Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: WILD I Volgend artikel: WILDBAAN
Gewestelijke variatie: PLAND
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

WILDII

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: wild

bnw. en bijw. Mnl. wilt; os. wildi, mnd. wilde, wilt; ofri. wilde, nfri. wyld; oeng. wilde, neng. wild; ohd. wildi, nhd. wild; on. villr, no. vill, de. vild, zwe. vild; got. wilteis. Terug te voeren op germ. * wiltia- en idg. * ueltio-, in POKORNY vermeld bij den wortel * uel-, * uel-, waarbij verschillende woorden ter aanduiding van dichte lichaams- of bodembegroeiing zouden aansluiten. Men zie verder de etym. wdb.
+I.  In toep. met als beteekeniskern ‘zich (nog) in den natuurstaat bevindend, (nog) niet door cultuur of civilisatie beïnvloed of gewijzigd’.
+II.  In toep. met een globale beteekeniskern ‘niet geleid, bedwongen of bepaald door zekere reguleerende of ordenende elementen; niet beantwoordend aan, geschiedend of handelend volgens zekere regels, normen e.d. `
+III.  In eenige overige toep.
Afl. Verwilden.
Wildaard, wild persoon. In de eerste aanh. als eigennaam, en verpersoonlijking van den oorlog. Zie ook nog wilderd (II).
Zie wat Wildaert u kan dwingen, Die de bloem der Jongelingen Jaerlijcks eischt, en helt op helt Deerlijck schiet, en nedervelt,   VONDEL 5, 607 [1647].
Nochtans heeft 's Werelds wildernis, De naam dat zy een boomgaard is, Elk Wildaard hiet een goede Christen,   LUYKEN, Besch. d. Wereld 111 [ed. 1708].
Wildachtig, eenigszins wild. In de eerste litt. aanh. in aansl. bij wild, 15) (?), in de tweede bij wild, 2).
Wildtachtich. Aucunement sauuage. Subagrestis,   PLANT. [1573].
  MELLEMA [1618].
Wildtachtigh, Wildish,   HEXHAM [1678].
— Is men ionck en ieughdich tzy mannen oft vrouwen Soo moetmen wildtachtich zijn zeer ongestadich,   Antw. Sp., Haechsp. k iij r° [1562].
De Wilde Koole … soude de Cleyne Roode Koole, dat is de vijfde soorte van Tamme Koolen, die wij Slooren oft Wildtachtige Koole noemden, heel ghelijck wesen: dan sij is wittachtiger, hayrachtiger, ende van smaeck bitterder dan de Slooren zijn,   DODON. 1062 a [ed. 1608].
Wildelijk. Reeds Mnl. 1°. (Bijw.) Op een lichtzinnige, onfatsoenlijke, ontoelaatbare wijze; wild (15).
Wi (sullen) gaen ende doen dat ons van noode is, ende hebben een nauwe hoede ons selfs, als dat wi niet onghecordineert noch ontbonden, noch onzedich en gaen, noch wildlic om en sien, op dat dat inwendige licht daer niet in wederslaghen wort,   Euang. Peerle t ij r° [1537].
Crijchslieden … die welcke tzamen langhen tijt up die ghemeene buyt, roof ende pijlgiage zeer vreedelick, wildelick ende rouckelooslick gheleeft hebbende, endelinghe … bekeert wierden by den eerdsbisscop H.,   DESPARS, Cron. v. Vl. 1, 218 [1592].
2°. (Bijw.) Op een wilde, woeste wijze; wild (18).
Wildelick. Sauuagement,   PLANT. [1573].
  HEXHAM [1678].
  LIEV.-COOPM. [1955].
— Die peerderuters … (schoten) al haer gheschut af, ende hadden som twee of drij bussen an haer peerden hanghende, die zij alle aflieten. Hier af spronghen de peerden zeer wildelic,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 2, 77 [1567].
Ghans longen! … Noch denc ic om mijn lieve kints aenschijn: Tsach so wildelick, men mochter of ijsen,   Trou m. bl. 276 [1578].
Om dat wy so na by de Ciclopes zijn gheseten, Die wreede Reusen, die so wildelick verwoeden,   COORNHERT, Odyss. 1, 44 a [ed. 1607].
Wildelijk springen, woest rondspringen,   LIEV.-COOPM. [1955].
3°. (Bnw.) Nergens op steunend, wild (17) (?). W.g.
Dat ons God behuede van Eckaerts quader plaghen ende van sijnre valscher wildeliker leeringhen, soe sal ons God den heileghe gheest in bringhen,   in Ned. Arch. v. Kerkgesch., N.S. 3, 188 [1543].
4°. (Bijw.) Op niet van tevoren weloverwogen wijze; op een onbezonnen, impulsieve manier; wild (16).
Het was goed, den heer v.d. Goes, die … uit gebrek aan juist begrip … inderdaad wildlijk doorholt, te wijzen op de grove misvatting die hij beging (bij het verkondigen van bep. litt. opvattingen),   KLOOS, Letterk. inzichten 2, 127 [1916-'20].
