Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: WEICHSELVLECHT Volgend artikel: WEIDE II
Etymologie: EWA, EWN
Gewestelijke variatie: TNZN
GTB Woordenboeken: MNW

WEIDEI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: weide

WEI, WEE, WEEDE —, znw. vr., mv. -n. Een enkele maal zijn ook de nevenvormen waai en waaide aangetroffen. Onfr. weitha; mnl. weide; mnd. weide; ohd. weida ‘voer, voedsel’, nhd. weide. De etym. is omstreden. Gewoonlijk (o.a. FRANCK-VAN WIJK [1976]; D.W.B.) wordt het woord in verband gebracht met ohd. weida ‘jacht, vischvangst’ < germ. * waipio naast oe. wād ‘jacht, het rondzwerven’ < germ. * waipo. DE VRIES, N.E.W. [1971] acht aansluiting bij mnl. wede ‘kreupelhout, struikgewas’ en ‘teen, twijg’ waarschijnlijker. Zie verder de etym. wdb.
De bet. ‘jacht; vischvangst’ is bij het simplex niet aangetroffen, echter wel in een aantal afl. en samenst.; zie ook bij weiden (I), III, 11) voor de bet. ‘jagen’.
+1.  Wat tot voeding dient; voedsel, eten. Sinds lang veroud.
+2.  In toep. op het gewas dat of de gewassen die tot voedsel dient of dienen. In eenige nuances.
+3.  Plaats waar plantenetende dieren hun voedsel vinden; inz. een met grassen en klavers begroeid stuk land bestemd om door het vee te worden begraasd; weiland; ven(ne), fenne.
  APHERDIANUS, Tyroc. 49 [1552].
  HEXHAM [1648].
  MARIN [1701].
  V. DALE [1872 ].
+4.  Het vrije veld; het (vlakke of licht heuvelige) open land buiten de steden en dorpen; landouw. Inz. in dichterlijk taalgebr.
+5.  Wagenvracht; voer. In dezen zin oorspr. fri., vgl. WALING DIJKSTRA, Friesch Wdb.
6.  Het onder toezicht laten grazen, het hoeden (van vee). Slechts eenmaal aangetroffen. Vgl. ook D.W.B. 14, 1, 1, 548, waar deze bet. ook voor het hd. als w.g. wordt opgegeven.
Die held … Die vee en menschen hoed, die wandelt in de schreden Van dien vernuftigen, dien harder die het vee Een' bondgeplekte verw door d'oogen drinken dee, En kreeg 't bezworen loon van zyne trouwe weyde,   DULLAERT, Ged. 135 [1661].
7.  (Vlasserij, Vl.-België) Het droogterrein rond de vlasroterij.
  BROUWERS, Vlasserij 143 [1957].
— 't Vlas zat in de rootputten of was reeds getrokken en het lag te drogen op de weiden,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 174 [1907].
Afl. Weidelijk (zie ald.).
Weideling, door KIL. opgegeven ben. voor een bep. soort roeiboot, sloep. Hetz. als wegaak, wegschuit.
Weydelinck, germ. sax. sicamb. Cymba, scapha, alueus, linter, lembus,   KIL. [1599].
Weiden (zie ald., het eerste art.).
Weidsch (zie ald.).
Samenst. Als tweede lid o.a. in: bevloeiingsweide, bijenweide, drijfweide, grensweide, klapweide, koeweide, kunstweide, naweide, ontginningsweide, stadsweide, stoppelweide.
Als eerste lid in: wei(d)aak, klein, platboomd vaartuig. Hetz. als wei(d)schuit.
Waerdigh isset om te loven, Daer mee peerd' me voort na boven, Nu den wey-aeck eens ghemant, Brood en haver brenght na land,   HERCKMANS, Zeev. 230 [1634].
Willem v. R. zijn wijaek opgewonde K 1-0-0,   SMIDT, Rekeningb. 16 [1776].
Weideaarde.
Men neemt een pot … en vult die met zeer fijne, wèl gezifte heide- of weideaarde,   Schatk. v.a. St. 1845, 2 [1845].
Weideanemoon, ben. voor Anemone pratensis L., ook veldanemoon geheeten.
  KUIPERS [1901].
Weidebedrijf, (abstr.) de werkzaamheid van het exploiteeren van grasland; in de aanh. (concr.) boerderij die grasland exploiteert.
Het gemengde bedrijf leent zich uit den aard der zaak zeer goed voor eene meer of minder sterke wijziging in de richting akkerbouw. Alleen in de meer zuivere weidebedrijven in het zuidwesten der provincie durfde men zelf soms de zaak niet aan en droeg het werk op aan iemand, die zich speciaal met het scheuren belastte,   Verb. op gesch. Grasl. (Publ. Dir. Landb. 1918) 17 [1918].
Wei(de)beest.
1°. (Mv.) Dieren die men houdt op grasland, zooals koe, schaap en geit.
Iacob treckende naer Mesopotamien, ende wederkeerende met vrouwen, kinderen, ende wey-beesten, is dese riviere (de Jordaan) ghepasseert,   SURIUS, Pelgrim 345 [1653].
Over de kudden van het vee, en weybeesten, zijn Pales en Inuns de behoeders,   OUDAAN, Arnobius 195 [1677].
In den zomer als den tyd hun (de landbouwers) niet toelaet hunne beesten tot het weiden langs de kauters of op de weide te laten, kunnen zy hunne weibeesten op de boomgaerden laten loopen,   Akkerbouw 25 Maart 1849, 2 b [1849].
2°. Rund dat bestemd is om in de weide vetgemest te worden; vetweider. In tegenst. met de koe die voor de melkproductie wordt gehouden, ook wel in tegenst. met stalbeest.
  MOLEMA (hs.) [1895].
  BOEKENOOGEN [1897].
  CORN.-VERVL. [1903].
  LANDHEER [1955].
  GOOSSENAERTS [1958].
  DE BONT [1958].
— Het geslacht vleesch van eene weibeest is geler van kleur dan dat van eene stalbeest,   CLAES, Bijv. op TUERL. [1904].
Wei(de)bleek.
1°. Grasveld waarop men goed te bleeken legt; bleekweide.
Aende sijde bijde stat mer, liep die mer die tsschen de weij bleijck ende ons cloester stont soo seer inwart datment hijs … niet en cost setten noch men en soude oock gheen open vensters hebben connen maecken,   voor V. LOM, Lied. (ed. WIJNGAARDS) 75 [na 1622].
2°. Het op een grasveld bleeken van textiel.
  KUIPERS [1901].
— De weidebleek. Bij de weidebleek of natuurlijke bleek (blanchiment naturelle; blanchiment sur des prés; Rasenbleiche, Sonnenbleiche; meadow-bleaching), maakt men gebruik van de oxydeerende werking, welke de zuurstof der lucht, en in het bijzonder het daarin bevatte ozon, geholpen door vochtigheid, op de vezelstoffen uitoefent,   KRECKE, Chem. Technol. 525 [1881].
Wei(de)bloem, wei(de)bloempje.
1°. Bloem die in de weide groeit, inz. de enkele madelief (Bellis perennis L.).
  MARTIN [1829].
  V. DALE [1872 ].
  JONGENEEL 71 [1884].
Bellis L. Bellis perennis L. Madeliefje … Vennebloum — Gr. Weejeblumke — Z.L. Weibloempje — Z.L., Wal., Z.-Vl. enz.,   HEUKELS 37 b [1907].
