waarheid is, waarmede men deze verhandeling eindigt. De ondervinding is de beste leermeesteresse,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 236 [1824].
De Hollanders hebben steeds in de Waterbouwkunde de grootste vorderingen gemaakt, en aan hen heeft men … gewigtige uitvindingen te danken; als: de kamersluizen, de steenenglooijingen aan de zeedijken …, de scheprad-watermolens enz.,   G. NIEUWENHUIS, Wdb. v. K. e W. [1828].
Tot de waterbouwkunde kunnen worden gebracht de volgende onderdeelen van de ingenieurskunst: 1. de aanleg en kunstmatige verdediging van dijken, duinen en stranden … 7. de aanleg van kanalen, havens, wegen en bruggen enz.,   Vivat's Encyclop. [1906].
De leeraar in burgerlijke en waterbouwkunde maakte eene excursie … naar Lochem en Borculo ter bezichtiging van de normalisatie van de Berkel,   Versl. Landb. 1909, 1, 4 [1909].
Het aanleggen en onderhouden van wegen wordt mede tot de waterbouwkunde gerekend,   ZWIERS [1920].
Waterbouwkundig, tot de waterbouwkunde behoorend, op de waterbouwkunde betrekking hebbend; op het gebied van de waterbouwkunde; onder het aspect van de waterbouwkunde beschouwd.
  WEIDENBACH [1808].
— Drie afdeelingen …, waarvan de eerste bevatten zal de algemeene oorzaken der verhooging en uitdieping van havens en rivieren, en de verklaring derzelve uit waterbouwkundige beginselen,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 4, 1, 59 [1809].
Die 8 m.M. water vallen gelijkelijk over het geheele waterbouwkundig Rijnland, zoowel op de polders zelven, als op wat buiten de polders ligt,   GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 195 [1871].
Hij (zette) zijne studiën voort door het bekijken van waterbouwkundige teekeningen, verdiepte zich in dijkprofielen en het maaksel van enkele en dubbele sluisdeuren,   E. Haard 1885, 420 a [1885].
Werken van waterbouwkundigen aard,   V. CAPPELLE, Electr. 545 [1908].
In het spraakgebruik wordt de naam Civiel-ingenieur (c.i.) … uitsluitend gegeven aan den Waterbouwkundigen ingenieur,   ZWIERS 1, 559 a [1917].
Waterbouwkundige, iem. die in de waterbouwkunde onderlegd is; deskundige op het gebied van de waterbouwkunde.
  WEIDENBACH [1808].
  ZWIERS [1920].
— Elk Waterbouw-kundige weet, dat de opkropping … wederom eene meerdere hoogte van water, en bygevolg eene meerdere snelheid veroorzaakt,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 24, 29 [1787].
Leeghwater (Jan Adriaansz.) die in 1575 in het dorp Rijp het levenslicht zag, was een eenvoudig, doch voor zijnen tijd bijzonder ervaren waterbouwkundige,   Nieuwenhuis' Wdb. v. K. en W. [1859].
Ook de Arabiërs waren bekwame waterbouwkundigen. Zij waren de uitvinders van eene belangrijke verbetering in de waterleidingen, daar zij de gemetselde kanalen vervingen door wijde buizen van gebakken klei,   Boek d. Uitv. 6, 50 [1869].
Hoe dikwijls heeft hij (Conrad) niet aan de buitenlandsche waterbouwkundigen oogenblikken van technisch genot verschaft, als hij hun liet zien, hoe wij Nederlanders de oplossing van waterstaatkundige problemen hebben gevonden,   Levensber. Letterk. 1904-'05, 240 [1904-'05].
Waterbouwkunst, veroud. term. voor waterbouwkunde. In de voorlaatste aanh. bep.: practische bekwaamheid in het ontwerpen en aanleggen van waterbouwkundige werken. Vgl. voor de onderlinge verhouding van -kunst en -kunde Dl. III, 797.
Water-Bouw-Konst … is eene Weetenschap van het Bouw-Wezen of Werk, 't welk ofte in het Water zelf, ofte alleenlyk tot beter en voordeliger Gebruik van het zelve aangelegt en gemaakt moet worden,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
  BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
Waterbouwkunst, de vereeniging aller kennis, welke noodig is tot het aanleggen der werken, waarmede men rivieren of andere wateren binnen hare oevers bedwingt, of ze tot nut en verlustiging der menschen doet dienen,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  WINKLER PRINS, Encyclop. [1881].
— De Heer Belidor heeft in zyn vermaard Werk van de Waterbouwkonst aangaande de gesteldheid en werking deezer Konst-werktuigen (zekere molens), vry breedvoerig gehandeld,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 14, 1, 2 [1773].
De linker havenarm … is … een meesterwerk van waterbouwkunst,   Boek d. Uitv. 3, 188 [1867].
De algemeene bouwkunst laat zich scheiden in drie hoofdtakken, als: 1°. Burgerlijke bouwkunst; 2°. Vestingbouwkunst; en 3°. Waterbouwkunst,   Nieuwenhuis' Wdb. v. K. en W. [1868].
Waterbouwwerk, waterbouwkundig werk.
  V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 49 [1897].
— De Maatschappij tot Aanneming van Waterbouwwerken te Haarlem … werd bereid bevonden het baggerwerk, dat met haar materieel mogelijk bleek, te verrichten,   Zuiderzeewerken 1, 11, 6 [1920].
Waterbranden, distilleeren. In sommige wdb. aaneengeschreven.
  HEXHAM [1648 ].
  D'ARSY [1651].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Waterbranden met groen kruyden,   MELLEMA [1618].
Vandaar (?): waterbranding.
  MELLEMA [1618].
Water-brandinge, Distillation of waters,   HEXHAM [1648 ].