Wildeling (zie ald.).
Wilden, (gewest.) zich aan uitspattingen overgeven.
Wilden, voor los, woest leven,   HOEUFFT [1836].
— Men moet eens wilden in zijn leven,   Ald.
Wilderd (I) (zie ald.).
Wilderd (II).
1°. Wild persoon; in de aanh. in de verb. wilderdje wild, ter aanduiding van een druk kind. Vgl. voor de hiervolgende aanh. echter ook nog de bet. 18, b, α), 3de alinea.
Zijn vrouw heeft nog al een grooten mond, maar houdt haar boeltje knap bij elkaar. En de kinderen, ja zij hebben er een portie, en daar kan men van zeggen: wildertje wild, wie zal je temmen?   BOHN-BEETS, Onze Buurt 181 [1861].
't Is wildertje-wild, wie zal 'n temme?, hij is door het dolle heen,   GHIJSEN 1143 a [1964].
2°. (Barg.) Hooi.
  MOORMANN, Bronnenb. 251 b [1917].
Wilderheid, onbebouwde, met ruigte begroeide grond. Hetz. als wilderd (I); vgl. in verband met wilder- mog. ook nog de etym. van WILDERNIS.
Item angaende die neringe zeggen, dat zij hem generen met bouwen, eensdeels up sandtlandt ende behelpen metter wilderheyt, daer zij heur beesten up weyen,   in Mnl. W. 9, 2541 [1514].
Wilderik.
1°. (Gewest.) Wild mensch; woesteling.
Wilderik, voor een wild, onbehouden en los mensch,   HOEUFFT [1836].
Wilderik, woestaard,   TEIRL. [1922].
  KATS 175 [1939].
  LIEV.-COOPM. [1955].
  DESNERCK [1972].
2°. (Barg.) Haas of konijn.
  MOORMANN, Bronnenb. 386 b [1931].
  V. BOLHUIS, Gabbert. [1937].
Wildernis, wildheid, wildigheid (zie die woorden).
Wilding, (gewest.) vrucht van een wilden fruitboom. Voor -ing, zie -ing (I), C, 2).
Wilding, wilde vrucht, van nen ongegreffieden boom: wilde appels, wilde peren,   Verz. GEZELLE [Emelgem, voor 1899].
Wildinge, (gewest.) (in aansl. bij wild, 18)) wilde vrouw of wild vrouwelijk dier.
Wildinge. Wildzinnig, schierloos, overmoedig, geweldig vrouwmensch,   Loquela 7, 80 [1887].
— Zwijgt, 't es zulk 'n wildinge,   Loquela 7, 80 [Kortrijk, 1887].
M'n katte is al me ne keer lijk 'n wildinge geworden, zij die van te vooren goe tem was,   Verz. GEZELLE [Kortrijk, voor 1899].
Wildjes, wild, in het wild, ongeregeld. In de verb. wildjes loopen, een ongeregeld, los, losbandig leven leiden; "het er van nemen". Slechts eenmaal aangetroffen.
Waer sal ick de Schout best vinden? tot Anne Klaas inde Hooren? Of tot het leckere waartjen inde Munnekedammer tooren? Hy loopt al wat wiltjes, 't is trouwen heurlie mannier,   BREDERO 2, 223 [1617].
Wildsch, in het Groningsch.
1°. Van planten: te weelderig groeiend.
  TER LAAN [1929 ].
2°. Van haar: uitstaand, wild.
  TER LAAN [1929 ].
3°. Van hooi- of weiland: wild gras bevattend.
Dij waaide is beetje wilds(k),   TER LAAN [1929 ].
Wildte, (gewest.) wildheid.
Wildte. Wildheid,   Loquela (Wdb.) [1907].
  TEIRL. [1922].
— Die jongen en weet met zijn wildte geenen weg,   Loquela (Wdb.) [St.-Niklaas, 1907].
Samenst., samenst. afl. en kopp. Hieronder werden ook de meerledige samenst. c.q. kopp. van het type wilde-beestenspel, wilde-kaneelhandel e.d. opgenomen die als samenst. of kopp. formeel niet bij wild, maar bij een verb. wild + znw. aansluiten.
Wildjesappel, ben. voor zekere appelvariëteit. Voor de vorming met -jes vgl. o.a. kaasjes-, naantjes-, veentjes- en vrouwtjesappel.
Vlaamse groening. Groene pipping …. Rouaanse appel. Wildtjes appel. Enkhuyser. Veentje (appelsoorten die in Mei rijp zijn),   Reg. v. Peer. en App. enz. achter N. Ned. Hoven. 40 [1721].
Wildjes-Appel. Is een Appel van matige groote; van gedaante langwerpig enz.,   KNOOP, App. en P. 11 [1758].
