Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: WINTELSTEIGER Volgend artikel: WINTER II
Afbeeldingen: Dodoens1554
Etymologie: EWN, EWA
GTB Woordenboeken: MNW

WINTERI

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: winter

znw. m., soms ook onz., mv. -s. Mnl. winter; os. wintar, mnd. winter, nnd. winter; ofri. winter, nfri. winter; oeng. winter, neng. winter; ohd. wintar, nhd. winter; on. vetr; got. wintrus. Het woord wordt meestal teruggevoerd op een idg. wortel *ūd- ‘nat maken’, die ook ten grondslag ligt aan b.v. water, waarbij men uitgaat van een grondbet. ‘nat jaargetijde, regentijd’ (de n wordt dan door binnennasaliseering verklaard; vgl. POKORNY 79). Er wordt ook wel verband gelegd met wind of Iersch find ‘wit’, waarbij de grondbet. zou zijn ‘stormachtige periode’ of ‘witte sneeuwtijd’ (zie de etym. wdb.).
Als gewest. vormen werden o.a. aangetroffen: (met velariseering) winkter (vgl. JONGENEEL), wintere (vgl. GHIJSEN) en wentere (vgl. TEIRL.); voor de wisseling i-e zie men WEIJNEN, Ned. Dialectk. 205 [1966].
+1.  Het vierde en laatste der jaargetijden, op het Noordelijk halfrond durend van c. 22 December tot c. 20 Maart, gekenmerkt door een lage temperatuur en een rustende vegetatie; in klimatologischen zin: de periode omvat door de maanden December, Januari en Februari; eert. en nog gewest. ook: de halfjaarlijksche periode van c. 1 October t/m 31 Mei (tgov. den zomer).
+2.  Periode met wintersche weersomstandigheden; winterweer met koude, vorst, sneeuw e.d.
  V. DALE [1872 ].
— Een' Maend voor Kersmiss, een' daer naer, Is recht de Winter van het Jaer,   HUYGENS 1, 732 [1657].
Het groeit en bloeit in tuinen en op het veld, in tegenstelling van het Noordelijk Italie, waar men over strenge koude klaagt; indien het zoo voortgaat, kunnen wij zeggen geen' winter te hebben gehad,   Alg. Konst en Letterb. 1838, 1, 160.
Dat is … een winter van half October tot de Meimaand toe,   BEETS, C.O. 215 [1840].
Het was nu Mei geworden en schoon het nog een week geleden winter was geweest, viel de zomer in het midden van die maand als zonder overgang in, met een schroeiende warmte,   COUPERUS, E. Vere 3, 242 [1889].
Het (t.w. ”Het Burgerlijk Armbestuur”) ontvangt jaarlijks eene bijdrage van f 800 uit de gemeentekas, welk bedrag echter de beide laatste jaren niet voldoende was, wegens ziekten en langdurige winters,   Onderz. Landb. 1886, 18, 6 [1890].
Het was April, maar het was nog winter: een kille, natte winter, die als nooit uitgeregend was,   COUPERUS, Kl. Z. 1, 205 [1901].
Wie hebben in Feberwoarie twij winters had, 2 vorsttijden,   TER LAAN [1952].
+3.  (Fig.) Periode of toestand die vergeleken wordt met den winter.
+4.  (Meton.) Jeukende, ook wel pijnlijke aandoening of zwelling aan handen, voeten of andere lichaamsdeelen, veroorzaakt door een storing in den bloedsomloop ten gevolge van de winterkou. Vgl. ook WINTERHANDEN en winterteen(en), wintervinger(s), wintervoet(en) onder WINTER, Samenst.
5.  Voorstelling van het winterseizoen; afbeelding van, schilderij met een wintersch tafereel of een winterlandschap. In de aanh. steeds in den verkl.
G.N. mout noch schilderen het winterken tot het somerken van A. Van L.,   in D. War. 1889, 277 [1618].
Onder de nauwkeurig opgesomde artikelen bevonden zich o.a. schilderijen, namelijk negen ”conterfeitsels van het geslacht”, een ”schilderije zijnde een Andromeda”, een ”winterken”, een ”frutage” (vruchtenstilleven) en twee ”landschapkens”,   Z.-Holl. Stud. 6, 65 [aangeh. woorden 1652].
Een Maria beeldtie, van Raefel Urbyn. Een Cristus tronie, van Rembrant. Een wintertje, van Grummers enz.   (uit een inventaris), in N. Werken Holl. Maatsch. K. e. W. 1, 552 [1656].
Kan een fijn boschgezicht van Nuijen … den schrijver van Salmagundi, den zanger van Schelfhouts wintertjes, den dichter, die Koekoek benijdt …, niet uitlokken om een enkel toontje aan te slaan tot Nuijens gedenken of tot het regt doen aan Hollands eigenaardig natuurschoon,   BOSB.-TOUSS., Br. a. Potg. 61 [1851].
Afl. Winterachtig. 1°. (Bnw.) Gelijkend op het genoemde in den winter; als in den winter; wintersch; blijkens de wdb. eert. ook: van, behoorend tot den winter.
Hyemalis, winterachtich,   DASYP. H v v° b [1546].
Winterachtich, wintersch. Yuernal, d'yuer, ou appertenant à l'yuer. Hyemalis, brumalis, hybernus,   PLANT. [1573].
  V. DALE [1872 ].
  TEIRL. [1922].
Winterachtigen tijt. Temps d'yuer. Hybernale tempus, tempus hybernum,   PLANT. [1573].
De lucht was hier nu al vry kout, helder en wynterachtich, 't vroor ook so nu en dan al wat,   WITSEN, Mosc. Reyse 13 [1664].
'T is winterachtig weêr,   MARIN [1793].
Het was niet de late voorjaarsvorst, of de winterachtige zon, die de schade aanrigtte,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 1, 73 [1828].
Zoodra het winterachtig begint te worden, blijft hij (de das) op zijn zacht leger liggen,   KROEZE RAMAKER, Nat. Hist. 1, 50 [1856].
Rustig en vreedzaam stonden de hoeven tusschen de winterachtige akkers,   GERMONPREZ, Nov. 181 [1901].
2°. (Bijw.) Op een wijze die past bij den winter.
Zij was reeds winterachtig (wintersch) gekleed,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Zij draagt een grooten geruiten mantel en — niet heel winterachtig — een stroohoed boven haar muts,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 372 [1865].
Winterachtig gekleed zijn,   V. DALE [1898].
Vandaar: winterachtigheid. In wdb.
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
Winterdom, geheel van wintersche omstandigheden. Incidenteel bij GEZELLE.
Ik leef nog: piep! Ik leef, spijts 's winters winterdom!   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 257 [1890].
Winteren (zie ald.).
Winterig. Nog gewest. in Gron. en Vl.-België. 1°. Van, behoorend tot of plaatshebbend in den winter; den winter omvattend.
Hybernus …, winterich,   DASYP. H v v° a [1546].