  D'ARSY [1651].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Waterbrander, distillateur. W.g. en sinds lang veroud.
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
— Eyndelijck de Waterbrander treckt uyt door 't vyer de bier- of Wijndroessem,   COMENIUS, Deure d. Taalen 104 [1666].
Waterbrems, zekere soort van vlieg; watervlieg.
  CHOMEL [1777].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
— De Vlieg, die van Frisch Wasser-Braeme, dat is Water-Brems genoemd wordt, komt veel in de Meiren, Vyvers en Slooten, voor, loopende dikwils langs de Oppervlakte van het Water, volgens Linnæus. Zy is, zegt hy, grooter dan een Huisvlieg,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 12, 475 [1768].
Waterbreuk, waterbrief (zie die woorden).
Waterbrij. Zie de aanh. Uitsl. in wdb. aangetroffen. Vgl. water en brij onder de bet. 1, c, η).
  WEIDENBACH [1808].
  WEIL. [1811].
Waterbrij, Bouillie faite avec de l'eau, bouillie à l'eau,   OLINGER [1822].
Waterbrij, brij van meel en water,   BOMHOFF [1857].
Waterbrij, pap met water aangelengd,   CALISCH [1864].
Waterbrij, met water gekookte pap,   V. DALE [1914].
Waterbron (zie ald.).
Waterbrood.
1°. (Stofn.) Brood waarvan het deeg vermengd is met water in plaats van melk.
  V. DALE [1898 ].
  KOENEN [1920].
— Hollandsch Waterbrood … uit gebuild meel met water gebakken, is daardoor goedkooper dan andere broodsoorten, doch mist de zoo gewaardeerde eigenschappen van melkbrood en Fransch Waterbrood,   Haagsche Broodfabr. 10 a [1906].
2°. (Voorwerpsn.) In zekeren vorm geknede en gebakken hoeveelheid van het onder 1° genoemde. Steeds in den verkl. aangetroffen: waterkadetje.
  V. DALE [1884 ].
  KOENEN [1911].
— De roode juffrouw ontwikkelt een waterbroodje aan een grauw stuk papier en doet uiterst modest den eersten hap,   CREMER 13, 66 [1860].
Dan (bij het hooren v. bep. muziek) krijg ik een onbeschrijfelijk gevoel, dat mij doet denken aan Lize's waterbroodjes,   V. EEDEN, Dagb. 1, 54 [1876].
De Hollandsche Waterbroodjes zijn … alleen hier te lande bekend. Dit is een broodje waar de korst hoofdzaak is en de kruim betrekkelijk weinig tot den smaak bijdraagt,   Haagsche Broodfabr. 13 a [1906].
Waterbuik.
1°. (Geneesk.) Aandoening waarbij de buik opzwelt als gevolg van een opeenhooping van vocht; waterzucht in den buik. Ook: als gevolg daarvan opgezwollen buik. Na het begin van de 18de e. uitsl. in wdb. aangetroffen.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Onderzocht (moest) worden, of dit beletzel veroorzaakt wierd van den streng, dan of het kind mogt hebben een waterbuik, -borst, of water-hoofd of iets anders,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 4, 1, 379 [1758].
De Water-buik (bij een kalf). Deeze ongesteldheid is eene ophooping van water in het Lyf, tusschen de buik-spieren en het darm-net,   Verh. Maatsch. Landb. 10, 1, 82 [1793].
Men brengt … een klein mesje … zeer voorzichtig, door de Verlossings-deelen, tot op de opgespannen Water-buik; men steekt het door den huid …: het water genoegzaam uitgeloopen zynde, volbrengt men de verlossing,   10, 1, 83 [1793].
De Wind- of Waterbuik, welke bestaat in zekere opzwellingen en opspanningen van den huid, meestal aan en omtrent de navel en de lanken, en wordende door eene verzameling van weivochten of waterachtige stoffen veroorzaakt,   BERKHEY, N.H. 8, 111 [1810].
2°. Ter aand. van iem. die graag en veel water drinkt. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  WEIL. [1811].
  V. MOOCK [1846].
  HEREMANS [1869].
  V. DALE [1872 ].
Hierbij: waterbuikziekte.
De Pof of de Bof is een zeer bekend ongemak der Koeijen …, men kan er echter acht op slaan, om deszelfs gevolgen voor te komen, om dat het tot waterzucht kan overslaan, hetwelk dan water- of weebuikziekte wordt,   BERKHEY, N.H. 8, 110 [1810].
Waterbuis (zie ald.).
Waterbun. Zie Dl. III, 1889.
Waterbunge, beekbunge (zie ook ald.).
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  HEUKELS 271 [1907].
Veronica Beccabungawater-bunge,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1400 b [1911].
Beccabunga …: Beekpunge, water-punge, beeck- of water-punghen, waterbunge, beekebunge enz.,   V. HALL, Kruidtuin 172 [1871].
Waterburger, waterbewoner; inz.: visch.
Hy (de mensch) … sleept van uit het hart der zee De stomme waterburgers meê, Met d'angel, door zijn list in lokkend aas versteken,   BILD. 8, 303 [1827].
Zij dansten, sprongen en schreeuwden, dat de kabiljauwen die op de banken lagen, hunne oogen wijd opentrokken en … schuddekopten. — Wat mogen die waterburgers van de landdieren wel gedacht hebben?   J. V. RIJSWIJCK 3, 117 [1858].
Waterbuur, stads-, dorps- of buurtgenoot die aan een water woont. In de aanh. inz. aan het "Water" (oude ben. voor het Damrak te Amsterdam).
Dat … vreemde sacken, die hier ter stede uut andere plaetsen met erweten, boonen ende diergelycke goederen comen, werden gebruyckt ende dat die waterbuyren, hare eygene sacken gebruyckende, daerdeur oock middel hebben mette selve vreemde goederen te laten dragen,   R.G.P. 78, 39 [1613].
