Koppelingen:
Vorig artikel: WATERLOOD Volgend artikel: WATERLOOPKUNDE
GTB Woordenboeken: MNW

WATERLOOP

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: waterloop

znw. m., mv. -en. Uit water en loop (I). Mnl. waterloop. In de bet. 1) ook aangetroffen in den vorm watersloop.
+1.  Het loopen, het stroomen of de bewegingsrichting van water; strooming.
Waterloop. Ruisseau, ou cours d'eau. Aquagium, cursus aquae,   PLANT. [1573].
Waaterloop, de loop van het waater,   V. WINSCHOOTEN, Seeman [1681].
Waterloop, richting van het water in zijnen loop,   V. DALE [1872 ].
Waterloop. De richting, waarin het water zich beweegt uit de natuurlijke ligging der erven,   ZWIERS [1920].
— Dat de schepen naer hen roer niet luisteren … wanneer het roer te smal zijnde, geen waters loop genoeg vatten kan, om het schip te bewegen,   WITSEN, Scheepsb. 261 b [1671].
Groote naerstigheit wierdt gepleegt, om wint en waters-loop te winnen,   299 a [1671].
Het leggen der Amstel-sluis …, hadt de meeste oude Binnensluizen noodeloos gemaakt; waarom de deuren … geligt werden, en de doorvaart en waterloop door dezelven vrygelaaten,   WAGEN., Amst. 2, 59 b [1765].
De waterloop in de groote Barneveldsche beek wordt erg gehinderd door de twee watermolens, die er op staan: een koren- en een pelmolen,   Versl. Landb. 1917, 1, 120 [1917].
+2.  (Meton.) Waterstroom, weg waarlangs het water stroomt of het geheel van beide.
3.  Wateruurwerk. Veroud.
Om nu te weten hoe lange de kloot is onder geweest, soo moet men daar toe eenige nette uurwerkjes hebben, of water loopen, op welck men onfeilbaar tot het minste minuutjen sien kan hoe lange de selve is onder geweest,   WITGEEST, Ton. d. Konsten 88 [1679].
4.  (Ontleedk.) Oude ben. voor zekere buis in het gehoororgaan, de buis van Fallopio.
Aquaeductus Fallopii … De waterloop,   BLANCARDUS, Lex. Med. 144 [1832].
— Dese Trommel … heeft aan beide syden holen, waar van de voorste, die ook de water-loop genoemt werd, sijn opening in 't verhemelte heeft,   BLANKAART, Anatomie 244 [1686].
+5.  (Geneesk., ontleedk.) In eenige veroud. toep. met water in de bet. ‘urine’.
Samenst. Als tweede lid b.v. in: achterwaterloop, voorwaterloop.
Als eerste lid o.a. in: waterloopsklos, (scheepsb.) zie de versch. aanh.
De waterloopsklossen of klossen op de balken. Deze omzoomen het Schip tegen boord op al de Dekken; de naam zelf duidt gedeeltelijk derzelver bestemming aan, ter bevordering van den afloop van het water, dat langs de binnenzijden van het Schip op de Dekken neerloopt; zij vullen den hoek aan, dien Boord en Dekbalken vormen; stellen een verband tusschen deze beide daar, en voltooijen het onderling verband der Balken,   RIJK, Scheepsb. 75 [1822].
  V. LENNEP, Zeem.-Wdb. [1856].
Waterloopsklos. Zware eikenhouten rand, vroeger altyd hol uitgesneden, by den nieuweren Scheepsbouw van 1820, aanvankelijk bolvormig, thans weder meer hol zynde … Met den binnenkant schiet de Waterloopsklos tegenwoordig eenigzins over den Watergang henen; vroeger lag hy er tegen aan. — De bestemming van dit hout beäntwoordt aan deszelfs benaming, dienende het om het water dat van de scheepsboorden afloopt, naar het dek te geleiden, Aant. v.   J. MODERA [c. 1860].
De waterloopsklos ook wel waterkeering genoemd is een verbanddeel dat op de einden der balken van ieder dek tegen de inhouten aanligt. Het is een verbanddeel dat een soort rand maakt die het geheele dek omzoomt,   BADINGS, Zeev. [1880].
  KUIPERS [1901].
Waterloopkunde (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1989.