— In winterighe daghen, Wanneer ghy binnen hier Zijt naer u welbehaghen Gheseten by het vier,   HONDIUS, Moufe-schans, Dedicatie 7 [1621].
In het winterich saisoen,   HONDIUS, Moufe-schans 241 [1621].
't Wintrigh jaegen Van den dagh,   HUYGENS 1, 481 c [1623].
In het wintrig jaargetij Slaapt 't haasjen in zijn leger vrij,   R. LOVELING, Ged. 55 [ed. 1870].
In een plantnaam.
Equisetum hiemaleWinterig paardestaart; Schaafstroo,   NEMNICH, Allg. Polygl.-Lex. d. Naturgesch. 2, 1502 b [1793].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 489 b [1911].
2°. Gelijkend op het genoemde in den winter; winterachtig.
Wintêrg, winterachtig, als in den winter, op den winter gelijkende, zooals het soms nog in Maart en April voorkomt,   MOLEMA (hs.) [1895].
— Zy en zoudent nemmermeer zonder groote schade ende schande omtstaen ende omtcommen hebben (overmits treynich ende winterich wedere) ten hadde gheweest die rechtvaerdighe toorne Gods,   DESPARS, Cron. v. Vl. 3, 64 [1592].
Winterg weer,   TER LAAN [1952].
't Heurt zo winterg, 't is een echt wintergeluid,   Ald.
3°. (Gron.) Den winter voorspellend.
De mòllen zitten hoog in de grond, da's gain winterg taiken,   TER LAAN [1952].
Winterlijk.
1°. Hetz. als winterig (2°). In de laatste aanh. in fig. gebr.
Winterlick. En maniere d'yuer. Hyberno more,   PLANT. [1573].
  HEXHAM [1678].
— Blijkens een schrijven, op 3 September 1575 door den Secretaris van den Raad van Zeeland aan Tristram Jhane … gericht, had de Raad van Zeeland besloten, ”alsoot voortaen winterlijck beghint te werden,” om de twee oude vendelen knechten, die in Zeeland Beoosterschelt lagen, zes maanden hunner achterstallige soldij in laken te betalen,   in A. V. DORP, Br. 1, 160 [aangeh. woorden 1575].
Ghy die al u ouwers goet, Jonck en dom te quiste doet, In u cloucke grove jaeren, Sonder stuyver te verspaeren; Als de outheyt comt ghecroopen, Met haer winterlick ghelaet, Vint ghy voor u niet te coopen, Selfs wanneer het voor u staet,   HONDIUS, Moufe-schans 297 [1621].
2°. Hetz. als winterig (1°).
Ook als de vaak sluipt in uwe oogen, Zal geen zwaarmoedig licht der winterlyke maan, Geen dwaalstar, boos van aart, door invloed uit den hoogen, Op uw lichaam iets vermogen,   DULLAERT, Ged. 33 [c. 1670].
't Kreeg ooren alles wat in 't ronde In d'ernst der winterlijke nacht, Als waar 't een doodslaap, lag gedoken,   LESTURGEON, Verstrooilingen 78 [1844].
Winterling.
1°. Volksben. voor zekere planten uit de familie der schermbloemigen, inz. voor de gevlekte scheerling (Conium maculatum L.), maar ook wel voor de waterscheerling (Cicuta virosa L.) en de hondspeterselie (Aethusa Caenapium L.).
Winterlinck. Sicuta latine. Succarii Arabi. Conisa vel tenela vel lomon grece,   Gr. Herbarius 47 b [1514].
Cicuta … Scheerling, dulle peters Oly, Winterling, Pijpkruid, dulle Kervel,   BLANCARDUS, Lex. Med. 158 [1702].
Winterlink, of pypkruid. Cicuta,   HANNOT-V. HOOGSTR. [1704].
Scheerling; Dulle-kervel; Winterling, ook Pijpkruid genoemd; in 't latijn Cicuta,   CHOMEL [1775].
  V. HALL, Kruidtuin 194 [1871].
  HEUKELS 72 b [1907].
Conium maculatumcicute …, gevlekte scheerling …, winterlinck,   GERTH V. WIJK, Plantnames 356 b [1911].
2°. Wintergewas. Sinds lang veroud.
Item, sullen de meyers elck in heur ommegaen ende visiteren den winterlinck, sint-Luyckx dagh, en den somerlinck, te weten den somerlinck uytgaende mey, ende de corenvelden uytgaende meert,   Cost. v. Brussel 2, 280 [1556].
3°. (Vl.-België) Zie de aanh.
Winterling. Naem van de slagvink als zij 's winters in de sneeuw gevangen is geweest,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
Hierbij: winterlingwater, aftreksel van den winterling (1°).
Hoe een maecht die haer borsten te groot werden, cleen houden sal. Men sal die borsten bestrijeken met winterlinc water oft Cicuta int latijn,   Sack d. Consten 31 (ed. 1940) [1528].
Winterloos.
Plataan en eik, aan noordelijker klimaat gewend, laten ook in dit winterlooze land (het eiland Madeira) met het najaar hun loof vallen,   Alb. d. Nat. 1895, 1, 200 [1895].
Wintersch (zie ald.).
Samenst. en kopp. Als tweede lid o.a. in: kwakkelwinter, midwinter, nawinter, voorwinter.
Als eerste lid in: Winteraard, stuk bouwland waarop wintergraan wordt verbouwd. Sinds lang veroud.
De wynteraert … wel ende loffelijck besaeijt met wyntercoren,   als voren [1537].
Den winteraerdt nu besaydt zynde op zyn viere getydige voeren gelyck zyn regenooten groot zynde ontrent 24 boender ende noch een dachm.,   in E. Schoon en Brab. 36, 197 [1552].
Den winteraard wel gewonnen, gemest ende met wintercoren besayet,   bij LINDEMANS, Landb. 1, 122 [Bunsbeek, 1574].
Winteraardappel, late, gedurende den winter houdbare aardappel.
  WEIL. [1811].
Winteraardappel, aardappel, die gedurende den winter goed blijft,   V. DALE [1872 ].
— Ik bedoel … niet de laate of winter-aardappelen; maar de vroegere welke in de maand Augustus worden uitgehaald,   Verh. Maatsch. Landb. 4, 131 [1788].
Schoon in dit Jaar … het water zoo buitengewoon hoog is geweest door het ophouden van het water in Delfland in Herfstmaand …, zoo zelfs dat mijne voren geheel vol met water stonden; hebben echter mijne Winter Aardappelen zeer sterk geladen; zijn voortreffelijk uitgevallen en uitnemend van smaak,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 451 [1810].
De aardappelen zyn verleje-n-Oktober "opgedaan" en de man zei, ze konden best twee jaar duren, want, zeid-i, 't waren expresse winteraardappelen, overblyvers,   MULTATULI 8, 14 [1874].
De grens tusschen deze ("voorgekiemde aardappelen") en de vroege winteraardappels is soms moeilijk te trekken,   Versl. Landb. 1913, 6, 1.
Hierbij: winteraardappelteelt.