Watercadet. Zie de aanh. Veroud.
Water cadet … Een volontair die tot officier wenscht opgeleid te worden, of die veel geld heeft; een heertje (voornamelyk by het Instructiebataillon gebruikelyk),   Hs. Lett. 1229 a, n° 2, 2 [1882].
Watercalorimeter, met water of een andere vloeistof werkend toestel dat dient voor de bepaling van warmtehoeveelheden en inz. van de soortelijke warmte van stoffen.
  TEN BOSCH [1911].
— De tweede soort (van calorimeters), ook water-calorimeter genoemd, berust op de aanwending der soortelijke warmte; hij meet, namelijk, de warmtehoeveelheden door de temperatuurs-verhoogingen, welke zij in een bepaald gewigt waters of van andere vloeistoffen te weeg brengen,   V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. 1982 [1857].
Watercapaciteit, hoeveelheid (opgenomen) water die kan worden vastgehouden. Inz. van den grond, bodem e.d. gezegd.
In cijfers uitgedrukt is de watercapaciteit de hoeveelheid water, die 100 gram boven zwavelzuur van 10% gedroogde aarde in haar geheel capillair kan vasthouden,   v. Gorkom's O.-I. Cult. 1, 101 [1917].
Door eene goede grondbewerking … moet de bodem in de kruimelstructuur gehouden worden, waardoor de watercapaciteit stijgt,   1, 102 [1917].
Deze grond bestond voor het grootste deel uit turfstrooisel en overigens uit een klein gedeelte tuingrond en zand. Dit grondmengsel had aldus een zeer hooge watercapaciteit,   Versl. Landb. 1921, 1, 146 [1921].
Waterchinees.
1°. Ndl. ben. voor een Chinees die, overboord gezet, op een bamboematje zit te visschen. Alleen in aangeh. bron aangetroffen.
Wij zeilden met een snelle vaart door dit labyrinth van waterchinesen,   V. ASS. DE CONINGH, Japan 3 [1856].
2°. Ben. voor een eigenaardig, zonderling persoon; rare snijboon. Door den auteur van de derde aanh. wordt dit gebruik toegeschreven aan het onder 1° genoemde.
  KOENEN [1903 ].
  GALLAS [1911].
— Onze vaart in de Chineesche wateren heeft een uitdrukking in onze volkstaal gebracht … In de jaren zestig der vorige eeuw namelijk noemden wij jongens te Rotterdam een wonderlijk mensch "waterchinees",   H.P.N. MULLER, Malakka en China 165 [1918].
"Jullie bent een paar rare waterchineezen," zuchtte Kees,   CISSY V. MARXVELDT, J. ter Heul 2, 188 [1921].
Waterchocolade, drank bereid uit cacao, suiker en heet water.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1911 ].
— Het (is) niet quaad in deezen tyd, nu en dan wat Water Chocolaad te gebruiken en een Beschuitje toe te eeten,   Holl. Huyshoudster 143 [c. 1780].
Zij (wist) niet dat keien en klinkers zóó vuil konden wezen, als die van Rotterdam bij slecht weer doorgaans zijn, wanneer het is (ik gebruik de uitdrukking van eene lieve Rotterdamsche zelve) als of het waterchocolade geregend heeft,   BEETS, C.O. 237 [1840].
Men (kookt) bij ons de chocolade niet zelden met melk: de Spanjaard drinkt slechts waterchocolade uit zeer kleine kopjes,   Boek d. Uitv. 5, 164 [1868].
Kopje waterchocolade … Meng in het daarvoor bestemde kopje de cacao met de suiker door elkaar, roer er zooveel koud water bij, tot een vloeibaar papje zonder klontjes verkregen is. Giet er dan het kokende water op,   WANNÉE, Kookb. 331 [1910].
— In een zegsw.
Dat is zoo klaar als waterchocolade met kappertjes … Men duidt door dit spreekwoord eene zaak aan, die alles behalve klaar is,   HARREB. 1, XXXVI a [1858].
Watercirculatie, omloop van water. Zie ook Dl. IV, 2042.
Watercirculatie, de omloop van water in eene stoommachine van lage drukking,   V. DALE [1898 ].
  TEN BOSCH [1911].
— Hoe sneller de overgang der warmte plaats heeft, des te sterker zal het water … zich bewegen. Deze strooming van het water, watercirculatie genoemd, die zelf een gevolg van de warmte-geleiding is, bevordert op hare beurt die geleiding en verhoogt dus het effect van het verwarmd oppervlak,   VERDAM, Gids v. Machin. 39 [1892].
Vereffening van temperatuurverschillen; watercirculatie,   Beschr. v. Stoomk. en Stoomwerkt. 41 [1896].
Watercloset (zie ald.).
Waterconduit. Sinds lang veroud. en nog vnl. in wdb. aangetroffen. 1°. Buis, pijp, goot, kanaal waar water doorheen loopt of kan loopen.
CanálisWaterconduyt,   Dict. Tetragl. 41 a [1562].
AlueusWaterconduyt, canael, waterlosinghe,   JUNIUS, Nomencl. 415 b [1567].
  SASBOUT [1576].
  MELLEMA [1618].
Water-conduyt of gote, Water-conduit, Channell, or Gutter,   HEXHAM [1678].
In de volg. aanh. in fig. verband voor: vagina.
Een vrauwe meest noodt es, de dienst van een vuldere Een polderclerck Bescryfuende parchemyn van noode zyn mach hy een vrauwe in huer waterconduten als toeziender van alsulcken wercke fyn waer slusen speyen Busen meest quaelick sluten maer als die duere draeghen van binnen of Buten huer es van nooden dan eennen vuldere enz.,   DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 30, 75 [1543].