  CORN., Bijv. [1938].
  GHIJSEN [1964].
  SCHELBERG 485 b [1979].
— Wanneer weibloemen, weegbree of ander onkruid zich tusschen het gras openbaare, moet zulks uitgewied worden, anders rypt hun zaad en verspreidt zich,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 133 [c. 1800].
Den schoot vol gele weidebloemen, zit Het kleine meisje bij den bruinen poel,   HÉL. SWARTH, Beelden en Stemmen 66 [1887].
Dit laatste woord (t. w. "Vennemaand") zou volgens enkelen in verband staan met foenum, het Latijnsche woord van ons hooi, maar volgens anderen — en dit is waarschijnlijker — staat het in verband met ons fenne, dat weide beteekent, een woord, dat nog overig is in de samenstelling fenland en fennebloem, welk laatste madeliefje, weidebloempje, beteekent,   DRIJVER, Mozaïek 106 [1906].
2°. Dotterbloem (Caltha palustris L.).
  CHOMEL [1777].
  HEUKELS 50 b [1907].
3°. Ganzebloem, margriet (Chrysanthemum leucanthemum L.).
  HEUKELS 65 a [1907].
Weideboer, boer met grasland; veehouder, koeboer.
Steeds eene voldoende weide te hebben en ook door beweiding het ontstaan dier oude bossen te voorkomen, maakt de kunst van een goeden weideboer uit,   REINDERS, Landb. 2, 368 [1893].
Men behoeft slechts een blik te slaan in het bedrijf van den weideboer, om te begrijpen, hoeveel hinderpalen zijn te overwinnen om een gedeelte van zijn land in bouwland om te zetten,   Rapport Land- en Tuinb. 1, 65 [1921].
Weideboksbaard, soort van het plantengeslacht Tragopogon; beemdboksbaard, morgenster.
  V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868].
Weideboom.
1°. Liggende, uitneembare boom, staak of balk ter afsluiting van een weide (W.B.D. 1, 2, 233 a [1967]).
2°. Boom die in de weide groeit, inz. de wilg (Salix). Alleen in de wdb. van PLANT. [1573] tot MEYER, Woordenschat [1805].
Wei(de)boter, boter die gemaakt wordt als de koeien in de weide loopen; grasboter, i.t.t. stal- of hooiboter.
  DE BONT [1958].
— De stalvoederings-boter is zoo goed niet als de weide-boter,   ENKLAAR, Handb. Landb. 301 [1854].
Weidebouw, het exploiteeren van weiland.
  V. DALE [1872 ].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
— In de Weidebouw van C.F.W. Jeppe komt voor, dat de grond voor den karweibouw zwart, los en vet moet zijn,   Boeren-Goudmijn 4, 2, 24 [1858].
Streken waar de aardappelbouw van geringe of zeer geringe beteekenis is, omvattende de kleibouwstreek in Groningen, alsmede alle streken met overwegenden weidebouw, als het zuidwestelijk deel van Friesland enz.,   Versl. Landb. 1910, 3, IX [1910].
In het eindrapport legt de commissie nadruk op de wenschelijkheid om den akkerbouw ten koste van den weidebouw uit te breiden, als zijnde het voornaamste middel om de productie te vergrooten,   a.w. 1916, 1, 113 [1916].
Wei(de)cedule, schriftelijke last- of kennisgeving m. betr. t. de (stads)weiden.
Op den 20 Dito. Had de Magistraat, in agtervolging van de Resolutie van den 3 Mey 1594. en verscheide successive Weycedulen, den Buytenluyden, die binnen deser Stadt Schependom woonen, geaccordeert het inbranden haerer beesten,   SCHRASSERT, Beschr. v. Harderw. 2, 177 [1732].
Weidechampignon, eetbare paddestoel die in weiden groeit; thans vooral als gekweekt product en kortweg champignon genoemd; kampernoelje (Agaricus, resp. Psalliota campestris of pratensis).
  CHOMEL [1777].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 40 b [1911].
Weidedier.
Op de witte klavervelden en op de kwelders in de bouwstreken is het schaap wel het meest geschikte weidedier, dat ook bij sterke droogte en brandende zon zich rustig houdt en spoedig vet wordt,   Onderz. Landb. 1886, 23, 15 [1890].
Weidedravik, tot de zwenkgrassen behoorende grassoort (PIPERS, Landb. -wdb. [1911]).
Weide-egge, landbouwgereedschap voor het bewerken van weidegrond; ketting-eg.
Ter … vergadering … is mij gevraagd in welke fabriek Laacke's eggen vervaardigd worden. Handelaren … hadden … te kennen gegeven, deze eggen niet te kunnen leveren. Ietwat vreemd, daar in 1887 … Laacke's weide-eggen met het praedicaat "beste" bekroond en in tal van hoogduitsche vakbladen bij herhaling geadverteerd zijn!   Ts. Nijverh. 1888, 1, 292 [1888].
Behalve de gewone kettingeggen zijn daarvoor (t.w. voor het overeggen) thans ook bepaalde weideeggen, waarvan de tanden uit hard staal bestaan, in gebruik. Wij noemen daarvan Laacke's weide-eg,   REINDERS, Landb. 2, 358 [1893].
Weidenerts, soort ijzererts die gevonden wordt in vlakke landstreken, dalen, moerassen e.d.
  KUIJPER, Technol. 1, 20 [1861].
  V. DALE [1898-1914].
— In de ertsen komt het ijzer gebonden voor aan … zuurstof en water tot ijzeroxydehydraat, waartoe behooren de Bruinijzersteen of Bruine glaskop en het meestal phosphorhoudende IJzeroer, Moeras-, Weiden- of Zodenerts,   V.D. KLOES, Smid 1 [1908].
Weidegang.
1°. Het (doen) gaan naar en (laten) begrazen door het vee van de weide, inz. beschouwd als voedingswijze tgov. (zomer)stalvoedering.
Bij gelegenheid, dat wij over de voedering van het vee handelen, behoort vooral ook de weidegang en zomer-stalvoedering ter sprake gebragt te worden,   ENKLAAR, Handb. Landb. 300 [1854].
Schapen moet men gedurende den weidegang dagelijks ten minste eenmaal, bij de stalvoedering zeker 2 maal gelegenheid geven om den dorst te lesschen,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 14 [1871].
In van besmetting verdachte kringen kan dus de weidegang in het voorjaar niet plaats vinden en wil men gedurende den weidetijd isoleeren, dan moet het zieke en verdachte vee worden opgestald,   Versl. Landb. 1916, 4, 82 [1916].
Recht van weidegang, het recht tot beweiding van gronden anders dan krachtens eigendom of overeenkomst (zie verder WEIDERECHT).
Dat de bewoners van Peij, Slek en Lilbosch dat recht van weigang sedert onheuglijke jaren … hebben uitgeoefend,   Weekbl. v.h. Recht 23 Febr. 1898, 2 b [1898].
2°. (Meton.) Versch voer dat het vee krijgt toegediend.
Voeding. — Het vee heeft des zomers weidegang, doch keert op het midden van den dag en des nachts naar de stallen ter mestbereiding terug, waarbij het in den herfst met spurrie en knollen bijgevoederd wordt,   Onderz. Landb. 1886, 6, 19 [1890].
Weidegang als kalf- en het gebruik van gekneusde haver als krachtvoeder, zoude zeker een beter dier leveren en minder geld kosten,   a.w. 13, 14 [1890].