Wy twyfelen geenszins of onze lezers zullen in deze toepassing (van een middel tegen de aardappelziekte) een zeer groot belang vinden, en als het ware de verwezenlykheid van de winteraerdappelteelt over eenige jaren,   Akkerbouw 3 Maart 1850, 2 a.
Verslag eener winter-aardappelteelt,   Boeren-Goudmijn 2, 2, 174 [1856].
Winteraas, voedsel dat dieren in den winter eten.
Als de kreklen, Die op steklen 't Zomerweêr verzingen dwaes, Moeten derven, Moeten sterven, By gebrek van winteraes,   STALPERT V.D. W., Uitgel. D. 225 [ed. post. 1631].
Voorts strekken de Bessen, die niet dan in de Herfst aanrypen, de Lysters en andere Gevogelte tot Winter-Aas,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 170 [1775].
Winterafschot, (jag.) het afschot van wild in den winter, tgov. dat in den begintijd der jacht (zomerafschot, herfstafschot).
  HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Winterajuin, hetz. als winterui; inz. ben. voor Allium fistulosum L. Sibin.
De Winter-ajuin, of Cibolle,   KNOOP, Moest. 23 a [1769].
Men kan in 't begin van deze Maand (October) nog Vette Kous, Spinagie en Kervel zaaijen, die nog goed kunnen worden voor het winter of voorjaars gebruik, en men plant nog Winter-Ajuin,   Burger-Thuinb. 421 [1769].
Winterakoniet(je), op de akoniet gelijkend, zeer vroeg bloeiend sierplantje, behoorend tot de familie der Ranonkelachtigen (Eranthis hiemalis Salisb.).
  HEUKELS 93 [1907].
Eranthis hyemalisEurop. … akonietjes, eidooiers, gele winterbloem …, winterakoniet, winterakonietjes, winterbloem,   GERTH V. WIJK, Plantnames 491 b [1911].
Wolfswortel of Winterakoniet (Eranthis hiemalis Salisb.); Winter of Kleyne geele Wolfswortel (Dod.),   DE COCK, Spreekw. Volksgel. 1, 15 [1920].
— Dit (t.w. Juni) is de bekwaamste tyd om … te verplanten de wortels en bollen van varkensbrood, kivietseijeren …, winteraconyt, vastenavondzotjes en dergelyke andere bolwortelige bloemen,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 151 [c. 1800].
Winteralpinisme.
In menig opzicht verschilt het winter-alpinisme van dat in den zomer,   VISSER, Winter i.d. Alpen 44 [1913].
Winter-Amsterdamsche (Winter-Amsterdamscheploot), uit Amsterdam afkomstige, door ploten van wol ontdane wintervacht van een schaap.
De winter-Amsterdamse blote tot 17 gulden,   R.G.P. 49, 642 [1722-'36].
De winter-Amsterdamse en de suemer-Hoorense à 19 gulden,   Ald.
Winterandijvie, in den winter geoogste andijvie.
Endivie; Andivie; Winter-Endivie; in 't latijn Endivia enz.,   CHOMEL [1769].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
— De vroege Zomer-Andivie zaaid men vroeg in 't Voorjaar …. Tot laater Zoomer- en tot Herfst- en Winter-Andivie kan men vervolgens zaaijen tot in 't laatst van Juli,   Burger-Thuinb. 345 [1769].
Het Keuken-gebruik der Bete-wortels aangaande, zo eet men dezelve in de Winter-tyd … dog zelden alleen, maar meest met ander Salaad, als Winter-Andivie, Vette Kous, witte Kool-Salaad, &c.,   KNOOP, Moest. 56 b [1769].
Winterangel, het lange haar (tgov. het korte onderhaar of de wol) van den haas in den winter (tgov. zomerangel).
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Winterappel (zie ald.).
Winterarbeid.
  WEIL. [1811].
Winterarbeid, werk, dat des winters verricht wordt,   V. DALE [1872 ].
Winterasperge.
1°. Asperge die in den winter geoogst wordt.
Men kan (in October) ook broeibakken aanleggen voor aspergies, die in December zullen aankomen, maar het is beter te wagten tot December of January: want de winter-aspergies zyn op ver na niet zoo groot, noch zoo goed van couleur, als die, welken in February aankomen,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 230 [c. 1800].
De Winter-aspergiën van M.P., te L.,   Akkerbouw 8 Jan. 1860, 2 c.
2°. (Hageland) Schorseneer (Scorzonera hispanica L.).
  TUERL. [1886].
Winteraster, chrysant (Chrysanthemum indicum L.). Naar een persoonlijke mededeeling nog in oost. dial. (Nijmegen) in gebr. Vgl. ook hd. winteraster.
Eene half verlepte goudsbloem en min sierlijke winteraster, maken al het overschot uit van eene menigte schoone bloemen,   OVERDORP-POST, Het Land 308 [1788].
Winteraveelzaad, hetz. als aveelzaad, gesteld tgov. zomeraveelzaad, een geringere zomervariëteit; winterraapzaad.
Het Winter-Aveelzaad, minder rijk van opbrengst, maar hetwelk ook eenen minder vruchtbaren grond en later zaaijen voor lief neemt,   ENKLAAR, Handb. Landb. 72 [1854].
Welligt is ook de aard der grondstof, koolzaad, zomer- of winter aveelzaad, bievits, raapzaad enz. van invloed op de kleur der koeken,   Boeren-Goudmijn 9, 79 [1863].
Winteravond (zie ald.).
Winterbakenton, bakenton, soort boei die in den winter gebruikt wordt.
Winterbakentonnen van twee grootten met stok, lang 1,80 à 1,50 M. middellijn over de duigen van 1,00 à 0,80 M. en stoklengte van 3,48 à 3,10 M.,   V. KERKWIJK, Openb. W. 195 [1876].
Winterbarg, hetz. als wintervarken, 1°. Vgl. fri. winterbaerch (zie DIJKSTRA, Fri. Wdb. s.v. [1911]).
Betaeldt aen handen van Douwe Hendricx zoen van Bochssum, ter causse van twie groote wintterbargen die somma van ses goudengulden,   Oork. St. Anth.-Gasth. 760 [1582].
Winterbed (zie ald.).
Winterbedeeling, uitdeeling van voedsel en drank aan de armen in den winter.
Onder de jaarlijksche kosten (van het armenwezen) zijn niet begrepen, die van de winterbedeelingen in de school, voor welk doel telkens pl. m. f 600 wordt gecollecteerd,   Onderz. Landb. 1886, 19, 26 [1890].
Winterbedekking, bedekking van stroo, riet of ander materiaal als bescherming tegen de winterkoude (op bouwland, grasland enz.).
Dat de verstandige landbouwers deze … stroosoorten meer zullen aanwenden tot eene winter- of voorjaarsbedekking voor hunne bouw- en graslanden, wanneer deze voor het gebruik kunnen ontbeerd worden,   Boeren-Goudmijn 2, 2, 134 [1856].