2°. Urinebuis.
Sekere vleeschachticheyt …, de welcke hoe cleyne datse ooc is, ouermits de engicheyt des voorsc. water-conduitgen, also daer eenige beswaerlicheyt, int Vryneren lichtelick causeren can,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. 352 [1595].
Dat oock de water-conduyten verstopt zijn geweest,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 507 b [1604].
Watercultuur, het kweeken van planten op potten, flesschen e.d. die gevuld zijn met water waarin voedingsstoffen zijn opgelost (ten behoeve van proefnemingen); een derg. kweek zelf.
Proeven, waarbij waterculturen werden gedaan, en dus planten in vloeistoffen van bekende samenstelling het minerale voedsel vonden,   Alb. d. Nat. 1897, 1, 257 [1897].
K. Aso … ging den invloed van wisselende hoeveelheden kalk en magnesia na … bij waterculturen, waarin de overige minerale voedingsstoffen nu eens werden bijgevoegd, dan eens niet,   Alb. d. Nat. 1902, 2, 87 [1902].
Waterculturen … bestaan in de cultuur van landplanten met uitsluiting van elken natuurlijken of kunstmatigen bodem, en waarbij de wortels in water dompelen, dat de voedingsstoffen bevat, die men de plant wil laten opnemen,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 195 [1906].
Waterdal, gracht. Eenmaal aangetroffen.
Bedompte water-dallen, Marmer-kaden, weeldrigh slijck, 'k Vind in allen niet met allen Dat mijn' Linde-laen gelijck' (in den aanhef is sprake van Venetië),   HUYGENS 1, 91 [1621].
Waterdam, keerdam; dijk. In wdb. ook: havenhoofd.
  WEIDENBACH [1808].
  V. MOOCK [1846].
Waterdam …, havenhoofd,   CALISCH [1864].
  V. DALE [1872 ].
— Door middel van pompen onder de waterdammen wordt, voor zoover dit bij lagen stand van het boezemwater mogelijk is, niet zelden water ingelaten,   Versl. Landb. 1917, 1, 39 [1917].
Waterdamp (zie ald.).
Waterdamping. Uitsl. in aangeh. wdb. aangetroffen. 1°. Uitwaseming.
Waterdampinge. Respiratio aquarum,   HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
  BINNART-DE WILDE [1719].
  POMEY [1760].
2°. Waterdamp.
  KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
Waterdarmbreuk, (geneesk.) waterbreuk die gepaard gaat met een darmbreuk.
  V. MOOCK [1846].
  GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  V. DALE [1872 ].
Waterdeel (zie ald.).
Waterdeeling, verdeeling, splitsing van de wateren (in een bep. district).
Nog wierd 'er nieuwe Watermolens versogt …, en of de Cogge dezen eisch te groot was zoo hadden zy nog veel liever een Ban ofte waterdeelinge in de voorschreve 4. Noorder-Cogge, dan de voorschreve Molens,   BURGER, Chron. v. Medenbl. 221 [1710].
Waterdeur.
1°. (Molenb.) Deur, luik in den waterloop van een molen, die (dat) ervoor zorgt dat het water slechts in één bep. richting kan stroomen.
Waterdeur, onderdeel v.d. waterloop,   Aant v. G.J. BOEKENOOGEN [c. 1910].
— Noch salmen aen dit voorschreven kozijn een stercke waterdeur maken …; het onderste hengsel sal een duym off anderhalff vorder op de stijl staen als boven, om het toevallen vanden voorsz. deur …, dat 't selve water kan uitschutten,   Bestek v.e. watermolen [hs. 1634].
Dat al twater begrepen tusschen de lepelen van dese nieuwe mole, voortgedreven wort sonder datter weder water te rugge can keren …, twelc daer an blyct dat de mole gemalen hebbende en daer na stil staende, de waterdeur en valt niet weder toe, of … seer traeglic, want de lepels self twater schutten,   H. STEVIN, Bedr. 10, 29 [1667].
Men (ziet) de voor en agter Waater loop in de grond met den Dorpel, Vleugel van 't Slag bint, en de Waaterdeur,   Gr. Volk. Moolenb. 1, 4 b [1734].
2°. Deur, poort die aan de zee- of rivierzijde gelegen is.
De twede (toegang tot het "Kasteel"), de Water-deure genaamd, siet na 't Noorden, en diend de besetting voor een Krijgswagt,   DE GRAAFF, O.-I. Spiegel achter Reisen 8 [1703].
Waterdicht (zie ald.).
Waterdiepte.
1°. Diep water (in de bet. 3). W.g. en sinds lang veroud.
Waterdiepte oft anders, Abyssus,   DASYP. [1556].
2°. Afstand tusschen het wateroppervlak en den bodem van een water (in de bet. 3).
Indien men het vermogen der golven evenredig kan stellen aan het vierkant van derzelver hoogte, of de watersdiepte onmiddelijk (sic) vóór — of op den teen des dijks, dan kan men enz.,   CALAND, Dijksb. 74 [1833].
Liggen die stuwen zoo dicht bij elkander, dat het stuwpeil van de benedenste stuw waterdiepte genoeg geeft aan de schepen tot vlak bij de meer bovenwaarts liggende, dan is de rivier in denzelfden toestand als een kanaal met regelmatige horizontale panden,   E. Haard 1875, 272 a [1875].
De grootste golfoploop werd waargenomen aan dijken … waarvóór … een aanzienlijke waterdiepte of een zeer breed watervlak zonder ondiepten aanwezig is,   Zuiderzeewerken 1, 7, 7 [1920].
3°. Diepgang (van een schip).