Wildjes-Appel, is een matig grote, langwerpig Eyronde Appel; zyn schil is glad met een groenagtige couleur …; het vlees is zagt, van een taamelyk goede, dog geen verheeve smaak,   Burger-Thuinb. 199 [1769].
Wildjes-Appel. — Deze winter-potappel is midmatig groot …. De schil is glad, en wanneer de appel rijp is, groenagtig geel van kleur …. Hij wordt in Februarij of Maart rijp. — De boom maakt fraai gewas; wordt groot en vrugtbaar,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 252 [1805].
Wildebaan, (gewest.) in het bolspel ben. voor een baan die niet vast gevestigd is, maar voor de gelegenheid aangelegd wordt langs een weg, weide of veld.
  V.D. LINDEN, Bolspel in Vl. 66 [1966].
Hierbij: wildebaanbolling.
Niet minder algemeen zijn in Vlaanderen de spelen waar men met zware platte houtene schyven … naar een doel werpt. Prijs-bolling, gaai-bolling, wildebaan-bolling, krul-bolling … en hoe de verschillende formen waaronder deze spelen uitgevoerd worden, meer mogen heeten, ziet men dageliks in de vlaamsche nieusbladen aangekondigd,   WINKLER, Oud Ned. 157 [1888].
Wildbarig, met wilde, woeste baren; wild, onstuimig (gezegd van de zee). Incidenteel.
Mijn Schepen die gelaen werden my af genomen Inden grau Oceaen der wiltbarige stromen,   Vlaerd. Redenr.-bergh 240 [1616].
Wilde-beestenperk.
De Romeinen wierpen hun misdadigers in 't wilde-beestenperk,   MULTATULI 7, 226 [1873].
Wilde-beestenspel, zeker kermisvermaak waarbij wilde dieren te bezichtigen zijn.
Jaapje keek alsof hij voor de kramen stond met kermis en hoorde de papegaai, als bij het wilde beestenspel verleden jaar,   V. LOOY, Jaapje 216 [ed. 1917].
Wildbehaard.
Dan overdacht Hedwig verwonderd hoe het toeging in dat groezelige, wild-behaarde hoofd, dat zoo weinig leerde, en waarin toch de gedachten zoo rad en vaardig konden volgen,   V. EEDEN, K. Meren 268 [1900].
Wildbewogen.
Er zijn ook onder staatslieden en veldheeren genoeg mannen geweest, die een onophoudelijk en nauw verkeer met de wildbewogen menschenwereld even wijs liet als het ze vond,   POLAK, Stud. 142 [1888].
Wildbezem, jeneverboom. W.g. en sinds lang veroud. Het tweede lid is te beschouwen als een nevenvorm of vervorming van -bees, -bese, -bezie, ‘bes’.
Noch eenen grooten wech staet v te reysen, sprack die Enghel tot Helyam, die daer … was gheuloden in der woestijne …, ende ghinck ligghen slaepen onder die schaduwe van eenen wiltbesem oft zeneuel boom,   GODEFRIDUS, Woest. d. H. 9 [1551].
Wildeboer, fig. ben. voor een wild, ruw en onbesuisd iemand. Vgl. ook nog de volg. samenst. en de bet. 18, a, α), 3de alinea.
Wildeboer, fig. fam. ein flatterhafter Mensch,   Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  V. DALE [1872 1898].
  KUIPERS [1901].
Wilde-boerenzalf, eert. ben. voor zeker middeltje uit de volksgeneeskunde.
Daer meughen gien wongden wesen Of hy weetse met de Wilde boeren salf wel te ghenesen,   Kl. v.e. Huysm. K 1 r° [c. 1620].
Koop Wilde-Boere-Zalf, Voor snee en kalf In hand of voeten,   in Ts. 25, 48 [1661].
Wild(e)boom.
1°. In het wild of in een z.g. wild plantsoen (zie de bet. 2, a), 3de alinea) groeiende boom; bep. echter ter aanduiding van den niet-ooftdragenden loofboom. In de tweede aanh. in de verb. altijdgroene wildboom, naaldboom.
Bovengemelte besayingh ende bepotingh met een mantelingh van wildeboomen rontom besayt,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 627 [1661].
Indien deze maand droog zy, moet men de zaadbedden van altydgroene wildboomen en heesters zorgvuldig nat maaken,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 102 [c. 1800].
2°. Wilde variëteit van zekeren fruitboom.
Al draagt de wildeboom ook bladen, Den schoonen Appelaar gelyk, Hy kan den honger niet verzaaden, De Vruchten zyn der deugden blyk,   LUYKEN, Bykorf 215 [1709].
Wildbosch, het op een landgoed als bosch aangelegde gedeelte.
Houd de paden en kwartieren van de wildbosschen schoon van onkruid en ruigte; en zulke boomen, die te veel buiten orde groeijen, kunnen gesnoeid worden, om die wat sierlyker te maaken: want in dezen tyd worden de wildbosschen en beschaduwde laanen inzonderheid bezogt, zoo dat ze wel zuiver moeten gehouden worden, anders zyn ze niet aangenaam,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 176 [c. 1800].