De voedering is 's zomers voor alle paarden weidegang of gemaaide roode klaver,   Versl. Landb. 1909, 6, 30 [1909].
3°. (Meton.) Periode dat het vee in de weide loopt.
Valt de springtijd … in den zomer of in den weidegang, dan worden de schapen des nachts geperkt in de bepaalde afdeelingen, en de ram slechts des nachts toegelaten,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 706 [1871].
Bij weidegang drinkt het vee uit de slooten, die de weidelanden omgeven,   Onderz. Landb. 1886, 18, 14 [1890].
De weidegang leverde derhalve een goede compensatie voor de nadeelen der stalperiode,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1916, 14 [1916].
Weidegeelster, soort uit een lelieachtig plantengeslacht (Gagea pratensis of G. stenopetala).
  Ned. Plantennamen 25 [1906].
Wei(de)geld, geldelijke vergoeding voor het gebruik van weidegrond(en).
  HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
  TER LAAN [1952].
— Ontfangen van den koewen, perden ende runderen …, soe van weygelt ende van den verkofften beesten, vz. 566 gl. 8 st. 3 oirt,   Rek. v. Nijm. 8, 160 [1543].
Dat … alle planters … voor yder paart en coebeest … voor 't gebruyk van de wey sullen moeten betalen de somma van drie guldens …; gelijk ook de ingesetenen van Paramaribo voor weygelt sullen moeten betalen vijffentwintig stuyvers 's jaarlijx voor yder paard ende koebeest van ses maanden oud die van haar alhier ter weyde loopen,   Westind. Plakaatb. 1, 216 [1697].
Van twee andere Koeijen had ik f 50:— van een Kalf-Koe f 40:— en van de 2 Paarden f 60:— dus in dit derde jaar weder aan Wei-geld f 297:—,   Verh. Maatsch. Landb. 5, 1, 65 [1788].
Ik zal het weigeld van je koe op veertig stellen, het gras is duur, maar, jij bent alleman niet,   CREMER 1, 249 [1856].
Wei(de)gemeente, weiland dat de bewoners van een dorp of stad gemeenschappelijk bezitten; vgl. weide (I), 3, b, η).
Op 15 Dec. 1603 werd door de regeering der stad (Rhenen) verhuurd "die stadts weygemeente, t'Achterberch leggende" voor de 3 eerstvolgende jaren,   V. ITERSON, R. Gr. Utr. 49 [aangeh. woorden 1603].
Men transporteerde "een hofsteede … met de gerechtigheid in deser stads wey-gemeente als van ouds … voor vrij allodiaal goed",   36 [aangeh. woorden 1790].
Weidegerechtigd, (bnw.) het recht hebbend de gemeenschappelijke weide te gebruiken; ook in zelfst. gebr. in toep. op den rechthebbende. Vgl. ook weide (I), 3, b, η).
Op haar eigendomsrecht (t.w. dat van de gemeente Woudenberg) zou inbreuk zijn gemaakt door de 5 eerste gedaagden, "zich qualificerende als weigeregtigden tot die meent en als commissie, belast met de uitvoering van het plan tot hare verdeeling",   V. ITERSON, R. Gr. Utr. 409 [aangeh. woorden 1871].
Bij de zetting van 1820 komen … als weigerechtigd voor vele huizen,   Versl. Vereen. O. Vad. Recht 2, 249 [1892].
Het getal weigerechtigden verschilde natuurlijk naarmate de hofsteden in verschillende handen kwamen,   2, 251 [1892].
Wei(d)gereedschap, jachtuitrusting.
Een conterfijtzel van Magdalena S., … een schilderij weygereetschap, alle de glasgardijnen en gardijnroeden en de roeden van de bedsteden, gelijk ook mede alle leggende en staande haartijzers en haarden tot het voorsz. huys behorende,   in B.H.G. 72, 188 [1685].
Weidegewas.
In den zomer van 1907 werden drie lessen gegeven in het schoollokaal en drie in het veld, om aan de leerlingen verschillende onkruiden en weidegewassen te leeren kennen,   Versl. Landb. 1909, 1, 67 [1909].
Weidgezel, jachtgenoot.
Al doen de Vriesen, de kerssoukens verdwynen, De weytghesellen, en derven nu niet claghen,   A. BIJNS in Leuv. Bijdr. 4, 336 [voor 1540].
Wei(de)graaf, opzichter over de gemeenschappelijke weide of stadsweide. Reeds mnl.
  HALMA [1710].
  HALBERTSMA, Wdb. v.h. Ov. in Overijss. Alm. 1836 [1836].
  V. DALE [1872 1914].
  DRAAIJER e.a. 61 b [1936].
— Item vant erf in de meent mach men opslaen zooveel schaeren als men aldaer op het erf wassende, mach uytvoeren …, alle jaer op … visitatie van de weygraven,   in V. ITERSON, R. Gr. Utr. 384 [1594].
Twee anderen (t.w. uit het "Kollegie der Gemeents luiden") zyn Stads Weide-Graven of Opzigters over de Stads Weiden,   Teg. St. d. Ver. Ned. 3, 367 [1741].
De aannemer (zal) gehouden zijn de voorschrevene gemeente … af te vreden, in dier voege als zulks door de weigraven wordt goedgekeurd,   Versl. Vereen. O. Vad. Recht 2, 262 [Woudenberg, 1844].
Wei(de)gras, gras dat op de weide groeit; ook als specifieke grasssoorten: Poa pratensis L. (DE BO, Kruidwdb. [1888]) of (veld)beemdgras, P. trivialis L. (VANDENBUSSCHE, Volkst. Kruiden 449 [1955]) of ruw beemdgras, P. nemoralis L. (Boeren-Goudmijn 1, 1, 376 [1855]) of boschweidegras.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  V. DALE [1872 ].
G. Die man heeft wel verdient, dat hem met wagens vol Den lof werd' toeghevoert … P. Die … int vlack Nederlandt geleydt heeft … Het vreemdt Latijnsche Vee, end' doet die schapen … Neerlandtsch weygras eten,   V. MIJLL voor V. MANDER, Bucol. A iij [1597].
Wei gras; is een zoort van Gras, dat in Engeland veel gebruikt word, om van 't zaad nieuwe weilanden toe te stellen, voornamelijk in zodanige gronden, die uit haar natuurlijken aart … dor en onvrugtbaar zijn,   CHOMEL 2915 b [1773].
Ik (t.w. een hert) zal u de aengenaemste broeken, En 't beste weigras toonen aen,   CONINCKX, Fab. 137 [1808].
Weidegras, klaver, luzerne, wikken, haver en boekweit,   Boeren-Goudmijn 1, 1, 330 [1855].
Weidegroen.
1°. (Bnw. en znw.) De kleur van een grazige weide (hebbende).
  DES ROCHES [1769].
  V. DALE [1872 ].
— Het dorpke stond daar, d'helft tegen 't binkend hemelblauw, d'helft op 't nieuwe weidegroen, net lijk geschilderd,   STIJN STREUVELS, Lentelev. 87 [1899].
2°. Uit koperoxyde bereid pigment voor waterverf; watergroen (V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868]).
Wei(de)grond, braakliggende, veelal laaggelegen, vochtige en vettige grond, waarop men het vee laat grazen; in dezen zin aangetroffen in eenige wdb. Vervolgens ook in toep. op (een stuk) in cultuur gebracht grasland voor beweiding door het vee.