Waterdiepte of diepgang van een schip. Zoo noemt men het aantal voeten tot op welke een schip (ledig of geladen) in het water zinkt,   Ned. Handelsmag. [1843].
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
  KUIPERS [1901].
— Het … kanaal van Toulouse naar de Middellandsche zee zoude merkelijk moeten uitgediept worden, om hetzelve bevaarbaar te maken voor schepen, die de tot eene Middellandsche reis gevorderde waterdiepte houden,   Handelsbl. 9 Jan. 1830, 1 b [1830].
Bij de allerlaagste standen moet daar (op de Waal) met 1.50 meters waterdiepte kunnen gevaren worden,   E. Haard 1875, 295 a [1875].
Waterdier, dier dat in het water leeft (tgov. landdier); nabootsing daarvan (in steen e.d.).
  JUNIUS, Nomencl. 43 a [1567].
  MELLEMA [1618].
  HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
  V. DALE [1872 ].
— Tusschen de water-dieren, ende de dieren der aerden zijn de Amphybien,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 58 b [1604].
Klooster-luiden … worden … van veelen … tot d'uitvaerten en eenige andere gebruikelijkheden geroepen: waer door wilde viervoetige dieren, vogelen, of land, of water-dieren vry gelaten worden,   DAPPER, Beschr. Sina 124 b [1670].
Zulke (fonteinen), die in 't midden van weide doorgesnede laeningen … geplaetst, van verre gezien worden, (moeten) met eenen enkelden strael uit eene laege rots of water-dier voortkomen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 12 [1737].
Kleine stroomingen in het water … welke het noodige voedsel (voor de oester) — bestaande uit kleine waterdiertjes en organische overblijfselen — toevoeren,   Boek d. Uitv. 3, 119 [1867].
Waterdieren … verschillen van de landdieren inzonderheid door hun ademhalings-proces; in den regel bezitten zij, in plaats van longen, kieuwen,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
De rudimenten van kieuwen schynen te bewyzen dat we oorspronkelyk behoord hebben tot de klasse der waterdieren,   MULTATULI 9, 106 [1877].
Waterdijk, dijk zonder voorland; schaardijk. Sinds lang veroud. en vnl. in Friesl. aangetroffen.
Die van Gaest hebben XIII roeden waterdijcken, omtrent drie off IIIJ voeten diep,   in BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1511].
In dese Grietenye sijn menige Huysluyden, die LXX, LXXX, XC, C roeden waterdycx ende meer hebben,   Ald.
  [1566].
Manendach den 2en dito … begon men sterk aen den waterdijk om … het volkomen effect daervan voor mijn vertrek, die den 12en deses was vastgestelt, te mogen sien,   in B.H.G. 62, 200 [1685].
Waterdistel, ben. voor zekere plant; gele distel; lischdodde.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
Waterdistel, Distel, welks steellooze bladeren rond den hoogen stam van afstand tot afstand eene kom vormen, doorgaans met water gevuld,   TUERL. [1886].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
Waterdoek, waterverfschilderij. Sinds lang veroud.
Peeter de Witte, £ 14 ter saken van het schilderen van eenen waterdoeck van Ons Heer int Hofken, voor den autaer in collegio,   in Med. V.A. 1931, 197 [1631].
De waeterdoecken tot dry oft vier doesyn, de belegeringen van Baerselonen, van Duynkercken met de Engelse ende Franse armeyaden ter ontsetting enz.,   in DENUCÉ, Kunstuitv. 58 [1653].
Waterdog, zeehond. W.g.
  SCHUERM. [1865-1870].
— Wat warklomp der natuur! wat bergen en wat dalen …! Wat ordeloos gewoel, dat rondom gonst en druischt, Waar rob en walrus, haai en waterdog in huist!   TOLLENS 5, 129 [1819].
Waterdokter. Vnl. in (dial.-)wdb. aangetroffen. 1°. Geneesheer die de watergeneeswijze voorstaat; hydropaat.
  DE BO [1873].
  V. DALE [1898 ].
  KUIPERS [1901].
  CORN.-VERVL. [1903].
  GALLAS [1911].
2°. Piskijker.
  SCHUERM., Bijv. [1883].
  RUTTEN [1890].
  DE COCK, Spreekw. O. Gebr. 245 [1908].
  TER LAAN [1952].
Waterdomp, waterdamp. Nog gewest. in Vl.-België.
  CORN., Bijv. [1938].
Luna in quadrato Saturni, doet de straelen der Sonne waeterdompen ophaelen,   LIEV.-COOPM. [1668].
Waterdoop.
1°. Het doopen c.q. gedoopt worden met of in water (als godsd. ceremonie).
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
— Den Waterdoop dient tot antellinge of inschryvinge tot het getal der anderen Christenen,   MATTH., Anal. 4, 633 [1565].
Nademael sy dat beteeckende (hetwelcke doch het voornaemste is in den Doop) (t.w. "een nieu leuen met Christo") wt ghenaden deelachtig zijn: waerom soude hen dan het teecken, dat minder is, te weten de waterdoop gheweyghert worden?   NICOLAI in Bibl. Reform. Neerl. 7, 298 [1569].
Met verzoek aan alle de gene die haar in de gemeente door den waterdoop niet hebben laten inlyven, dat se haer daervan (t.w. van het Avondmaal) gelieve te onthouden,   bij ALLAN, Haarlem 3, 549 [1670].
Op deze gedane belijdenis verzoekt hij of zij, met den waterdoop bediend te worden,   V. NIJMEGEN, Hist. d. Rijnsb. Verg. 283 [1775].
Zij (had) der Christnen Waterdoop, Op 't vurig uitgedrukt verlangen, Op 't krankenleger nog ontvangen,   TER HAAR, Joann. en Theag. 18 [1838].