Hierbij: wildboschboom.
Snoei de wildboschboomen en bloeijende heesters, daar zy te veel buiten fatsoen groeijen … en spit den grond om in de kwartieren der wild-bosschen,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 24 [c. 1800].
In het begin van deze maand moet men voortgaan … de bloeijende heesters te verplanten en andere wildboschboomen,   235 [c. 1800].
Wildebras (zie ald.).
Wildbruisend. In de aanh. in fig. verband.
Ondanks dat de Nieuwe Tijd is gekomen, wist hij zich hoog te houden in de wild-bruisende branding,   Masker 1, 3 [1921].
Wilde-dierenhuiden of -vellen.
Onbereide wilde dieren vellen of huiden, sauvagine,   V. MOOCK 1286 b [1846].
Wildgang, (gewest.) wildvang, guit.
  Verz. GEZELLE [Maaseik, voor 1899].
  MAASEN en GOOSSENS [c. 1900].
Wildegans. W.g.
T'gevogelte als voor dato beraemt namentlijck. 1 wildegantsch … 6 stuijvers, 1 bergh ent … 5 stuijvers, 1 ordinarij eent … 4 stuijvers 't stuck,   Kaapse Plakkaatb. 1, 50 [1659].
Wildgaweg, op wilde wijze. Alleen in O.-Vl. Het tweede lid van de samenst. dient wsch. beschouwd te worden als een variant van -geweg (voor -geweg zie SCHUERM., Bijv. [1883] en PYNCKELS en DE BAETS, Eekloos Dialectwdb. [1984] i.v.).
Ik en kan niet verdragen dat hij zoo wildgaweg danst en loopt,   JOOS [1900-1904].
Ze doet 't amale zoo wild-ga-weeg,   TEIRL. [1922].
Wildgedierte.
So isser noch menichte van Wildt-ghedierten dat tot onser kennisse niet en is,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 57 d [1602].
Wildgezang, wildzang.
Toen de Agrippynsche zwaan zong in Bataafsche plassen, Was 't naar gerikkekik der vorschen uit moerassen, Alleen het wildgezang van Hermans nageslacht!   HELMERS, Holl. N. 182 [ed. 1814].
Wildgras.
1°. (Inz. in Gron.) Panikkoren of hanepoot (Panicum crus galli).
Wildgras. Panicum crus Galli, hanepoot, egelgras,   MOLEMA [1887].
Wildgras; Panic,   GALLAS [1911].
— Men (vindt) er (t.w. in Westerwolde) dikwijls wildgras (Panicum Crus gulli) een onkruid dat de garstgronden meer doen zien, maar dat ik niet op veenbouwten en op in cultuur gebragte dalgronden heb aangetroffen,   Boeren-Goudmijn 3, 1, 207 [1857].
2°. (Utr.) Duist (Alopecurus agrestis L.).
  GERTH V. WIJK, Plantnames 64 b [1911].
Wildgroeiend, in het wild groeiend; niet gekweekt.
  KUIPERS [1901].
  V. GELDEREN [1909].
— Zijn de inheemsche wildgroeiende planten voor den botanicus ook vaak belangrijker dan de gekweekte gewassen, er is, vooral op eilanden als Madeira, toch ook zeer veel uit de sierplanten te leeren,   Alb. d. Nat. 1895, 1, 244 [1895].
Sommige zeldzame wildgroeiende gewassen vond ik nog op de eigen groeiplaatsen terug,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 60 [1903].
Wildhoofd, een onbesuisd optredend iemand. W.g.
Hij (was) te Amersfoort aangekomen ter onderwerping van een door … d'Ungeren, officier der gardes — een wild-hoofd — ontworpen plannetje van contra-revolutie,   V. HOGENDORP, Gedenkschr. 2, 111 [1787].
Wildhout, hout van in het wild groeiende boomen. In deze bet. reeds Mnl. (voor een 15de-e. vindplaats, zie L. DE MAN, Brab. Oork. 122). In O.-I. echter bep. ter aanduiding van elk hout dat geen djatihout is. Vgl. ook bij de bet. 6, a) de verb. wild hout.
Wildhout …. Zoo noemt men elk soort hout, die niet in cultuur is genomen,   ZWIERS [1920].
— In 't geheel werd op Java in 1889 gekapt, zonder het wildhout te rekenen, 73550 M³ djatitimmerhout,   Ts. Nijverh. 1891, 1, 145.
De oorlogsprauwen die te Lasěm van het Rembng'sche djati-hout werden vervaardigd … in tegenstelling tot de vrachtprauwen, die van Borneo'sch wildhout werden gemaakt,   Eerste Schipv. 1, 132 [1915].
Hierbij: wildhoutbosch.
Wildhoutbosch, (Ind.) elk bosch dat geen djatiehout oplevert,   V. DALE [1914 ].