Het (is) noodig, de stammen van pas geplante boomen tegen sterke droogte en felle zonnewarmte te beschermen; daarom mag de winterbedekking ook in den zomer blijven,   OTTOLANDER, Ooftb. 76 [1880].
Winterbedrijf, datgene wat iem. als werkzaamheid, als gewone bezigheid in den winter verricht.
Hun zomer en winterbedryf. Des zomers is de vischvangst, en des winters de Jagt op alderhande bontwerk, herten, reën, enz. hun gewoonlyk onderhoud,   IDES, R. n. China 40 [1710].
Winterbeek, beek die alleen stroomt in den winter.
Winterbeecken syn snellijck afvloeyende Regenwater; waer van opwaters en hoge vloeden ontstaen,   COMENIUS, Deure d. Talen 92 a [1642].
Dat de waterloop, beken, rivieren, vlootgrachten of winterbeken aen de visitatie van den scholtus ende scheepenen onderworpen syn,   Cost. v. Loon 2, 54 a [1721].
Mijn broeders zijn me ontweken Als water uit een dorre bron, Als trouweloze winterbeeken, Verdampend bij een eerste zon!   TEN KATE, Job 22 [1865].
Zijn haar, al grauw beruwrijmd, vloog hem na gelijk het ijs doet, in een donkere winterbeke,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 686 [1886].
Winterbeer, ijsbeer. Nog gewest. in Vl.-België aangetroffen.
Ik sach, in een benaauwden droom, Een eiland, in de Noorderstroom: Waar op een lompe klomp van vlees, Na langhsaam kruipen, schierlyk rees, Veel grooter dan een winterbeer, Die fel, met klaauw, en tandgeweer, Het hoofd vernielde, en ingewand Der allergrootsten van dat land,   SIX V. CHAND. 545 [1657].
De norsse winterbeer en wilde woutwolf branden Van liefde,   ZEEUS, Overgebl. Ged. 277 [c. 1710].
Geen Yrwin, neen, een Winterbeer, als zy zich wedervond, Snoof met een vreesselijke snuit om haren boezem rond,   BILD. 1, 67 [1788].
Hij draaide rond in doelloosheid, wrokkig tegen 't almachtige element … dat hem opgesloten hield in die groote, dompige keuken waar hij omdoolde met de vuisten in de broekzakken, als een noordsche winterbeer, van het venster naar 't vuur en van 't vuur weer naar 't venster,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 4 [1907].
Winterbegiering, bemesting in den winter.
De winterbegiering werd op 21 Februari uitgevoerd,   Versl. Landb. 1919, 1, 23.
Winterbemaling, bemaling gedurende den winter.
De meeste polders in Friesland worden bemalen …. Men onderscheidt hier … polders met zomerbemaling en die met winterbemaling,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1316 [1907].
Winterbergamot, soort van winterpeer.
Bergamotte d'Hyver. Bergamotte de Paques. Winter Bergamot. La Grilliere,   KNOOP, App. en P. 33 a [1790].
Winter-bergamot, eene der veelvuldige peersoorten, die onder den naam van bergamot bekend zijn. Zij wordt ook Paaschbergamot geheeten …. Deze peer wordt in Januarij en Februarij eetbaar,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
— In April zijn rijp, … Gratiool, of Pond peer …. Winter Bergamot enz.,   Reg. v. Peer., App. enz. 20 [1721].
Men (verdeelt) dezelven in Zomer-, Herfst- en Winterbergamotten,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 220 [1806].
Peervariëteiten, welke ik verder in de Betuwe aantrof, zijn: Kulpeer, Kruidenierspeer, Kraagpeer …, Winter-Bergamotte, Dikkop, Krukpeer en Blanke Cousin,   Versl. Landb. 1918, 1, 98.
Winterbeslag, scherp hoefbeslag voor paarden in den winter om uitglijden op sneeuw en ijs te voorkomen.
  KUIPERS [1901].
  KOENEN [1903].
— In den winter brengt men aan het beslag eenige veranderingen te weeg, waardoor men het uitglijden en vallen der paarden, op de, met sneeuw en ijs bedekte, wegen, tracht te voorkomen; men noemt dit het winter-beslag,   DIETERICHS-HART, Hoefbeslag 148 [1830].
Beschrijving van de verschillende wijzen van winterbeslag bij het paard, of over het zoogenaamde op scherp zetten,   Boeren-Goudmijn 6, 1, 129 [1860].
Het winterbeslag bestaat uit hoefijzers met kegelvormige gaten en daarin passende scherpe en stompe insteekkalkoenen,   MOUBIS, Hoefbesl. 46 [1889].
Winterbetonning, betonning die de zomertonnen gedurende den winter vervangt.
In het voorjaar zoodra het ijs is weggeruimd, zal hij (de tonnenlegger) … de betonning met den meesten spoed herstellen. Vervolgens de winterbetonning opnemen, en die door zomertonnen vervangen,   uit een contract [1910].
Winterbeurré, soort van winterpeer; winterboterpeer.
Men (kan) somtyds in deeze Maand (December) nog uitsteekende Virgilleuze Peeren hebben …; en daar beneevens eenige brosse en muskeerende Peeren; als de groote Muské de Hyver …; in Holland, Zeeland, en Gelderland de Kamper-Venus-Peer …, de Winter-Kaneel-Peer …, Winter-Burrée …, enz.,   N. Need. Hoven. 74 [1713].
Besy de Chaumontel. Poire de Chaumontel. Beurré d'Hyver. Winter-Beurré. Winter-Boter-Peer,   KNOOP, App. en P. 33 a [1790].
Het synoniem Winter-Beurré, dat door verschillende auteurs aan den Bezy de Chaumontel wordt toegekend, moet niet verward worden met Beurré Winter, den naam van eene variëteit, voor eenige jaren door den heer Th. Rivers te Sawbridgeworth gewonnen,   BERGHUIS, Ned. Boomgaard 2, 1, 69 [1868].
Winterbeurt, keer waarop eert. in een geregelden dienst een beurtschip van de eene plaats naar de andere voer in het winterseizoen.
Dat … de Winterbeurten van de Trekschuyten tusschen de twee Steden, die tot nu toe hebben begonnen met den eersten November, en geëyndigd met den laatsten February, voortaan zullen beginnen met den derden October, en eyndigen met den dertienden Maart,   Keuren v. Haerlem 2, 15 a [1741].
Winterbevloeiing.
Zonder te willen ontkennen, dat eene winterbevloeiing, mits goed toegepast, ook in Drenthe onder bepaalde omstandigheden goede resultaten kan geven, meenen we toch, dat in het algemeen de opheffing der bevloeiing een gunstig teeken is,   Versl. Landb. 1917, 1, 67.
Winterbewaarplaats.
De Hr. Linnæus noemt … Hijbernaculum, of Winterbewaarplaats, dat deel der plant, waar in de geheele plant, of maar de telgen en bloemen van een plant opgeslooten, en de winter over voor de koude aandoening bewaart leggen; tot de tijd van de uitspruiting toe; deeze bewaarplaats is dus van twee zoorten, als bol of klijster (bulbus), en knop (gemma),   CHOMEL 1179 b [1777].