  V. DALE [1898].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
— Bovendien moet men in aanmerking nemen … dat het weiden van Paarden eindelijk den weigrond uitmergelt, terwijl de Ossen de weiden vet maken en verbeteren,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 367 [1810].
Achter den aangewezen loop van deze Conceptvaart begint, digt aan Zee, de zoogenaamde Harstenhoek, zijnde eenige teel- en weigronden, door wijlen den Landman Van der Harst … ontgonnen,   Verh. Maatsch. Landb. 18, 59 [1826].
't Was maar een weidegrond, maar ik heb er een goed weiland van gemaakt, ce n'etait qu'un pâtis, mais j'en en fait un bon pâturage,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
De zes soorten van dit geslacht … strekken hun winterreis uit tot in Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Nieuw-Holland. Zij bewonen uitgestrekte, moerassige, open vlakten, vochtige en natte weidegronden en ook heidevelden,   BREHM-HUIZINGA 2, 432 a [1910].
Je zag op een weigrondje tusschen boomen,   SCHART.-ANT., Sprotje 3, 100 [1910].
Weid(e)haver, Fransch raaigras (Avena pratensis L.; Arrhenatherum elatius M. et K.).
  WEIDENBACH [1808].
  KUIPERS [1901].
  HEUKELS [1907].
— Deeze Weid-Haver (verschilt) ook van de Ruigachtige weinig, dan doordien de Bladen niet vlak, maar ingerold zyn,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 13, 357 [1782].
Weidehaver. Eene grassoort die ook Knooppeem en Paternosterpeem genoemd wordt,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
Weidehavikskruid, ben. voor Hieracium pratense.
  Ned. Plantennamen 29 [1906].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 642 a [1911].
Wei(de)hoek, landstreek die grootendeels of geheel uit weilanden bestaat.
Alsoo de Ingesetenen van Harderwijck sterck sijn geërft in den Arcke-Mehen, de beste Wey-hoeck van de Veluwe; soo hebben deselve van overlang het regt gehad … om een bysonderen Heymraad … te stellen,   SCHRASSERT, Beschr. v. Harderw. 1, 164 [1730].
In het Ampt van Ermelo, legt de Buurschap Byssel, een vette weihoek, zo genaamd naar het Heerenhuis Byssel,   Teg. St. d. Ver. Ned. 3, 499 [1741].
Wei(d)hond, jachthond.
Den leene behoort toe de brugghe van der mote … ende alle edificien ende boomen … de poorte ten nederhove …, alle dartillerye, harnasch …, taerwe ende andere vruchten ende zaeden ghezaeyt in de landen … metgaders de visschen in de waters, twee swanen up de grachten of vivers gheteeckent metten teekene van den dooden, de conynen van de warande, die weyhonden gheteeckent metten marcke van den dooden,   Cout. Salle et Chat. d'Ypres 1, 180 [1535].
Behaudt … de weyhonden ende voghelen gheteekent met den teeken ofte marlge van den overledene,   Cost. v.d. Ouderb. v. Gent 17 [1546].
Weidehooi, van grasland verkregen hooi, in tegenst. tot b.v. hooi van klaver, haver en rogge.
De kalveren ontvangen voorts goed weidehooi als toevoer,   REINDERS, Landb. 3, 203 [1895].
Weidehuur, geld te betalen voor het gebruik van weiland.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1884 ].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
Wei(de)jaar, jaar m. betr. t. den groei van het gras op de weilanden. Reeds mnl. in een andere bet.
  GOOSSENAERTS [1958].
— De achteruitgang van den veestapel moet worden toegeschreven … aan de slechtere voeding van het vee in de laatste jaren en voorts aan de laatste 5 slechte weijaren,   Onderz. Landb. 1886, 5, 8 [1890].
Wei(de)kamp, (afgesloten of door water omgeven) stuk grasland, weiland. Reeds mnl.
  W.B.D. 1, 2, 211 a [1967].
  HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
— U vee sal in dien dage den breeden weytcamp afweyden,   Bijbel v. Liesveldt, Jes. 30 E [1526].
Van noch een weycampken wesende eensdeels gryendt …, leggende binnen die soemerdijck van de Wercken,   R.G.P. 140, 347 [1568].
In (1438) … heeft Arnald eenige wey-kampen in de Kerspelen van Putten en Nykerk aen Reyner Henricks en Geeraert Snapper voor 200. Rhijnsse goud-guldens verzet,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 232 a [1654].
Die weidekampen om te scheuren en, waar het noodig is, diep te doen spitten; het koppelbedrijf voor de wisselbouwerij te doen plaats maken, en alzoo het bouwland van tijd tot tijd met klaver- en grasbouw te doen afwisselen,   Land-ontginning 50 [1850].
Wei(de)kampernoelje, hetz. als weidechampignon.
  WEIDENBACH [1808].
— Ghelijck dese in het Nederduyts ghenoemt zijn Wey-fungi, oft Wey-campernoelien, in 't Latijn Fungus pratensis, in 't Italiaens Pradelli, in 't Frans Schampinions, om dat dese ghemeynelijck op de vlacke velden, ende in weyden te vinden zijn,   V. STERBEECK, Toon. d. Campern. 28 [1675].
Wei(de)kers, pinksterbloem (Cardamine pratensis L.).
  VANDENBUSSCHE, Volkst. Kruiden 169 [1955].
— Straks is de Winter voorbij. Straks tikkelen langs de groene meerschen de madeliefjes, de weikerskens en de sleutelbloemen,   TEIRLINCK, Serjansz. 293 [1908].
Weidekervel, schermbloemig plantengeslacht (Silaus pratensis of S. flavescans).
  HEIMANS en THIJSSE, Flora 167 [1899].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1253 a [1911].
Weideklaver, gewone roode klaver (Trifolium pratense L.).
  CHOMEL [1777].
  MARTIN [1829].
  V. DALE [1872 ].
— Roode Klaver (Trifolium pratense). … Men onderscheidt twee verscheidenheden: wilde roode of weideklaver (Trifolium pratense perenne), en Brabantsche, Spaansche of zaaiklaver (Trifolium pratense sativum),   REINDERS, Landb. 2, 292 [1893].
Weideklokje, ben. voor Campanula patula L.
  Ned. Plantennamen 11 [1906].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 228 b [1911].
Wei(d)knecht, knecht die bij de jacht den jager behulpzaam is in het verzamelen van het geschoten wild e.d.
Alle onkosten en teiringen, de welcke plagten te geschieden in het schieten van den Gaey, ofte door de Wey, ende Jacht-knechten,   in STALLAERT 3, 711 [1672].
Den Palatijn begeerte hebbende om desen (t.w. een hert) in de jacht te krijghen, dede sijne edele vassaelen ter selver eynde begroeten, ende alle sijne Wey-knechten met de ghewoonelijcke jacht-ghewanten veerdigh sijn,   V.D. HOUCKE, Ned. Sus. 244 [1676].
Weideknoopkruid, ben. voor Centaurea jacea L.
  HEUKELS 59 b [1907].
Weid(e)koe, mestkoe, vetweider; tgov. melkkoe.
Dat de koe van stonde aan rustig werd, geen teekenen van tochtigheid meer liet blijken, en meer melk begon te geven; of zoo het eene weidkoe was, spoedig begon te groeijen,   Boeren-Goudmijn 4, 1, 303 [1858].