Alle bosschen in Nederlandsch-Indië welke niet geheel of voor het grootste gedeelte uit djatiboomen bestaan, worden samengevat onder de gemeenschappelijke benaming "wildhoutbosschen". Deze wildhoutbosschen bestaan meestal uit zeer vele dooreengemengde boomsoorten,   Encyclop. N.-I. [1921].
— De zorg … voor de bosschen, die andere boomsoorten dan djati bevatten en ter onderscheiding van de Djati-bosschen "Wildhout-bosschen" worden genoemd, dateert van veel lateren tijd,   266 a [1896].
Verleenen van vergunning tot kappen en uitsleepen van hout uit niet in stand te houden wildhoutbosschen,   Stbl. v. N.-I. 1920, n° 91, blz. 1.
Hierbij ook: wildhoutsoort.
Vele wildhoutsoorten hebben … voor bouwwerken geen waarde; zij zijn te broos en soms zelfs als brandhout niet te gebruiken,   ZWIERS 2, 571 b [1920].
Wilde-kaneelhandel.
Tot den sandelhout ende wilde caneel handel … waren den 9 November 1636 nae Solor, Timor ende Endé vertrocken 't schip Cabo de Ramo met t jacht den Zeeuwsen Nachtegael,   Bouwst. Mal. Arch. 2, 328 [1637].
Wildkastanje.
Aesculus Hippocastanum L. … wilde kastanje …, wildkastanje,   GERTH V. WIJK, Plantnames 33 a [1911].
Wilde-kastanjeboom.
Aen den voet van eenen Wildekastanieboom blyft hy staen,   CONSC., Edelm. 177 [1851].
Wildekop.
Wildekop. Iemand met een verwarden en verwilderden haarbos,   CORN.-VERVL. [1903].
Wildkoren, (gewest.) duist (Alopecurus agrestis L.).
Wild-koorn in 't latyn Zizania, is de naam van een Planten-Geslacht, onder de Klasse der Eenhuizige Grasplanten gerangschikt,   CHOMEL, Verv. [1793].
Het Wildkoorn, der Seehafer, wildes Korn, Zizania,   WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
  PAQUE, Bijvoegsel [1912].
— Op vele plaatsen heet de plant (t.w. de Alopecurus agrestis) duist, duistgras en smeelen. In Groningen noemt men haar wintergras …, in de Graafschap Zutphen wildkoren,   HEUKELS, Flora 1, 460 [1911].
Wildeman (zie ald.).
Wildmuziek, het als muziek beschouwde gezang van vogels, wildzang.
't Gevogelt … Hem groet met wilt-muzijck, En vrolijck tierelieren,   VONDEL 2, 152 [1614-'15?].
Wildoor.
Wildoore, onbezonnen meisje,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
Wildruit, een tot de Rutaceae behoorende heesterachtige plant, waarbij twee variëteiten onderscheiden worden, t.w. de Peganum harmala L. en de P. dauricum L. De naam wildruit wordt zoowel gebruikt voor het geslacht Peganum, als voor één der soorten.
Peganum harmala …. Wildruit,   NEMNICH, Allg. Polygl.-Lex. d. Naturgesch. [1795].
De Wildruit, die Harmelstaude, wilde Raute, Peganum harmala,   WEIDENBACH [1808].
Wildruit. (Bot.) Rue sauvage; harmale (d'Egypte),   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Wildruit, (plantenk.) bergruit,   V. DALE [1872 1914].
Peganum. Wildruit. Een vyfbladige Bloem, met een vyfbladigen of in 't geheel geen Kelk; een driehollig, driekleppig Zaadhuisje, dat veele Zaaden bevat, zyn de byzondere Kenmerken. Twee Soorten bevat dit Geslagt …. (1) Wildruit met fyn verdeelde Bladen …. (2) Wildruit met onverdeelde Bladen,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 5, 133 [1775].
Harmel, of Wildruit met fijn verdeelde Bladen; Harmala. … Hetzelve groeit in de zuidelijke deelen van Europa, dog niet overal. Clusius … zegt dat het een heesteragtig Kruid is, veele Stengen uit de Wortel voortbrengende, die zwartagtig-groen zijn, met Bladen breeder dan die van Venkel …. Bellonius verhaalt, dat het op sandige plaatzen bij Alexandrie in Egijpte groeit, en in verscheiderleij gebruik is bij de Arabieren en Turken,   CHOMEL [1777].
Siberische Wildruit, of Wildruit met onverdeelde Bladen; Peganum dauricum; Ruta foliis simplicibus alternis. Zij was van Messerschmid Daurische Berg Harmala … genoemd. … Hier word bijgevoegt de Berg-Harmala …, welke Gmelin, in 't gebergte aan den mond van de Rivier Borsa, in 't voorste van augustus verzameld, … beschrijft,   CHOMEL [1777].
In Rusland haalt men … eene goede roode kleurstof uit het zaad van de Harmel- of wildruit (Peganum Harmala),   Schatk. v.a. St. 1847, 2.
Wildstam.