Gij (Christus) zijt met een anderen doop gedoopt dan met den waterdoop in de Jordaan …! Van andere dan waterdroppels is uw voorhoofd besproeid geweest, in Gethsemané, in het Rechthuis, op Golgotha!   BEETS, St. Uren 5, 106 [1858].
2°. (Gewest.) Waterige saus of jus.
In de magere keuken wordt wel waterdòòp opgediend; in het gunstigste geval drijft er dan een òògje vet op,   DAAN, Wier. L. 44 [1950].
Waterdoorlatend, doordringbaar voor water; permeabel.
  V. DALE [1898 ].
— Somtijds is deze stof (zekere klei-achtige grondsoort) zoo dicht opeengepakt, dat het geheel ondoordringbaar wordt; elders weer is zij sponsachtig en waterdoorlatend,   BLINK, Nederl. 1, 244 [1891].
Waterdoorloop, doorstrooming van water; voorziening daartoe.
De dieren (in den stal) staen op eene zeer ligt afhellende vlakte … en deze is … 10 centim. boven den benedengrond verheven. Deze laetste helt ook af naer den waterdoorloop die … met afloopen naer de onderliggende citerne voorzien is,   Akkerbouw 28 Oct. 1849, 1 c [1849].
Het (pelgrims)schip moet, behalve de gemakken ten dienste der bemanning, voor elke honderd ingescheepte personen ten minste één beste kamer met waterdoorloop hebben,   Besl. v. 21 Febr. 1900 (Stbl. 33), blz. 69 [1900].
Waterdorp.
Salustius melt hoe de Persianen, wanneer zy aen onbewoonde lantstreken quamen, huizen van hunne Schepen maeckten en waeter-dorpen bouwden,   WITSEN, Scheepsb. 220 b [1671].
Hierbij: waterdorplieden.
'k Verdeelde … mijn legermagt in benden. Een groot gedeelte viel het landvolk op de lenden, En stroopte … De waterdorpliê, van hun koopmanschap en schat, Die langs de Noortrivier, voor wint en stroom gedreven, Op vlottent rietgebouw, zich na Peking begeven,   ANTONIDES 3, 23 [1666].
Waterdorpel. Zie de aanh.
  V. KEIRSBILCK, Timm. 304 [1898].
Waterdorpel, dorpel om het inwateren en vooral het injagen van water door den wind te voorkomen of te verminderen,   V. DALE [1898 ].
Waterdorpel … Geprofileerd stuk, dat op den onderdorpel van een draairaam of buitendeur wordt aangebracht, en aan de onderzijde van een hol is voorzien, ten einde te voorkomen, dat het regenwater onder den dorpel door binnenshuis komt,   ZWIERS [1920].
Waterdraad, ben. voor het gewas Conserva; draadwier.
  CONSC., B. d. Nat. 277 [1846].
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
  TIERLINCK, Consc.-bot. 44 [1912].
Waterdraagster, vr. pers. die tot taak heeft water (te halen en) ter bestemder plekke te brengen. Later ook: iem. die water aan huis bezorgt. Vgl. waterdrager.
  HALMA [1710].
  KRAMER [1719].
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Hy (Themistocles) (sach) daer in de Tempel … een beelt van een maghet van coper ghemaeckt …, welck men noemde Hydrophore; dat is te segghen de waterdraechster,   V. ZUYLEN V. N., Plut. 54 b [1603].
Waterdraaiboom, waterboom (in de bet. 1) die in horizontale richting draaibaar is. W.g. en sinds lang veroud.
't Zal gebeuren Dat eens de Zont, met toegebonsde waterdeuren …, uw vloot zijn' stroom ontzegt … red uw bontgenoot. ruk uit De kramme en grendel die den waterdraeiboom sluit. De sleutel van kanon zet alle poorten open,   ANTONIDES 1, 114 [1671].
Waterdraaiing, ronddraaiende beweging van water; draaikolk. Sinds lang veroud.
  HEXHAM [1648 ].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
— Hier (t.w. in zekere rivier) zijn twee gevaarlijke Plaatsen en water-drayingen,   Reis-boek door de Ver. Ned. Prov. 463 [1689].
Waterdraak.
1°. Te water levend draakachtig dier; inz.: ben. voor krokodil. Sinds lang veroud. maar nog in een gewest. bron aangetroffen.
  LIEV.-COOPM. [1954].
— In dese VIJ (feest)daghen … maecten die priesters van Apis tempele bestant met die afgrijselicke waterdraken, crocodillen ghenaemt, die in den Nilus schuulden,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 260 [1566].
Den vyandt is ghelijck den Crocodyl: den welcken is eenen grooten water-draeck van de riuiere Nilius, oock te lande leuende,   DAVID, Waerseggher 110 [1603].
2°. Ben. voor het verschijnsel in de lucht dat optreedt bij een windhoos: zwarte, pijpvormige wolk waaruit in bep. omstandigheden overvloedig water valt.
't Is een van die dikke gedraaide Waterkolommen, welken de Vaarenslieden Pompen of Waterdraaken noemen. 't Zijn als lange … Cilinders, gemaakt van dikke dampen, welke met het eene eind aan de wolken, en met het ander aan de zee raaken, die daar rondom schijnt te kooken,   V. BROEKHUIZEN, R. na Siam 34 [1687].
Waterdracht.
1°. (Scheepv.) Diepgang (van een schip).
Waterdraght. Even zo veel water als het schip diep gaet, zoo dat het schip pas daer over kan,   WITSEN, Scheepsb. 515 a [1671].
  V. LENNEP, Zeem.-Wdb. [1856].
  V. DALE [1872 ].
— De Timmerlieden maaken, dat de Schepen achter meerder zog dan voor hebben, dat is te zeggen, dat 'er meerder afstand naar achteren, van de Kiel tot op de Oppervlakte van het Water is, dan naar voren …: dit is 't gene men het verschil der Waterdragt of stuurlastigheid noemt,   DU HAMEL DU MONCEAU, Grondbeg. Scheepsb. 41 [1757].