Winterbewerking.
De winterbewerking van den grond,   Boeren-Goudmijn 5, 2, 28 [1859].
Winterbezie, ben. voor een uit N.-Amerika afkomstigen heester (Prinos verticillata L.), groote breedbladige alcanna, hulst met afvallende bladen.
Prinos verticillata L. Groote breedbladige alcanna. Hulst met afvallende bladen, ook winterbezie,   Bloemk. Wdb. 381 [1820].
Prinos verticillatus L. … Winterbezie (aldus genoemd naar de roode besachtige steenvruchten, die 's winters aan den struik blijven zitten),   V. HALL, Kruidtuin 278 [1871].
  KUIPERS [1901].
Winterbezoek, bezoek tijdens den winter.
Zo uwe ons met toe water en sterk ys een winterbezoek wilde geeven, dat zou ons zeer verblyden,   WOLFF en DEKEN, Br. 227 [1777].
Dat … mijn huisvrouw en mij een buitengewoon genoegen geschieden zal, indien gij aan uwe dochter Susanna toestaat, dat zij ons een winter-bezoek geeft,   LOOSJES, Bronkh. 1, 309 [1806].
Winterbier, jong, versch gebrouwen bier, dat nog niet lang gelegen heeft (tgov. zomer- of lagerbier); jongbier.
De Maertse ofte Winter Bieren,   Handv. v. Amst. 776 b [1645].
Winterbig, in den winter grootgebrachte big.
f 5-8 jonge Big. f 8 a f 10 Winterbig,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, na 446, taf. II [1812].
Winterbitterling, ben. voor een plantensoort uit het geslacht Chlora L. (Chlora serotina Koch).
  Ned. Plantennamen 15 [1906].
  HEUKELS, Flora 3, 54 [1910].
Winterbladknoppen, volksben. voor den balsempopulier (Populus balsamifera L.).
  VANDENBUSSCHE, Volkst. Kruiden 459 [1955].
Winterbloei.
Het oppotten van bouvardia's, salvia's enz. voor winterbloei,   Versl. Landb. 1909, 1, 221.
Winterbloeier, plant die in den winter bloeit.
Men verwacht dat C libanoticum (zekere nieuwe cyclaamsoort) in de cultuur vooral als winterbloeier gebruikt zal kunnen worden,   Weekbl. Bloembollencult. 10, 248 a [1899].
Winterbloem.
1°. Ben. voor versch. bloemen of planten die ook bekend zijn onder den naam van stroobloem of immortelle, inz. voor planten van het geslacht Helichrysum Vailh. en, nog gewest. in Vl.-België, voor Xeranthemum annuum L. en Gomphrena globosa L.
Heliochrysos, Amaranthon, Rhijn bloemen, gæl-winter bloemen, daer men inden winter cransen wt maect,   DASYP. X iij v° a [1546].
Winterblomme. z Immortelle,   LIEV.-COOPM. [1955].
2°. Bloem die in den winter of het vroege voorjaar bloeit. Ook in fig. verband.
Een winterbloem. Fleur hivernale,   HALMA [1710].
  V. DALE [1898 ].
— Het Winterbloemtjen heeft geen geur; Het schrale Najaar staat voor de deur (er is sprake van den ouderdom),   BILD. 13, 75 [1797].
Wordt mijn beê verhoord, dan zal mijn stramme hand Nog eenmaal uwe kruin met winterbloemen sieren, Als gij uw gouden feest zult vieren,   SPANDAW 2, 102 [1837].
Zie mijn opstelletje over "Winterbloemen",   Alb. d. Nat. 1902, 1, 188 [1902].
3°. Ben. voor de winterakoniet (Eranthis Salisb.), inz. voor Eranthis hiemalis Salisb. en dan ook wel gele winterbloem genoemd.
Winterbloem Helleborus hiemalis, sierplant uit oost-Europa, die in januarij hier te lande bloeit,   aant. v. V. HALL [c. 1855].
Eranthishyemalis. … winterbloem en gele winterbloem, winter-Helleborus,   V. HALL, Kruidtuin 212 [1871].
  HEUKELS 93 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 491 b e.v. [1911].
Winterbloemhof, binnen een gebouw aangelegde tuin, waarin men ook 's winters planten en bloemen kan houden; wintertuin.
Het middendeel der (concert)zael, de Rotonde, is in eenen winterbloemhof veranderd, in welke honderde rare planten pronken,   Akkerbouw 16 Sept. 1849, 2 a.
Winterbloemkool, in den winter te oogsten soort van bloemkool (Brassica oleracea var. pompejana).
  PAQUE, Vl. Volksn. [1896].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 191 a [1911].
— Men zaeit tot laete Zomer-, Herfst- en Winter-Bloem-kool van Maert tot het einde van Mey,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 338 [1737].
In Rhynland was de vroege Bloemkool tamelijk, maar de late of Winter-Bloemkool zeer ongelukkig geslaagd,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 400 [1812].
In hoe verre men … een aardappelenkelder tevens zou kunnen benuttigen tot een tuin voor het kweeken van winterbloemkool,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 128 [1859].
Winterbloemzoet(e), soort van winterappel. Zie ook nog Dl. II, 2903.
Bloemzoete (gestreepte) of winter bloemzoete. Gestreifter Winterblumensüsser. Een goede potappel, die groot, schoon en duurzaam is, en gestoofd zijnde nog in 't voorjaar zeer geurig smaakt,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 63 [1805].
Weenterbloomzeuten, in Markvelde de naam voor een harde, duurzame winterappel met donkergroene schil,   GIGENGACK 1, 81 a [1979].
— In January zijn rijp, … Graauwe Renet …. Winter bloemsoet enz.,   Reg. v. Peer., App. enz. 33 [1721].
Winterblouse, blouse van een warme stof, bestemd om in den winter gedragen te worden.
Op den "winkel" … was men nu al weêr bezig de goedkoope winterblouses "in elkaâr te gooien", ook voor de filiaals die de firma nog in andere steden bezat,   GERARD V. ECKEREN, "Guillepon fr." 57 [1910].
Winterbode, (fig.) bode die den winter aankondigt.
"Sint Maarten" is in onderscheidene streken de eigenlijke winterbode: "hij rijdt graag op een wit paard", dat wil zeggen, hij komt veelal met sneeuw; maar het volksgeloof weet uit de weersgesteldheid op Sint Maarten dan òòk te voorzeggen wat voor soort van winter er komen zal,   A. BEETS, Volkswijsh. o.h. Weer 28 [1908].
Winterboezem, (stand van het) boezemwater in den winter.
Eene Kaade uit Zand, Steen en Puin met Veen vermengd; breed 7 roeden, hoog 9 voeten boven het Mayveld, en tonnerond tot één roede; c.c. 6 voeten boven den Winterboezem,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 10, 1, 1, 9 [1768].
Hierbij of uit winter en boezemstand: winterboezemstand.
