Koppelingen:
Vorig artikel: WIJEN III Volgend artikel: WIJERT
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

WIJER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: wijer

WEIER, WIJERT — znw. m., mv. -s. Mnl. wier; ohd. wîwâri, wîâri, nhd. weiher. Uit lat. vivarium en als ontleening ouder dan gelijkbet., op ofr. vivier teruggaand vijver (WEIJNEN, Leenwoorden 28 [1967]). Aangetroffen in het N.-O. van het taalgebied (Tw., Dr.), een deel van N.-Brab. en Ned.- en Belg.-Limb. Gewest. vaak met niet gediphthongeerde vocaal (zie b.v. O. Volkst. 2, 233 b [1885], V.D. HEIJDEN 129 [1927]). Soms ook met paragogische t.
+1.  Natuurlijk, resp. aangelegd of aangepast waterbekken.
2.  Laagte in wei- of akkerland waar de grond steeds vochtig blijft of waarin water blijft staan.
  W.B.D. 1, 2, 193 b [1967].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1991.