1°. Boom waarop geënt of geoculeerd wordt of is; onderstam, wildeling.
Wildstam. Stam van wilde vruchtboomen als kersen, appelen, of peeren, welke gebruikt worden om daarop tamme soorten te enten, ook wildeling genoemd, opgave v.   H.J. SWAVING [c. 1854].
Wildstam, de plant, waarop geënt wordt,   KUIPERS [1901].
Bij het veredelen of enten wordt een tak van een plant overgebracht op een tak van een andere, waarna men die twee laat vergroeien; de eerste kan dan na de vergroeiing dadelijk gebruik maken van de aanwezigheid van het wortelstelsel van de laatste; deze heet wildstam of onderstam, de eerste entloot,   v. Gorkom's O.-I. Cult. 1, 303 [1917].
— Op wildstam en aan hoogstamden blijven de vruchten kleiner, vooral als zij na het zetten niet tijdig worden gedund,   BERGHUIS, Ned. Boomgaard 1, 27 [1868].
Om het enten te doen slagen is gelijksoortigheid of tenminste nauwe verwantschap van entloot en wildstam noodig,   Alb. d. Nat. 1895, 1, 70 [1895].
De Betuwsche boomgaardbezitters koopen boomen met 1-, 2- of 3-jarige kronen, doch ook wel wildstammen, om die dan na de planting in den boomgaard te enten of te oculeeren,   Versl. Landb. 1918, 1, 56.
2°. Vrucht van een wildstam (1°).
Dan is er nog een wildstam — de Franschen noemen hem Doucin de Duitschers Splittapfel, — welke … het midden houdt tusschen den gewonen wilden appel, van zaailingen verkregen, en den paradijs,   OTTOLANDER, Ooftb. 112 [1880].
Wildvarken.
1°. Everzwijn.
VViltvercken. Wildt, furieux …, knorrende, trots, periculeus …, ontemmelijck, borsteldraghende,   SMYTERS, Epith. [1620].
Het VVild- verken, a Wild boar,   SEWEL [1691 ].
  SCHUERM. [1865-1870].
— 't VVildt-vercken (zoo men zeght) en is gheen plaets houdende, want het niet en doet dan van't een woudt ende bosch in het ander te loopen,   SMYTERS, Epith. [1620].
Aper, in 't Fransch Sanglier …, in't Nederduitsch Wildvarken, Wildzwyn, Everzwyn, is een zeer wild en wreed dier, van grootte en gedaente als een gemeen Varken, maer wiens hair ruwer, overeind staende, en zwart- of donkerroodachtig van kleur' is,   LEMERY-V. PUTTEN, Wdb. d. Droog. 43 a [1743].
2°. (Gewest.) Pissebed. Zie ook Dl. XVIII, 590.
  SCHUERM. [1865-1870].
  DORREN [1918].
Hierbij, of rechtstreeks gevormd bij de verb. wild varken: wild-varkensvleesch.
Caro aprugna. Wild værckins vleesch, oft venezoen. Chair d'ung porc sanglier, ou venaison,   PALUDANUS 29 b [1544].
Caro Aprugna, wilt verckensvleesch,   DASYP. Y iij r° a [1546].
— Dat een Wilt Vercken alle de deughden heeft, die hier boven van het Tamme verhaelt zijn, en die fouten die uyt groote vochtigheydt komen, niet en heeft; en daerom seydt Hippocrates … dat het Wilt Verckens-vleesch ten aensien van het Tamme, drooght, versterckt, en beneden wel af-schiet,   V. BEVERW., Schat d. Ges. 114 (ed. 1656) [1637].
Meester Andries. Maer wat gevoelen hebt gy van het vleesch der wilde Dieren? Bontius. Te rechter tijdt maeckt gy daer gewagh af, onder dese soorten houde ick dat het Wilt Verckens vleesch het beste is,   BONTIUS e.a., O.- en W.-I. Warande 14 [1694].
Wildvlas, vlaskruid, bep. gele leeuwenbek (Linaria vulgaris Mill.). Vgl. ook bij de bet. 2, b, α) de verb. wild vlas.
Linaria, Urinalisest herba cujus folia linum repraesentant. Vlas-kruid, Wild-vlas,   BLANCARDUS, Lex. Med. 374 [1702].
— Die mannekens beminnen seer het Linariam ofte wilt-vlas met geele bloemen,   CLUTIUS, Van de Byen 26 [ed. 1619].
Wilt-vlas, ofte Linaria … is heet, ende droogh in den derden graed, bitterachtigh van smaeck, ontdoet en suyvert de verstoptheydt … van de Lever, ende Milt … en drijft sterckelijck (waerom het by sommighe Urinalis gheheeten werdt) het Water af,   V. BEVERW., Schat d. Onges. 1, 55 b (ed. 1656) [1642].
Wildvleesch, woekering van vleeschachtig weefsel, vooral in wonden of zweren; granulatieweefsel.
Wildvleesch, van eene wonde: chaire morte,   Verz. GEZELLE [Oostende, voor 1899].