Door laag veen wordt in dit reglement verstaan het veen, waarvan de ondergrond gelegen is beneden den gemiddelden winterboezemstand van het provinciaal water,   Bijv. Stbl. 1853, blz. 8.
De lage buitenlanden (worden) alleen door de hoogere winterboezemstanden onder water gezet,   Onderz. Landb. 1886, 27, 6 [1890].
Winterbonk, (veend.) afgestoken brok van het onbruikbaar bovenveen van één tot twee veenvoeten dik en vier veenvoeten breed, waarmee het rauwe of ontbloote kantveen tot een volgend seizoen tegen bevriezing of te snelle indroging wordt beschermd.
Winterbonk [Hoop grauwveen],   CROMPVOETS, Veenderijterm. 364 [1981].
— Het (is) raadzaam dadelijk na de uitgraving van den turf een' arbeider te nemen, die, zonder verwijl, de turfgravers volgende, al het ontblootte kantveen met andere onbruikbare veenaarde bedekt: hiertoe wordt een a twee veenvoeten van de boven- of heidekorst afgestoken, waardoor men de zoogenaamde winterbonken daarstelt, — terwijl met dit afsteeksel het ontblootte raauwe kantveen ter dikte van eenen veenvoet wordt bedekt,   STEMFOORT, Veengr. 20 [1847].
Hij (de veeneigenaar of diens opzichter) lette vooral daarop, … dat de bonkers het zwarte veen goed bezetten, de winterbonken breed 4, en diep 2 veenvoeten maken,   27 [1847].
Winterboon.
1°. Boon die in den herfst of in den winter gezaaid wordt.
De winterboon, Russian Bean, is de gewone, welke elders in den herfst gezaaid kan worden, maar onze winterkoude niet schijnt te kunnen doorstaan,   STARING, Huisb. 185 [1862].
In Engeland teelt men Winterhaver en Winterboonen met den besten uitslag,   977 [1862].
Daar de boonen … een' langen groeitijd hebben, zaait of strooit men ze zoo vroeg mogelijk; in Engeland reeds in Januari of nog vroeger, zoodat hier van winterboonen sprake kan zijn; hier te lande gewoonlijk in Maart,   REINDERS, Landb. 2, 155 [1893].
2°. Ben. voor de tuinboon of groote boon.
  HEUKELS 274 b [1907].
3°. (Mv.) Koubulten. Hetz. als wintergezwellen. In volkst.
Nico had erg de winter en Piet Tersteeg had ook de winter erg in zijn beenen; Dolf bijna niet en Jaapjes "winterboonen" waren nog niet open. Hij had er "blauwe zalf" opgekregen van de ziekenmoeder,   V. LOOY, Jaapje 78 [ed. 1917].
Winterborstrok.
  BOMHOFF [1857].
Winterborstrok. Gilet, camisole d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterboter.
1°. Boter van melk van koeien die in den winter op stal hebben gestaan en hooi hebben gegeten; stalboter, hooiboter. Tgov. zomer- of grasboter.
  V. DALE [1898 ].
— Deeze zoorten van Boters … kunnen verdeeld worden in Zomer- en Winter-Boter … naar de Saizoen waarïn zy gemaakt wordt,   Koopman 1, 219 [1768].
Ten tweede onderscheidt men dezelve (boter) naar den tijd van het jaar, waarin die gemaakt wordt: zoo heeft men zomer- en winterboter,   BERKHEY, N.H. 9, 321 [1811].
Men onderscheidt in den handel: versche of consumptie boter, duurzame boter en weiboter. Verder winter- of stal- en zomer- of grasboter,   REINDERS, Landb. 3, 288 [1895].
2°. Boter bestemd om bewaard te worden; inmaakboter, potboter.
Winterboter, beurre fait pour durer l'hiver,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Winterboter, die voor den winter wordt opgeslagen,   KUIPERS [1901].
Winterboter, inmaakboter, potboter,   KOENEN [1903 ].
Winterboterpeer, hetz. als winterbeurré. Ook in de ben. van variëteiten: Engelsche, groene, kleine winterboterpeer.
Besy de Chaumontel. Poire de Chaumontel. Beurré d'Hyver. Winter-Beurré. Winter-Boter-Peer,   KNOOP, App. en P. 33 a [1790].
  SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 241 en 242 [1806].
  BERGHUIS, Ned. Boomgaard 2, 1, 69 [1868].
Winterbraak, het braak (laten) liggen van bouwland gedurende den winter. Zie ook nog Dl. III, 957.
Ten aanzien van den Winter-braak, en de wijze waarop men in dezen moet te werk gaan, heeft men zeer te regt opgemerkt, dat men geen tijd moet verliezen, om den nieuwlings omgewerkten grond zoo klein mogelijk te maken door middel van het eggen,   KOPS, Mag. v. Landb. 3, 358 [1806].
Alle landbouwers zullen van dit belang overtuigd zyn, door het overdenken dat deze aardappelteelt het land vry aen de winterbraek overlaet,   Akkerbouw 3 Maart 1850, 2 a.
Winterbraken, braak (laten) liggen van bouwland gedurende den winter.
Het gebruik der kopmessen bepaeld zich niet alleen tot het ophalen der peen en wortelen; maer dit nuttig tuig dient ook zeer wel om den grond te openen naer dat de winterregens en het winterbraken de aerde achter de ploeging toegedrukt hebben,   Akkerbouw 15 Juli 1849, 1 b.
Winterbramsteng, (scheepv.) bramsteng met korten top.
  V. MOOCK [1846].
Winterbramstengen. Bramstengen met korte toppen,   V. LENNEP, Zeem.-Wdb. [1856].
  V. DALE [1872 ].
Winterbramzeil, (scheepv.) bramzeil aan een winterbramsteng gevoerd.
  WEIDENBACH [1808].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterbrand, brandstof voor den winter. Nog gewest.
Winterbrand, voorraad van brandstof, inzonderheid van turf, voor den winter,   MOLEMA (hs.) [1895].
Winterbrand. Voorraad van steenkolen voor den winter,   CLAES [1904].
  TER LAAN [1929].
  HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
— Als ick … Ga langs haer grachten (t.w. die van Amsterdam) treên, en all' haer' Godsgestichten En aelmishuisen telle, en kost en winterbrand Uitdeelen zie aldaer met een' zoo milde hand; In waerheid ick beken 't, schoon ick van laven, spysen En geven luttel hou, ick moet'et zelve pryzen,   DE DECKER 1, 172 [1666].
Sedert twee jaren geniet ik ook acht klafters dennenhout voor den jaarlijkschen winterbrand,   BILD., Br. 2, 13 [1805].
Vooral met het aankoopen van brandstof heeft bij velen eene schromelijke verkwisting plaats. Was het vroeger regel den geheelen winterbrand reeds in den zomer op te slaan …, van jaar tot jaar schijnt het aantal grooter te worden van hen, die bij karrevrachten, zelfs bij den dag inslaan,   Onderz. Landb. 1886, 19, 21 [1890].