Het hoofddoel van de veehouderij is de melk, maar in het oostelijk deel der gemeente wordt ook veel vetweiderij gedreven. Het jonge vee wordt gehouden tot aanvulling bij verkoop van vare- (weid) koeien, en om het drachtig in den handel te brengen,   Onderz. Landb. 1886, 24, 9 [1890].
De koeien, die verderop loopen, zijn weidkoeien (koeien, die vet gemaakt worden in de wei),   DE VRIES, Westfri. Woorden 10 [1909].
Weidekomijn, karwij.
  RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven [1866].
Wei(d)korf, mand voor op de jacht mede te nemen proviand of om het geschoten kleinwild in te bergen (?).
Noch een weykorffken met 3 oerrenen ind 2 scheeren, daertoe een holten ell,   in Bijdr. Gelre 31, 194 [1556].
Weidekringzwam, eetbare plaatachtige steelzwam (Marasmius oreades).
Den paddenstoel … kunnen wij ook met een gerust geweten ter toebereiding aan onze lezers aanbevelen, het is de Weide-kringzwam, Marasmius oreades, die in ons land algemeen in weilanden, parken en tuinen en langs wegen voorkomt, meestal in dichte kringen bijééngroeiend,   COOL en V.D. LEK, Paddenst. 97 [1913].
Wei(de)kroft, door afgraving van het zand voor weiland geschikt gemaakte hooge zandgrond (vgl. KROCHT (I), Dl. VIII, 299 en AFZANDEN, Dl. I, 1947).
Om deze drie goede hoedanigheden word die veel in en omtrent Moes-hoven geplant, tot beluwing der gezaeide Kruid-gewassen: daerenboven plant men de zelve rondom afgezande wei-kroften,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 196 [1737].
Weidekruid.
Een aantal weidekruiden, waarvan poelruit, kleine boterbloem, Engelsche distel enz.   … de voornaamste zijn, Versl. Landb. 1917, 1, 45 [1917].
Weidekwelder, buitendijksch land waarop men het vee laat grazen.
Te verkopen in den Andel gelegene landeriën, als 5 juck binnenland …; nog 4 juk uiterdijk, 5 juk hooiquelder, 6 juk weidequelder,   in DE BLECOURT, Beklemr., Bijl. LXXI [1743].
Weidelam, lam van een weideschaap (zie ald.). Vgl. echter ook weilam, bij WEI (I), Samenst.
De vergelijking van de weide-lammeren tegen de gestalde heeft doen zien, dat de laatste algemeen sterker ontwikkeld waren,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 68 [1861].
Wei(de)land. Zie WEILAND.
Wei(de)loon, hetz. als weidegeld.
De rundveerekening wordt … gedebiteerd voor de waarde van den veestapel …, terwijl ik voor het gebruikte gras in den zomer eene som als weiloon in het debet breng. In het credit komt nu de opbrengst van boter,   Boeren-Goudmijn 4, 1, 86 [1858].
Wei(d)lust, wellust, zingenot.
Doch de verdorventheid dezer eeuwe laat de vleeschlyke weylust onstraflyker pad bewandelen,   Verr. Hippol. 104 [1711].
Weidemaand. Zie WIEDEMAAND.
Wei(d)man. Zie WEIDMAN.
Wei(de)meester, opzichter over de stadsweiden. Reeds mnl.
Item voirt wyllen de gemeene borgeren en ghilden, dat die xlviij gesworen meente an hem holden ende verdoen sullen alle desse offitien, als brugmeister, paelmeister, weydemeister … en dergelycken,   Kamper Kron. 2, 30 [1519].
Die Weymeesters … en sullen geenderhande beesten mogen aannemen om te weyen opte meente, dan die daar toe geprivilegieert zyn,   Utr. Placaatb. 3, 1102 a [1546].
Dese Schepenen hadden wederom de volgende Departementen, twee aan twee, dat is, eene uyt de hoge en eene uyt de lage Bancken te samen, als Werk-meesters, Weyde-meesters (die toen mede, anders als nu, de sorge des Gepoots was aanbevolen) Haven-meesters enz.,   SCHRASSERT, Beschr. v. Harderw. 1, 86 [1730].
Weidemergel, mergelachtige zoetwaterkalk van de jongste formatie (V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868]).
Wei(d)mes, jachtmes. Reeds mnl.
  LAMBRECHT, Naembouck [1546].
  V. DALE [1872 ].
— Dirck … was eyntelick … wederomme in 't huys gelaten aldaer hij terstont … zijn brootmes uuytgetogen ende den voorsz. Jan C. bij den hals gegrepen zeggende: weert U mijnre! zulcxs dat dezelfde Jan … hem hadde moeten defenderen ende uuytrekkende een cort weymes om daermede de steecken van den voorsz. Dirck van hem te keren,   in Z.-Holl. Stud. 5, 73 [1547].
Sijn eetmes (dat van Karel den Groote) hebbe ick daer ghesien groot als een weymes,   V. VAERNEWIJCK, Hist. v. Belgis 136 a [1566].
Dat duiveltje, zo dra ik het in 't hol gejaagd had, stiet het een brave rammelaar in 't net, Ik dadelyk met myn weimes, 't geen ik 'er expres toe had esleepen, Opende hem zyn strontpens,   V. FOCQUENBROCH 2, 60 [c. 1665].
Het weimes of blad is een mes van 15 duim lang, 3 duim breed en aan den rug 1/3 duim dik, met eene greep zonder beugel, en wordt gedragen in eene leêren scheede, welke met metaal beslagen is. Bij de jagt bediende men zich van dit mes … tot het vaneen snijden des wilds, tot het uitslaan der horens … en droeg het op de regterzijde aan eenen haak in den hertsvangerskoppel,   THON-BOMHOFF, Jagersschool 139 [1835].
Hierbij: wei(d)messlag, slag, klap met een jachtmes.
Elke misslag in de taal, verrigtingen en gebruiken der jagers werd namelijk bij groote jagtpartijen met eenen weimesslag op de volgende wijze gestraft. De overtreder moest zich over een jaagbaar hert of een groot varken leggen en ontving … 3 ponden of slagen met het weimes op den achterste,   THON-BOMHOFF, Jagersschool 139 [1835].
Weidemier.
De Gele Weidemier (Lasius flavus), bekend door hare zeer pijnlijke beten, bouwt nesten in den grond op weiland,   BREHM-HUIZINGA 3, 441 b [1910].
Weide-onkruid.
De distels waervan er vele voorkomen …, staen allen als weide-onkruiden in dezelfde betrekking tot den landbouwer, namelyk, dat hy er op bedacht is ze te vernietigen,   Akkerbouw 1 Maart 1857, 2 c [1857].
Ik merkte … op, dat op die plaatsen, waar de granen slecht stonden …, de graszaden uitmuntend opkwamen, terwijl overal, waar de rogge of haver goed stond en de rijen gesloten waren, hunne plaats door onze gewone weideonkruiden was ingenomen,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 20 [1859].
Weid(e)-os.
  MOLEMA [1887].
— Een gelubd kalf heet os, en een gesneden springstier bulos. Men spreekt hier overigens van magere of weidossen, en vette ossen, die gevetweid zijn,   BOUMAN in Landbouwcour. 1863.
Weidepaal, paal voor het afrasteren van een weide.
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  GOOSSENAERTS [1958].
  DE BONT [1958].
— De walvischvangst is geheel weg; terwijl Hamburg nog 10, Bremen nog 6 schepen ter walvischvangst uitzendt, blijft ons het verdriet van die geheele vangst, welke enorm vertier gaf, niets overgehouden te hebben dan de palen langs den Amstelveenschen weg en al de weidepalen, nog van walvischbeen,   R.G.P. 30, 393 [1820].
