Koppelingen:
Vorig artikel: WEGEDOORN Volgend artikel: WEGEL II
GTB Woordenboeken: MNW

WEGELI

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: wegel

znw. m., mv. -s, eenmaal ook (t.w. in verheven taalgebr.) -en (zie GEZELLE (ed. BAUR) 1, 490). Van weg (I) met het diminutiefsuffix -el. In Mnl. W. i.v. wegele alleen voor de 16de e. vermeld; in het Cart. van Nicolai Furnensis (ed. Brugge, 1849), p. 146 wordt in een oorkonde van 1332 wel de vorm weghelkin gevonden. Uitsl. in zndl., inz. vl. bronnen. Vaak in den (dubbelen) verkl. wegelke, wegeltje.
+ Weggetje, paadje, (voet)pad.
Weghel. fland. Trames, semita transuersa,   KIL. [1599].
  HEREMANS [1869].
Wegel, (Zuidn.) weg,   V. DALE [1872 ].
— Ledicheyts goddinne, niet zouckende tzuere meest tzoete zonder pyne, dats huer natuere zegghende dat aerbeyd alsdoe vp Tpas huer … behoortste thebben ghezonden, duer dal en weghelkens zochte beddekens Snuutcleerkens speghelkens … en tdier ghelycke,   DE DENE, Test. in Jaarb. "De Fonteine" 30, 118 [c. 1561].
Calamenthe … Die ons Hof aen alle canten Lanckst de wegels hier en daer, Brenght van selfs voort sonder planten,   HONDIUS, Moufe-schans 177 [1621].
Gy weet niet, Lisa, wat hy my eergisteren altemael zegde van eenen schoonen hof, dien hy voor u gaet doen maken …? Van alle schoone bloemen in overvloed, met slingerende wegeltjes en paden!   CONSC., Baes Gansend. 152 [1850].
Nu nam hij zijn sterre op den schouder … en daalde 't wegelke neer, alover de sneeuw naar ginder waar lichtjes brandden,   STIJN STREUVELS, Lentelev. 36 [1899].
De landen gaan open …; De sneeuw krimpt grijs in de voren. De wegel wordt zwart en dan bruin en dan ros,   R. DE CLERCQ, Ged. 102 [1907].
Hij (t.w. zekere strooper) kent … alle schuilplaatsen, alle wegeltjes en holen,   CLAES, Sich. Nov. 45 [1921].
Samenst. Als tweede lid o.a. in: kerkwegel, landwegel, voetwegel.
Als eerste lid in: wegelbladen, gewest. ben. voor de groote weegbree.
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1990.