Deze lieden (stroopers en houtdieven) (gingen) in stormende Novembernachten hun winterbrand kappen in de bosschen van den Ravenhorst,   V. MOERKERKEN, Ondergang v.h. Dorp 55 [1913].
Winterbreedte.
Winterbreedte, de winterbreedte eener rivier, breedte die de rivier 's winters heeft, vaak drie- of viermaal zooveel als de zomerbreedte,   V. DALE [1898 ].
Winterbroed, winterbroedsel, eerste broedsel van een bijenkoningin.
In het begin van den legtijd legt ze (de bijenkoningin) enkel eitjes voor werkbijen, die geen zwerm schijnen te vormen, maar, zich met den ouden stok vereenigende, winterbroed of broedsel genoemd worden,   HEKMEIJER, Bijent. 34 [1866].
Winterbroeikas, broeikas waarin men 's winters planten kan kweeken.
Daar nu deze planten naauwelijks 3 of 4 graden koude kunnen verdragen, zoo zette men ze reeds half November binnen (in de winterbroeikassen),   Schatk. v.a. St. 1848, 43.
Winterbroek, broek van een dikke warme stof, bestemd om in den winter gedragen te worden.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Tot een wintervest en winterbroek zullen wij Uw het goed met het ovrige goed zenden,   F.W. THORBECKE in Thorbecke-arch. 1, 194 [1817].
Winterbronst, (jag.) bronst van herten en reeën in den winter. Tgov. zomerbronst.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Winterbrouwsel, in den winter gebrouwen bier.
Geconcentreerd bier, gebrouwen uit Fransche malt en Boheemsche hop, (winterbrouwsel), het glas f 0.20,   Cat. Tentoonst. Handwerksm. 106 [1869].
Winterbui.
  KRAMER [1719].
Winterbui, kortstondig slecht weer in den winter,   V. DALE [1872 ].
— Inzonderheit den eeckelaer moet men dieper planten, die zijn kruin zoo hoogh in de lucht opsteeckt, als hy zijn wortels in den afgront schiet; dies wort hy van winterbuy nochte regenvlaegh nedergesmackt,   VONDEL 5, 98 [1646].
De winterbuien zyn voor 't zomerlicht verdwenen,   ZEEUS, Overgebl. Ged. 287 [c. 1710].
"IJmuiden, Heeren!" riep de conducteur, … en wij stapten af aan het ruime, deftige stationsgebouw, welks eenige fout is, dat het er wat heel Grieksch uitziet voor een bouwstuk, dat aan het strand van de Noordzee … stormen en winterbuijen moet trotseren,   VISSERING, Herinn. 1, 58 [1848].
Winterbult.
1°. (Dr.) Korenmijt die in den winter gedorst werd.
  HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
2°. (Brab.) Voorraad grauwe turf voor den winter.
  CROMPVOETS, Veenderijterm. 363 [1981].
Wintercalville, soort van winterappel.
Calville. (Witte Winter-) …. Calville blanc d'hiver, Pomme de Fraise, Pomme de Framboise. Een der voornaamste en meest bekende fransche appels,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 78 [1805].
Witte Winter Calville,   BERGHUIS, Ned. Boomgaard 1, 14 [1868].
Winterkalville. De beste tafelappel om in April te eten, bloedrood van kleur, doorgaans roodachtig van vleesch en met zeer geurigen smaak. Er zijn roode en witte winterkalvillen,   LIEV.-COOPM. [1955].
— Tot aan de Appelen toe werd deeze Maand November van de Vrugten verheerlykt, die de blyken van haare verdienste in agting brengen, de roode en witte Winter-Calevilles,   N. Need. Hoven. 72 [1713].
Wintercommissie, commissie belast met de armenzorg in den winter.
De bijzondere wintercommissiën deelen één keer in de week levensmiddelen, zooals brood, boonen, erwten, gort, en in enkele gevallen ook giften in geld uit, aan allen, die zich daarvoor aanmelden en volgens het oordeel der commissiën daaraan behoefte hebben,   Onderz. Landb. 1886, 18, 6 [1890].
Wintercultuur, teelt van gewassen in den winter.
Bizondere zorg moet er bij zulke winter-culturen aan gewijd worden, de bladeren, en vooral de vruchten voor rotten te bewaren (er is sprake van aardbeien onder glas),   Alb. d. Nat. 1898, 1, 37 [1898].
Wintercursus, cursus die in den winter gegeven wordt.
  V. DALE [1884 ].
— Winterscholen en wintercursussen op onderscheidene plaatsen zijn zeer aan te bevelen,   Onderz. Landb. 1886, 22, 26 [1890].
Voorts werd voor hen, die bij het examen aan het einde van het eerste studiejaar worden afgewezen, de gelegenheid geopend zich in het volgende schooljaar, mits vóór het einde van den wintercursus, opnieuw aan dit examen te onderwerpen,   Versl. Landb. 1909, 1, 7.
Wintercyclamen, oudere ben. voor hondstand (Erythronium dens-canis L.), maar ook wel voor wintervariëteiten van Cyclamen L.
  V. HALL, Kruidtuin 33 [1871].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 506 a [1911].
— Dierhalven zal men alle gewassen, die, in ruime aerde geplant, tegen winter-koude konnen bewaert worden, noit in potten of tobben planten: aldus worden best in den grond geplant de Winter-Cyclamens, Ranunkulen, Anemonen enz.,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 272 [1737].
De Winter-Cyclamen, met ronde gladde bladen en purper-roodagtige Bloemen, of met hoekige bladen, en witte of incarnate Bloemen met een purperen grond,   Burger-Thuinb. 321 [1769].
Winterdag (zie ald.).
Winterdeel, boekdeel van het brevier, het liturgisch gebedenboek van de R.-K. Kerk, waarin de getijden staan van het winterseizoen (vert. van lat. pars hiemalis).
  DE BO [1873].
Winterdek, deklaag, inz. bestaande uit aarde en/of stroo, waarmee geplante bloembollen of ingekuilde aardappelen, uien e.d. in den winter tegen vorst worden beschermd.
Winterdek, het dek op de eerappelgoaten bij winterdag,   TER LAAN [1952].
Winterdäk ‘aarde en stro, waarmee een kuil wordt bedekt, opdat het ingekuilde niet kan bevriezen’,   LANDHEER [1955].
't Winterdek (landbouwterm): de laag aarde, waarmee ingekuilde aardappelen, uien, mangels enz. tegen de vorst worden gedekt,   GHIJSEN [1964].
— Het zal … aanbeveling verdienen, wanneer men de bolgewassen met stikstofhoudende kunstmeststoffen wil bemesten, dit reeds in het najaar te doen òf zeer vroeg in het voorjaar, onmiddellijk na het verwijderen van het winterdek,   Versl. Tuinbouwproefv. 1903-'04, 115.
Winterdekking, het afdekken van plantenbakken, kassen e.d. tot bescherming tegen de winterkoude.