Weidepad, (voet)pad naar of door een weide.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  PIPERS, Landb. -wdb. [1911].
Wei(de)paspoort, (bewijs van) vergunning om op bep. gronden zijn vee te mogen laten grazen. Vgl. ook weidereglement.
Om uit hoofde der expiratie … van de … voor het houden van zitdagen tot afgifte der wei-paspoorten bepaalden termijn, dezen termijn voor dit jaar als gewijzigd … te beschouwen,   Bijv. Stbl. 1836, blz. 297 a, Zeel [1836].
Weidepieper, akker- of veldleeuwerik (Anthus pratensis); graspieper.
  KOENEN [1920].
Weidepimpernel, groot sorbenkruid (Poterium officinale).
  HEUKELS 198 b [1907].
Wei(de)plaats.
  WEIDENBACH [1808].
— Alsoo wij … ondervonden hebben dat eenige moetwilligers haer niet ontsien … alwaer de beste ende schoonste weijplaets, voor de treck ende melckbeesten te vinden is, eenige putten te graven soo groot wijt en diep …, datter de besten daer veeltijts comende weijden … invallen,   Kaapse Plakkaatb. 1, 62 [1660].
In stede van de schapen in de beste weiplaetsen te leiden, was hy byna altyd in de nabyheid van het woud te vinden, of er voor de schapen te eten was of niet,   CONSC., Gr. v. Craenh. 61 a [1845].
Hij (was) het meest van alle bekend in het groote heideveld, die ieders heideperceelen, "slagen" genoemd, wist aan te wijzen; die voor zijne schapen de beste weideplaatsen wist uit te zoeken,   N. Dr. Volksalm. 1915, 32 [1915].
Weideplant, gewas dat naast de diverse grassen op een weide groeit of wordt gezaaid. Hiertoe behooren b.v. de versch. soorten klaver, karwij, stekelvederdistel, zuring, watermunt, paardestaart e.d.
De grassen en weideplanten in het hooi,   RIJNENBERG, Paardenk. 150 [1902].
Van de weideplanten verdienen in de eerste plaats te worden genoemd zij, die tot de familie der Vlinderbloemigen (Papilionaceae) behooren,   152 [1902].
Deze grassoort (t.w. ruwbeemdgras) heeft bovendien de eigenaardigheid, dat zij, in te groote hoeveelheid voorkomende, den bodem zóó dicht met haar bovenaardsche uitloopers kan bedekken, dat zij den groei der andere weideplanten sterk belemmert,   Versl. Landb. 1919, 1, 126 [1919].
Kunstmatige weideplant, gewas dat men op een tijdelijke of kunstmatige weide zaait. Vgl. WEIDE, 3, b, γ). Mogelijk ook op te vatten als: plant die men kunstmatig op weiden laat groeien, waar deze van nature niet voorkomt.
Eene der grootste fouten in den landbouw is … het beweiden der stoppelen op landen, waar jonge klaver of andere kunstmatige weideplanten zijn gezaaid,   Wet. Maandschr. 4, 176 [1836].
Wei(de)poort.
1°. Deel van de gemeente Zoeterwoude.
De Burgzaaten …, die natuurlyker wyze onder Sint Pancraas scheenen te behooren, bleeven parochiaanen van Sint Pieters Kerk, welke Kerck zelf verre buiten de Stad haar recht oeffende, en tot de Zwietersluis en in de Weipoort haar geestlyk gezag uitgebreid hadde,   V. MIERIS, Beschr. v. Leyden 1, 49 b [1762].
Elk was verplicht … iets tot lof van den Veebouw in Rhijnlands groene Weipoort te zingen,   BERKHEY, Eerb. Proefk. 49 [1782].
2°. (Gewest. in Vl.-België) Toegangshek tot een weiland (W.V.D. 1, 1, 214 b, 222 b, 228 a; W.B.D. 1, 2, 232 a).
Weiderecht (zie ald.).
Weiderechter, hetz. als weidegraaf.
Weiderechter. Juge établi sur les prez d'une ville,   HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
Wei(de)reglement, geheel van bepalingen dat het gebruik van bep. gronden als weiland regelt. Vgl. ook weidepaspoort.
Weshalve de bij … het wei-reglement voor de zuivering der paspoorten wegens die paarden bepaalde termijn … wordt vastgesteld,   Bijv. Stbl. 1837, blz. 355 a, Zeel [1837].
Weid(e)riet, ben. voor Arundo calamagrostis L.
  WEIDENBACH [1808].
— Deeze Soort noem ik Weid-Riet, om dat zy op Moerassige Weiden in Europa groeit,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 13, 368 [1782].
Wei(de)rust, zekere runderziekte.
Ik vinde nog zulk een soort van logheid en lammigheid in de lendenen, waardoor de Koeijen veeltijds in de weide liggen als loom en log, genaamd weirust, denkelijk om het gedurig rusten en liggen in de weiden,   BERKHEY, N.H. 8, 48 [1810].
Wei(de)salade, (gewest. in Vl.-België) ben. voor de paardebloem of paardesla (Taraxacum officinale); mog. in dezen zin ook in de litt. aanh.
  PAUWELS, Bloemn. 159 [1933].
— Padde-stoelen, netel-bladen. Met wat groene wey-saladen …, Dat is oock sijn beste spijs,   BURGHOORN, N. Wer.v. Gecken 51 [1641].
Wei(de)schaap, (schaap dat behoort tot het) ras dat op weiden gehouden wordt; tgov. b.v. drift-, heide- of stalschaap.
  DASYP. [1556].
  D'ARSY [1651].
— Dat in die streken, waar de schapen … van weiderij of ander voer, benevens de heide, gebruik kunnen maken, het kruisen met Leicester-schapen aan te raden is, die vooral als weideschapen geschikt zijn,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1860, 36 [1860].
In tegenstelling van de stalschapen worden er weischapen aangehouden, ten einde eenige vergelijking te kunnen maken,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 68 [1861].
Wat de weischapen voor voeding tot zich nemen, is moeijelijk te bepalen, maar voor de stalschapen is zulks met eenige zekerheid aan te geven,   7, 1, 69 [1861].
Wei(de)schaar, aandeel in de gemeenschappelijke weide.
De weischaren werden … verpacht van f 40 tot f 60,   Onderz. Landb. 1886, 3, 8 [1890].
Wei(d)schuit, zeil- en roeiboot voor landbouw- en/of jachtdoeleinden. Zie vooral ook WITSEN, Scheepsb. 171-172 [1671]. In N.-Holl. Aalsmeersche punter geheeten (vgl. Maritieme Encyclop. 6, 20 b [1972]). Hetz. als weiaak.
Weischuit, is een schuit seer ligt, en rank, dat de Weilui gebruiken om geswind door het waater te vaaren, en vaardiglijk oover kaaden, en dijken, gesleept, en door het veld gedraagen te werden,   V. WINSCHOOTEN, Seeman [1681].
  MARIN [1701].
  V. LENNEP, Zeem.-Wdb. [1856].
  V. DALE [1872 1914].
— Nu als hy met sijn Vrouw, en kindt sat in een waey-schuyt, De soete Spilnter (lees: Splinter) valt in 't hellen aen de zy uyt,   WACHTENDORP, Oude Holl. Gesch. F 2 v° [1648].