Wildvleisch, woekering in wonden,   DORREN [1918].
— Met deze middelen gaat men voort, tot dat eene goede ettering en granulatie intreedt. Vormt zich wildvleesch, dan wendt men de egyptische zalf aan,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 519 [1871].
Wildevrouw. In de herald.; vgl. ook wildeman 1, c).
Wildeman, een naakte manspersoon, sterk behaard en gespierd, met een krans van groene bladeren om de heupen, veelal gewapend met een knots. Hij komt meer voor als schildhouder dan als stuk. Wildevrouw, een naakte vrouw, eveneens met een krans van bladeren en zeer rijken haartooi. Ook zij is soms gewapend met een knots. Als stuk hoogst zeldzaam,   JUNIUS, Herald. [1894].
  KUIPERS [1901].
Wildvuur, ben. voor verschillende aandoeningen. Zie de verb. wild vuur, hierboven behandeld bij de bet. 13, b).
VVilt-vyer, Zeericheyt, levende, quaet, schorftich, vuyl, groeyende, pockich …, voortkruypende,   SMYTERS, Epith. [1620].
Wildvier. Phlyctaena,   BINNART [1654].
Wildvuur, roosachtige huidaandoening met gezwollen en schubachtige huid, (eng. wild fire),   DORREN [1918].
Wiljtvuur, wondkoorts,   V.D. HEIJDEN [1927].
Miltvuur (bij runderen), … wildvier,   W.B.D. 1, 3, 475 b [1976].
Wiljtvuur, wondkoorts,   SCHELBERG [1979].
Vlekziekte (bij varkens) … wildvuur,   W.B.D. 1, 6, 854 b [1980].
— Hy was seuen daghen … soo ontstelt en ontsteken van Wilt-vier dat hy gheuoelde vanden Riem opwaert, dat van pyne tusschen hem, ende die doot niet en was,   VRANCX, Wercken v. Maria 3, 160 [1602].
Een strym (streep) is van een slag, een blaer (wildvuer) van branden (angebrandtheyd) eeld van verhardinge,   COMENIUS, Deure d. Talen 131 b [1642].
Dat de stoffe, met welke deeze zes (kalveren) ingeënt waren, genomen was niet van aan de Veepest zieke Beesten, maar aan een heete ziekte … door de aanhoudende droogte en hitte waarschynelyk veroorzaakt …. Eene ziekte, die … in Holland by de naam van Spring- of Wild-Vuur bekend is,   Verh. Maatsch. Landb. 3, 3, 43 [1783].
Meer dan eene ziekte wordt het Springvuur ook wel het Wildvuur of ook het Venijn genaamd,   BERKHEY, N.H. 7, 403 [1808].
Wildewagen, (W.-Vl.) een onbesuisd(e) onstuimig(e) en dartel(e) jongen of meisje.
Wildewagen. Smaadnaam gegeven aan iemand die dertel en uitgelaten is,   DE BO [1873].
— Een wildewagen van eenen jongen, van een meisje,   DE BO [1873].
Vermeulen dacht aan zijn zoon …; tot nu nog was hij zachtaardig en gewillig, een wildewagen maar zonder eigen inzicht of aanmatiging in 't bestuur — en later-van-tijd zou Vermeulen hem wel den weg toonen als 't noodig werd,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 12 [1907].
Wild(e)was. Gewest. 1°. Struikgewas, struiken.
  GALLÉE [1895].
— 't Zag den blekworm … deur den donkeren avond schemeren; 't zag zijn winkelend keerske lichten, in en uit den wildwasch wikkelen,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 694 [1886].
2°. Wild vleesch, granulatieweefsel.
  GALLÉE [1895].
Wildwassend.
Het (was) misschien wel der moeite waardig, om proeven met het telen der bij ons wildwassende gele luzerne te nemen,   ENKLAAR, Handb. Landb. 237 [1854].
Op wildwassende grassen aangewend, geeft somtijds de beste stalmest weinig voordeel, tot dat eene bestrooijing met kalk haar te hulp komt,   Vriend Landm. 22, 729 [1858].
Wildweg, in het wilde weg.
De Obotriten stonden onder het bevel van hun krygshoofd, ondersteund door een frankschen edelman … die den regten vleugel bestierde; terwyl de Saksers wild weg en zonder bekwame opleiders de kans waegden,   DAVID, Hist. 3, 231 [1851].
Het is beter op een gangbaar voorbeeld te werken dan wild-weg naar het hoogste te grijpen, hetwelk nooit anders dan een zielige nederlaag kan beteekenen,   Masker 1, 22 [1921].
Wildweidend, hetz. als wildweidig ‘buitensporig; overdadig’; hier gezegd van gewas: naar alle zijden weelderig uitgroeiend.
De boom … steeckt zijne arremen, de tacken, onvervaert Al wijder herwaert uit, en weder derrewaert, Staet midden in zijn schim wiltweiend tot op 't leste,   VONDEL 8, 222 [1660].