2°. Hoeveelheid te dragen water; waterlast.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
— Bij de staande cilinders kan de verwarming gelijkvormiger over eene groote oppervlakte plaats hebben, doch de bodem heeft dan eene grootere waterdragt en het water kan niet spoedig genoeg koken,   BLEEKRODE, Technol. 794 [1843].
3°. (Antw.) Valsche zwangerschap.
  CORN-VERVL. [1903 ].
Waterdraf, loop, strooming (van water); zich krachtig voortbewegende watermassa. W.g.
Onder aen die krijtte rotsen, Die den heeten water-draf Van de Noorder golven trotsen …, Lagh een Hollandsch Herder-jongen Droeffelick ter neer gevelt,   HUYGENS 1, 27 [1622].
De Maes … haestende sich … eyndelyken naer den Brihel: daer hy … sich in de Noorder zee wt-giet, met zoo een fellen en hollen water-draf, dat hy … noch langh daer na syne gewoonlyke zoetigheyd onder de zoute baeren by sich houd,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 1, 10 b [1654].
Een brugge …, die over langh van een water-draf af-gespoeld, nu … weder was op-gemaekt,   2, 103 a [1654].
Waterdrager.
1°. Mannelijk pers. die tot taak heeft water (te halen en) ter bestemder plekke te brengen. Later ook: iem. die water aan huis bezorgt. De laatste aanh. kan ook worden opgevat in de bet. 3°.
Waterdragher, De ghene die den krijslieden inden legher water beschict,   Dict. Tetragl. 23 a [1562].
Aquarius Frontino, aquarium custosWaterdrager. Qui garde ou porte l'eau au bain,   JUNIUS, Nomencl. 543 b [1567].
  PLANT. [1573].
  HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
Waterdrager, … die water … in de huizen bezorgt,   V. DALE [1872 ].
— Ende die ouersten spraken tot hen Laetse leuen dat si houthouders ende waterdraghers zijn der gheheelder ghemeenten,   Bijbel v. Liesveldt, Jozua 9 C [1526].
Dijn vreemdelinck die in dynen leger is, beyde, dijn houthouwers ende dijn waterdraghers,   Bijbel v. Deux Aes, Deut. 29, 11 [1562].
De Bevelhebber van de Lijfwachten, die op ons Hof waren … tot de houthackers, waterdragers … inkluis, quamen den Heer Ambassadeur … begroeten,   Voyag. v. Klenk 123 [1677].
Het onophoudelijk heen- en wederloopen der kamelen met hunne lederen oliezakken en de waterdragers maken de straten morsig en vochtig,   Handelsbl. 24 Febr. 1830, 4 b [1830].
Ook: iem. die water afvoert.
De afgegravene aarde wordt weggekruid, en in dien tusschentijd hebben de waterdragers volop werk (t.w. met het verwijderen van het grondwater),   Boek d. Uitv. 2, 2, 131 [1865].
2°. Mannelijk pers. die aan waterzucht lijdt. Uitsl. in wdb. aangetroffen.
  SASBOUT [1576].
  HEXHAM [1648 ].
  D'ARSY [1651].
  Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
3°. Voorwerp waarin water bewaard of vervoerd kan worden; inz. wateremmer.
Waterdrager, wateremmer,   Aant. v. G.J. BOEKENOOGEN [c. 1910].
— Waschbord … Waterketel … Waterdrager … Zeepklopper,   SUYVER-LANDRÉ, Beh. d. Wasch 11 [1918].
Waterdrakenwortel. Zie Dl. III, 3214 en nog de volg. aanh.
Calla palustris L. … slangenwortel, water-drakenwortel,   GERTH V. WIJK, Plantnames 216 b [1911].
Waterdrank, drank op waterbasis; inz.: categoriale ben. voor koffie en thee.
Wateragtige Dranken …, gelyk die onder den naam van Koffy en Thee gedronken worden …, ontbinden de Crasis (i.e. menging) van het Bloed, en wassen de Zout- en Olie-deeltjes daar te veel uit, en by gevolg zo zal het misbruik van zulke warme Water-dranken, het schadelykste weezen voor de Vrouwelyke Sexe, die weinig oeffening of beweeging doen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 3, 91 [1757].
Dit Volk tog ("de Engelsche Natie"), … een afkeer hebbende van laffe Waterdranken, bezit ongelyk meer sterkte en vastheid van gestel, dan onze thans leevende Natie,   BERKHEY, N.H. 3, 640 [1773].
Ingevoerde Dranken. Onder deezen zyn voornaamlyk te tellen, de Wynen en Brandewynen, als geestryke; mitsgaders de aftrekzels van Theebladen en Koffyboonen, als Waterdranken,   3, 1528 [1776].
Waterdrempel, hetz. als waterdorpel (zie ald.).
  ZWIERS [1920].
Waterdrenk, drinkplaats, wed. Sinds lang veroud.
Waeter-drenckeAquarium,   KIL. [1599].
— "De waterdrencke", drinkplaats, wel voor vee, op de markt te Wouw, thans verdwenen,   bij V. LOON, Watern. in N. Brab. 68 [aangeh. woorden 1642].
Waterdrieblad, plant (Menyanthes trifoliata L.) behoorend tot het plantengeslacht Menyanthes uit de familie der Watergentiaanachtigen; waterklaver, bitterklaver, ruigbloem, boksboon.
Trifolium aquaticum …, Water-drieblad, Drieblad,   Pharmacopoea Leidensis 19 [1718].
  CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 163 [1831].