Voorts zal deze Impost ook betaeld moeten worden … van alle Speeljachten, Speelschuiten, Chaloupen, Veld- of Weischuiten, of andere Vaertuigen, die tot eigen vermaek, gerief of gebruik aengehouden zullen worden,   Ned. Jaerb. 1750, 214 [1750].
Met de weischuit varen, uittrekken, op jacht gaan, inz. in obscenen zin.
Ja, ick vaer alle daeghs met de weyschuyt in 't velt,   BREDERO 1, 261 [c. 1612].
Hendrick Jansz., platbroeck, die wil ick noch niet eens noemen, Wat helptet hy vaert so gaern met Claertjeclonters om botter bloemen, En trock hy niet uyt met de wayschuyt, hier met Angeniet, Halffen tijdt waerse inde hoy-clommen, of int langhe riet,   Kl. v. e. Huysm. K 2 r° [c. 1620].
In Zeel. ook gebruikt bij de hardervisscherij (BLY, Zee-vissch. [1931]).
Weideseizoen, periode waarin men het vee op de weide kan laten grazen; de zomer.
Daar de weiden slechts een klein gedeelte van het jaar genoegzaam voedsel opleveren en men zelfs verpligt is gedurende het geheele weidesaisoen aan de zogende merriën … tweemaal daags een voeder haver te geven, zoo is het noodig dat … dit toevoederen … in de maand September voor alle paarden plaats heeft,   Boeren-Goudmijn 3, 1, 65 [1857].
Ondanks het koude weder in April en Mei was er toch gedurende het geheele weide-seizoen voldoende gras, waartoe zeker de mooie zomer en nazomer veel hebben bijgedragen,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1914, 10 [1914].
Weidesleep, toestel voor het effenen van molshoopen en het verdeelen van opgebrachten grond, mest e.d.
De weidesleep is in eene weide beproefd. Het werktuig bestaat uit een vierkant houten raam, waarin twee schuins staande messen in eene dwarsche rigting over de geheele breedte zijn aangebragt,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1860, 7 [1860].
Gij hebt gedurende den winter uw grasland bemest en gaat nu in het vroege voorjaar tot het sleepen over, om de molshoopen weg te ruimen, den mest en de aarde te verbrokkelen en het land geschikt te maken om met een grasmaaiwerktuig gemaaid te kunnen worden. De weidesleep van Six voldoet aan alle vereischten,   HARTOG, Landbouwverb. 27 [1867].
De slootaarde en het ruit of roet dienen ter bemesting. De eerste wordt … in den zomer over het land gebracht, uitgespreid en daarna zooveel mogelijk fijn verdeeld, tot welke verdeeling men gebruik maakt van de weidesleep (drijfhout), de kettingegge enz.,   REINDERS, Landb. 2, 357 [1893].
Wei(d)spel. Zie WEIDSPEL.
Wei(de)stal, op een weide geplaatst (houten) bouwsel als nachtverblijf of schuilplaats bij slecht weer voor het vee.
  W.V.D. 1, 1, 131 b [1979].
— De oude Woudheer plag, by elzenhaag of boom, … zyn rust te raapen …; Terwyl zyn schaapen in de weistal staan te kooi,   LESCAILJE, Mengelp. 1, 132 [2de h. 17de e.].
Weidestreek, landstreek met veel weidegrond.
In de laaggelegen weidestreek der provincie (Friesland) …, waar het vee in 1911 zoo goed als geheel was doorgeziekt, werd de ziekte … bijna niet waargenomen,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1912, 84 [1912].
Van de 3879 HA., in 1912 met bloembollen beplant …, waren 2484 HA. gelegen in de provincie Zuidholland en hiervan 2115 HA. in de Zuidhollandsche bollen- en weidestreek,   Versl. Landb. 1913, 6, 66 [1913].
Weidestuk, stuk grasland.
  PAN, Drenthsche Woorden 83 [1848].
— Zijn eendlijk hoofd hief en vóor zijn oogen, beneden den gracht lag het vierkante weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net omtuind,   STIJN STREUVELS, Dagen 135 [1902].
Wei(d)tasch. Zie WEITASCH.
Wei(de)tijd, tijd van het jaar dat het vee in de weide loopt.
Waar moet men nu deeze voordeelige omstandigheden anders aan toeschryven, dan aan de zorg, die de boeren aldaar voor hunne runderen hebben, welke hier in bestaat, dat zy dezelven … by zonnenondergang, op den stal … brengen … — terwyl zy des morgens … naa de weide worden gedreeven, welke manier men, geduurende den geheelen wei-tyd, opvolgt,   Verh. Maatsch. Landb. 7, 2, 30 [1790].
Na afloop van den weidetijd doet men het oude gras door schapen afweiden,   Boeren-Goudmijn 3, 1, 65 [1857].
Het mooie najaar maakte een langen weidetijd mogelijk,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1914, 11 [1914].
Weidetorkruid, schermbloemig gewas (Oenanthe lachenalii).
  Ned. Plantennamen 39 [1906].
Wei(d)tuig, benoodigdheden voor het jagen.
Een patrijs en weytuygh van Gme van Aelst,   in Oud-Holland 28, 198 [1678].
Hier ligt het doode wild, daar 't weituig langs den kant,   V. WINTER, Jaarg. 135 [1769].
Wei(de)varken, varken dat in de weide wordt vetgemest.
Voor de twee fijnste en zwaarst gemeste Wei-Varkens, niet ouder dan 18 maanden. — eerste prijs f 15; tweede prijs f 10; 3de prijs f 5,   Boeren-Goudmijn 1, 2, 4 [1855].
De pooten waren stevig en vrij hoog, zoodat het bijzondere geschiktheid had voor weidevarken,   Versl. Landb. 1906, 1, 18 [1906].
Weidevee.
  DASYP. [1556].
  KOENEN [1911].
— De ziekte doet vooral weidevee aan en komt in zandige, lage en moerassige landen voor,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 718 [1871].
Niet alleen kwam het in de stalperiode niet tot eene uitbreiding van het mond- en klauwzeer, ook de enkele gevallen, die zich in het midden van den zomer onder het weidevee voordeden, bleven zonder gevolg,   Versl. Landb. 1916, 4, 76 [1916].
Wei(de)veld, (stuk) grasland; weiland.
  SERVILIUS, Dict. Trigl. OO 8 v° a [1552].
  V. DALE [1884 ].
— Item noch drye weyevelden gelegen aende voort groot ontrent vier gemeten onder heye ende weye,   bij GOOSSENAERTS [1539].
Niemant en sal voortaen door achtervelden, hoybemden ende andere weyvelden eenigh vee moghen stouwen anders dan … ghemuylbant,   Cost. v. Zandhoven 240 [1665].
Bij dag houdt het (t.w. het wilde zwijn) zich schuil in zijn … leger, en verlaat het des avonds, om op wei- en akkerveld voedsel te zoeken,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 156 [1822].
Het kasteel Waltha — met de vruchtbare weidevelden en landerijen die er bij behoorden — werd … in onverdeeld eigendom gehouden,   QUACK, Soc. 1, 150 [1899].
Wei(d)vermaak, jachtvermaak.
Was 't wonder dat de knaap tehuis kwam met den wensch tal van dergelijke dagen te mogen beleven; en dat die ondervinding van het "weivermaak" medewerkte om hem eene vrij eenzijdige beschouwing van de voorrechten van 't heereboerschap te doen vormen?   E. Haard 1885, 486 b [1885].