Vandaar: wildweidendheid, overdrijving.
Het (waar) vermetelijk, te zeggen, dat datgeene waar is 't welk u behaagt; en 't geen u aanstoot geeft, het zelve van wildweydentheyd en valscheyd te berispen,   OUDAAN, Arnobius 241 [1677].
Wildweidig (zie ald.).
Wildwoest.
Zy (t.w. de letters) (trekken) iemant uit de domheit, en uit een wildwoest leven, 't welk maakt dat een onbewetenschapt mensch in eenen Staat is, als Polyphemus, na dat hem Vlisses d'oogen uitgesteken had, in zijn hol was,   DE BRUNE, Jok en E. 311 [1644].
Waar van de blijken, zelf in den overgroven Polyphemus, waren te zien, die met Galatheaas liefde bevangen wezende, zijn wildwoeste zinnen tot punticheit begon te wennen,   DE BRUNE, Wetst. 2, 35 [c. 1648].
Wildewouter, wildebras. Zie de verb. wilde wouter bij de bet. 18, a, α), 5de alinea.
Wildzinnig.
Aertige en aengenaeme trekken van vernuft zyn in 't geheel niet onbestaenbaer, met nutte verkeering: ten zy men eene zoutelooze levendigheit, of wildzinnige ligtvaerdigheit, voor vernuft en geestige boert aenziet,   HERVEY, Ther. en Asp. 1, 10 [1765].
Wildzwijn, everzwijn.
Aper, in 't Fransch Sanglier …, in 't Nederduitsch Wildvarken, Wildzwyn, Everzwyn, is een zeer wild en wreed dier, van grootte en gedaente als een gemeen Varken, maer wiens hair ruwer, overeind staende, en zwart- of donkerroodachtig van kleur' is,   LEMERY-V. PUTTEN, Wdb. d. Droog. 43 a [1743].
— Gheen Haas was u te licht, gheen Hert te snel of moedigh, Gheen Wildt-swyn oock te wreet, noch Beer of Stier te woedigh,   Roemster v.d. Aemstel B 5 r° [c. 1630].
Op de eene knoop de kop was van een mannetjes-hert; op de andere een varken dat "slagtanden" had en daarom "wildzwijn" werd geheeten,   V. LOOY, Jaapje 32 [ed. 1917].
Hierbij, of rechtstreeks gevormd bij de verb. wild zwijn, nog de volg. samenst.: wildzwijnshoofd.
Wildzwynshoofd …. La hure du sanglier,   MARIN [1701 ].
— Van een Wild Swyns-Hoofd snyt men eerst de swaart aan de rechter wang weg, en laat die daar by hangen. Dan snyt men enz.,   Welleventheid 89 [1733].
Wild(e)zwijnenjacht.
De wilde zwynejagt is gevaarlyk,   MARIN [1701].
Terwyl heden … de nodige preparatien gemaakt en de wegen tot de reize g'effend wierden om aanstaande Dingsdag op de wilde koeijen-, hartebeesten- en wilde-zwynenjagt te gaan,   bij DE HAAN, Priangan 2, 522 [1745].
"Herinnert ge u," hervatte Taurel met iets hartstochtelijks in de stem, "de wilde zwijnen- en stierenjachten, waarin de Bloem der Savanna's een zoo vreeselijk gebruik maakte van de lans met de halvemaanspits?"   SNIEDERS 10, 58 [ed. 1877].
Wildzwijnjager.
Een ervaren wildzwijnjager deelde onlangs het volgende mede: "… ik (ontdekte) … dat de wilde zwijnen deze delicatesse (t.w. een hertekadaver) bijna tot op het laatste overschotje hadden verorberd",   Alb. d. Nat. 1902, 1, 279 [1902].
Wildzwijnskop.
Wilde Zwynskop, hoe men die excellent toebereiden zal,   Holl. Keukenm., Aanh. 97 [1746].
Maak een wild-zwijnskop schoon, neem de ooren er af en kook deze gaar; ontbeen den kop, doe er zout op en laat enz.,   BLOM, Kookk. 425 [1910].
Wildzwijnenvleesch.
De gemeine en dagelixe spijze is gedroogt herten- en wilt-zwijnenvleesch en visch,   DAPPER, Gedenkw. Bedr. 23 b [1670].
"Zulken slechten kost!" klaagde hij (een soldaat), "droog vleesch, wildzwijnenvleesch en altijd hetzelfde",   LOVELING, D.E. 152 [1891].

Aanvulling bij WILDII

Samenst. Wildgroei. 1°. Abnormale, onoverzichtelijke aanwas, vermenigvuldiging, ontwikkeling; woekering.
  KOENEN [1974].
  V. DALE [1976].
2°. (Fig.) M. betr. t. handelingen, ideeën e.d.: ongeremde, onoverzichtelijke, onvoorbereide ontwikkeling, toename.
Een wildgroei van initiatieven,   KOENEN [1974].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1992.