  BLANCARDUS, Lex. Med. 945 [1832].
  V. HALL, Kruidtuin 133 [l871]. HEUKELS, Flora 3, 51 [1910].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
Trifolium aquaticum, Boks-boonen, Water-klaver, Water-drieblad,   BLANKAART, Ned. Herbarius 589 [1698].
Ruigbloem, met driebladige Steelen. Dit Kruid is het, dat men by ons gemeenlyk Water-Drieblad noemt, in 't Latyn Trifolium Aquaticum of Fibrinum,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 7, 496 [1777].
Men (kookt) water-drieblad … en alsem … en geve dit vermengd met zemelen te drinken,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 273 [1809].
De Waterklaver …, ook wel water-Drieblad geheeten, is … eene der schoonste planten van ons vaderland. Men vindt deze Gentianee nooit anders dan in of aan slooten of op moerassige plaatsen, vooral op veengrond,   OUDEMANS, Flora 2, 285 [1861].
De waterklaver of het waterdrieblad, een kruidachtige overblijvende plant met 3-tallige bladen en roodachtig witte of zuiver witte, tot een langgesteelden tros vereenigde bloemen,   Vivat's Encyclop. 5344 a [1908].
De volksgeneeskunde (maakt) ter opwekking van den eetlust gaarne gebruik van amara, zooals: … de bekende Berenburgerkruiden, uit een mengsel van alsem, waterdrieblad (Menyanthes trifoliata), kalmoes, gentiaan enz.,   V. ANDEL, Volksgeneesk. 240 [1909].
Hierbij: waterdriebladkroon.
De Zeecentauwer schijnt te trotser, om de vond Der Waterdriebladkroon, op d'oude wierparruiken Der Tritons merkelijk afsteekende in der pracht,   ANTONIDES 1, 100 [1671].
Waterdriehoek. Zie de aanh.
Water-Drie-Hoek … zyn de drie Heemelschen Tekenen de Kreeft, de Scorpioen en de Visschen, welke men ook andersints de waterachtigen Tekenen noemd,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
Waterdrift.
1°. Voorwerp dat op of in het water drijft. W.g. en sinds lang veroud.
Soo wanneer daer eenige geworpen goeden oft waterdrieften worden gevist oft met duijckers vuijtgehaelt, ende dattet schip, daervuijt den worp gedaen is, naermaels gaet verloren enz.,   Cost. v. Antw. 4, 122 [1609].
2°. Strooming (van water).
De … Staeten … hebben … den ouden Wael … doen stoppen en verdrooghen, om aen 't begin van de Schants een feller water-drift te hebben,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 1, 49 a [1654].
Wanneer … by sterke schuuring van het sneläfstroomend water, de Wortelstoelen der gezegde planten gedeeltelyk zyn uitgerukt …, worden zy meeĝevoerd; zinkende vervolgends, het water tot stilstand koomende, met en in de tot dien tyd toe in de sterke waterdrift hangend-gebleeven slibber,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 3, 43 [1783].
3°. Groote aanvoer, aandrang van water.
Dat al de waterdrift, die over de Stichtsse landen sich plaght te lossen, nu … den Sprakeleracker … bedorf en over-deckte,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 232 b [1654].
Waterdriftig, op het water drijvend; zich op het water voortbewegend. W.g. en sinds lang veroud.
Is oock wel boser volck op 't water-driftich ront, Dan dese vier? (t.w. eigen zin, onrust, tweedracht en onvrede),   Vlaerd. Redenr.-bergh 366 [1616].
De Vloot is van het Land, de waterdriftigh' huysen Sijn inde Zee geraackt, ick hoor de stevens pruysen, De zeylen staan gebuyckt,   HOFFERUS 266 [1624].
Waterdrijvend, (geneesk.) (lichaams)vocht afdrijvend; ook bep.: de urineloozing bevorderend.
Men mach de waterdrijvende dinghen ghebruycken … alsser eenich taey grof humeur, in de passagien der vryne is blijve stekende,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 507 b [1604].
Wy (mengden) onder de Wond-drank eenige water-drijvende middelen, die de klonters geronne-bloedt … gelukkiglijk uyt de blaas af-setteden,   R. DE GRAAF, Wercken 105 [vert. 1686].
Deze wyn … is een weinig te zamentrekkende en water-dryvende,   V. RANOUW, Kab. 5, 242 [1721].
Gutta-Gom is een zeer kragtig Waterdryvend Middel, en word des wegens by de Waterzucht en Waterachtige zwellingen … gebruikt,   V.D. HAAR, Geneesw. d. Ziekten 149 [1764].
Ter ontlasting van de overtollige beslootene of uitgestorte water-deelen, zyn van alle tyden Braak- Purgeer- Zweet- en Water-dryvende middelen in gebruik geweest,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 768 [1778].
Peterselie … bezit waterdrijvende krachten,   DE KONING, Vrouwel. Gesl. 320 [1831].
Waterdrinker, waterdrinkster, iem. die (gewoonlijk, of graag) water drinkt. Soms bep.: iem. die geen alcoholhoudenden drank gebruikt; geheelonthouder.
  SERVILIUS, Dict. Trigl. Z 4 r° b [1552].
  PLANT. [1573].
  SEWEL [1691 ].
  HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
Waterdrinker, hond die veel water drinkt,   HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Waterdrijnker. Onthouder van bier en sterke dranken,   LIEV.-COOPM. [1954].
— Als dit vergif (t.w. zekere besmettelijke ziekte) in 't begin alleen over 't grauw en den gemeenen man gingh, pochten de rijke brassers, dat het geen nood en dede, zoo lang 'er niet en storven dan water- ofte bier-drinkers,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 172 a [1654].
Dat de Grieken daarom andere persten tot gelyke bekers, op dat zy