Wei(de)vlas.
Weivlas, vlas dat gegroeid is op gescheurd of omgeploegd weiland, op een nieuwen grond dus, waar het vroeger niet, ten minsten in lange jaren niet gestaan heeft,   aant. v. V. GRONINGEN [c. 1860].
Wei(de)voedering.
Zoolang men in den zomer de weide-, en in den winter de hooi- en stroo-voedering blijft behouden, zal nimmer de akkerbouw bloeijen, nimmer het vee eene wezenlijke bron van welvaart worden,   ENKLAAR, Handb. Landb. 304 [1854].
Elke koe krijgt de eerste maal dat zij uit stal in de weivoedering wordt gedreven een weinig … diarrhée,   Boeren-Goudmijn 6, 1, 96 [1860].
Weidevoer.
  POMEY [1760].
— Dat vele jonge ossen en hokkelingen, die door het goede weidevoer goed gegroeid waren, ter slagtbank gevoerd werden,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1860, 76 [1860].
Weidevogel.
1°. Vogel die in de weiden nestelt.
  KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
— De kievit is een weidevogel,   E. Haard 1880, 160 a [1880].
2°. Ben. voor den sperwer. In eenige wdb. van MELLEMA [1618] tot Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Wei(de)vormig, zooals gebruikelijk is in den weide- of grasbouw; in de aanh. gezegd van de op die van gras gelijkende teelwijze van moerbeiboomen, die men als tweedejaarsgewas maait.
De wei- of grasvormige teelt der moerbezieboomen. In China en zelfs in de Vereenigde Staten zaait men, in de lente, op een' wel bereiden grond moerbeziezaad, en in den loop van het volgende jaar maait men de jonge takjes, om de zijwormen te voeden,   Schatk. v.a. St. 1848, 61 [1848].
Weidevossestaart, tot de staartgrassen behoorende soort (Alopecurus pratensis).
Per H.A. berekend zijn de volgende gras- en klaverzaden uitgezaaid: 2 K.G. Rozendaalsche roode klaver … 12 K.G. Engelsch raygras, 4 K.G. ruw beemdgras, 5 K.G. beemdlangbloem, 3 K.G. kamgras, 2 K.G. timothee, 3 K.G. kropaar en 2 K.G. weidevossestaart,   Versl. Landb. 1914, 3, 126 [1914].
Wei(de)waard, buitendijksch grasland.
Een … "bouwinge" op "Redinchem" omvat; "hofstadt" met boomgaard en het bouwland 4 m. 33 rd., 11 h. 14 rd. …; weiland in de Zemers, buitendijks een "zayweert", een "weyweert" en een "griend": 5 m. 4 h. 54 rd.,   R.G.P. 140, 80 [aangeh. woorden 1569].
Vandaar: wei(de)waarder, veehouder die zijn vee op buitendijksche weiden laat grazen (?).
Te Angerlo weinig aanfok en weinig zorg daarvoor. "Veelal wordt dit aan de weiwaarders overgelaten, die doorgaans eenjarige stieren nemen",   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1869, 135 [1869].
Weidewalstroo, sterbladig gewas (Galium mollugo L.).
  HEUKELS 109 [1907].
Weidewants, op gras levend, gesnaveld, halfvleugelig insect.
Op distels, stalkruid, brandnetels, enz. vindt men niet zelden in grooten getale de geelachtige groene, 7 à 8 mM. lange Tweestippelige Weidewants (Calocoris bipunctatis), zoo genoemd wegens de beide zwarte stippels op het halsschild,   BREHM-HUIZINGA 3, 572 a [1910].
Wei(de)was, grasland, weiland.
  DORREN [1918].
— De vs. wyn sal hebben den weywas ende de beempden gebruycken tot zynen profyte,   in L. DE MAN, Brab. Oork. 158 [1518].
De wynne sal sculdich sijn te vreden alle die grichten … ende alle die beemden ende weywas ende landen ten hove toehoerende,   LINDEMANS, Landb. 1, 374 [aangeh. woorden 1539].
Seeckere ouders hebben diversche plecken erve, soo in weywasch als in landeryen,   Cost. v. Loon 1, 729 [1711].
Het overige was akkerland, bosch of weiwas, die door het vee in het gemeen gebruykt werd,   Publ. Soc. d'arch. Limb. 1865, 2, 24 [1865].
Wei(de)werk. Zie WEIDWERK.
Weidewol.
1°. Plantengeslacht uit de familie der cypergrassen (Eriophorum vaginatum); wol(le)gras.
  V. TRICHT, Wdb. d. Scheik. [1868].
2°. Wol van weideschapen.
Dat de hokwol, volgens de verkregene ondervinding, meestal 15 cent per pond minder betaald wordt dan de weidewol, en vrij algemeen de vachten van de weischapen zwaarder vallen,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 70 [1861].
Weidezaad.
Men begint met … garst te zaaijen, die men zorgvuldig met de groote egge in den grond brengt. Daarna zaait men al het ondereen gemengde weidezaad uit en brengt dit met de kleine ligte egge in den grond. De garst beschut de uitkomende weideplanten tegen de te groote zomerhitte,   Vriend Landm. 18, 61 [1854].
Wei(d)zak, hetz. als WEITASCH.
Scepers tesse, oft male, weydtsack. Pera.. Cassidile media producta in libro Tob. Pera pastoralis. Pera viatoria, een wetser. Bulga Hippopera,   PELEGROMIUS R vij r° [1546].
  KIL. [1574].
  TUINMAN, Verv. Fakkel [ed. post. 1731].
— Die (zekere monniken) ander menschen sonden so hooch achten …, hoe zijnse toch so onbeschaemt datse hun eyghen quaet so cleyn maken, willen sy heylige Vaders, ende warachtige geestelicke persoonen zijn, datse hunnen weytsack, oft male eens vermanghelen,   ERASMUS, Lingua 117 b [1602].
Als kind droeg Edgard lang gekrulde haren …, bezat een licht wandelstokje …, en verscheen alle maanden in een splinternieuw pakje, dan à la Polonaise met kaplaarsjes … dan weder à l'Écossaise met bloote beentjes, korte rokjes en een soort van weizak in de zij,   BERGMANN, Nov. 357 [1874].
Weidezwenkgras, ben. voor Festuca pratensis.
  Akkerbouw 14 Juni 1857, 3 c [1857].

Aanvulling bij WEIDEI

Samenst. Weidemolen, (molenb.). 1°. In N.-Holl. voor de polderbemaling gebruikt klein windmolentje met gering vermogen, ook wipwatermolentje, petmolen en aanbrengertje genoemd.
  Techn. W.P. Encyclop. [1953].
  V. DALE [1976].
— Een weidemolentje heeft slechts een geringe vlucht (wieklengte), deze variëert, al naar het te bemalen oppervlak, tusschen 6 en 10 meter,   VISSER en PIETERSE, Holl. Molenb. 77 [1941].
Het kan wel eens voorkomen dat in een polder enkele percelen land om een of andere reden extra moeten worden bemalen. Daartoe is dan een nog veel kleiner molentje voldoende en past men een weidemolentje of aanbrengertje toe,   STOKHUYZEN, Molens 47 [1961].
Andere soorten (maar dan kleiner) waren de tjasker, de papiermolens-petmolens en de gewone weidemolentjes, ook petmolens genoemd,   HUSSLAGE, Windmolens 101 [1965].
2°. Achtkantige grondmolen.
  V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1990.