Met deze (t.w. "vier-bands-matten") geschied de eerste Winter-dekking op breeder beglaesde bakken, als ook voor de Stook- en Wyngaerds-kassen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 243 [1737].
Winterdeksel.
1°. Bedekking die een bescherming vormt tegen de winterkoude.
Opdat de felle vorst de vruchtbaare aard' niet schaade, Komt op een vreemde wyz' zyn invloed haar te stade, En vormt van water sneeuw, die 't rustend veld bedekt, En 't, als een wollen kleed, tot winterdeksel strekt,   V. WINTER, Jaarg. 160 [1769].
2°. Kalkachtige afsluiting van het huis van longslakken, gevormd uit door hen afgescheiden, met kalkkorreltjes vermengd en vervolgens verhard slijm, als bescherming tegen de koude gedurende hun winterslaap.
  V. DALE [1898 ].
— De door longen ademende slakken (Pulmonata) hebben dikwijls een stevige schelp of horen, maar een eigenlijk deksel ontbreekt altijd. Wel vormt zich 's winters uit een rijkelijk met kalkkorreltjes vermengd afgescheiden slijm, dat verhardt, een kalkachtige sluiting aan den mond der schelp, een z.g. winterdeksel, om het dier tegen de koude te beschutten,   Alb. d. Nat. 1902, 1, 88 [1902].
De schelpdragende land-longslakken maken, vóór zij in den toestand van winterslaap overgaan, een z.g. winterdeksel (epiphragma), om daarmee de opening (van de schelp) te sluiten,   Vivat's Encyclop. 5041 b [1900-'08].
Winterdeputaat, afgevaardigde naar een in den winter gehouden prot. kerkelijke vergadering.
In het laatst der 18de eeuw is een poging gedaan om de onderzoeking des geloofs uniform te maken, door als leiddraad te nemen het Kort Begrip der Christelijke Religie; maar de winterdeputaten waren van oordeel, dat dit minder aannemelijk was, daar het onderwijs van alle predikanten niet aan dit vraagboekje gebonden was,   Gron. Volksalm. 1915, 132.
Winterdeur, (waterb.) sluisdeur die men 's winters gebruikt.
  Aant. v. J.L. SCHNEITHER [c. 1855].
Winterdienst, dienst zooals deze verricht wordt gedurende den winter; dienstregeling gedurende den winter (van treinen, schepen e.d.).
  BOMHOFF [1857].
Winterdienst. Service d'hiver, ensemble des opérations, des travaux qui se font durant l'hiver dans certains établissements, dans certaines administrations,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Bij het intreden van den winterdienst op 1 October van datzelfde jaar legde S.S., naast de reeds loopende, nog 4 treinen heen en terug in, die van Groningen zonder stoppen naar Zuidbroek, verder tot Stadskanaal, en evenzoo terug reden,   Gron. Volksalm. 1916, 34.
Winterdienstregeling.
Reeds was men bij het vaststellen van de winterdienstregeling uitgegaan van de vooronderstelling, dat de bedoelde overgang zou kunnen plaats hebben, toen ter elfder uur door de Regeering bezwaar werd gemaakt om het tweede spoor te doen leggen,   Holl. IJz. Spoorw. Maatsch. 109 [1889].
Winterdijk (zie ald.).
Winterdingen, winterkleeding, winterkleeren. Gewest. in Z.-Nederl. en Vl.-België.
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  TEIRL. [1922].
  DE BONT [1958].
— 't Begint koud te wörren: 't is tijd om ons winterdingen aan te doen,   CORN., Bijv. [1938].
We zijn al in de lente en hij loopt nog mee zijn winterdijngen aan,   LIEV.-COOPM. [1955].
Winterdoek.
  BOMHOFF [1857].
Winterdoek. Châle d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterdoorn, soort van winterpeer.
De winterdoorn. Epine d'hiver, Epine rose d'hiver. Merveille d'hiver. … Eene middelmatig groote, bijkans kleine, maar voortreffelijke vroege winter-tafelpeer,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 260 [1806].
L'Epine d'Hyver, anders (winter-doorn) en misschien met meerder reeden Merveille d'Hyver (of winter-wonder), nadien zy geen punten of doornagtigheid in haar hout heeft, en dat het inderdaad een voortreffelyke Peer is,   Kweeksch. Hoov. en Th. 143 [1738].
Hierbij: winterdoornpeer.
Aangaande de Ambrette met doorns … deze plaatst Quitinye in een minderen rang dan de Jagtpeer (Chasserie) en de Winterdoorn-peer (Epine d'hyver),   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 211 [1806].
Winterdorp, dorp dat als winterverblijf dient.
Des zomers vindt men slechts weinig Indianen in de winterdorpen,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 201 [1903].
Winterdorrend, in den winter dor wordend.
Men (kan) de boomen zonder eenige hinder in het Na-jaer verplanten, om dat alsdan het meeste sap uit het boven hout-gewas is, het geen het afvallen der bladen in de winterdorrende hout-gewassen te kennen geeft,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 85 [1737].
Winterdos.
1°. Winterkleeding. Sinds lang veroud.
Indien aen winterdos off andersins voor de matrosen off soldaeten yets gemanqueert heeft, soo hadde hetselve van eersten aff wel behooren gesuppleert geweest te sijn,   JOH. DE WITT, Br. 2, 553 [1664].
Gelijk de Heydenen gewoon waren hare Goden van zomer- en winter-dos te voorzien,   OUDAAN, Arnobius ** 4 r° [1677].
2°. (Fig., dicht.) "Bekleeding" (met sneeuw), uiterlijke verschijningsvorm van de natuur in den winter.
Wilt gy frissche violieren, Zoek ze niet in 't dorre bosch Als de winden met hun vieren Door de schrale velden gieren, By des aardrijks winterdosch,   BILD. 4, 388 [c. 1795].
De Aprilzon trekt den nevel op, (Dien nasleep van den winterdosch) En plooit de donzen zwachtels los, Van de uitgeschoten bot en knop,   V. ZEGGELEN 4, 102 [1844].
Zie, met een warm en wollig laken Is ze (de natuur) overspreid in veld en bosch; Zoo sluimert ze in haar winterdos, Tot weer het uur slaat om te ontwaken,   TOLLENS 11, 56 [c. 1850].
3°. Haarkleed bij herten in den winter.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Winterdracht, kleeding, wijze van kleeden in den winter.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterdricht, bewerking van het land voor den winter. In Vl.
Vandage vlas voeren, dàt was voor hem de werkelijkheid en zijn eigen bedrijf … en morgen was 't weer bij de beeten en de suikerijen en dan de winterdricht en dàn was 't jaar om,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 100 [1903].
Hij ontstak eene pijp met een sulferpriem en ging hem (een zoon) maar seffens vinden op 't land waar hij de winterdricht deed,   2, 141 [1903].
Winterdruk, leed, bekommernis ten gevolge van den winter.
Viel 't suurder bloedich sweet dan koude en winterdruk? Woogh 't lyden van een uur meer dan van dertich jaaren?   SIX V. CHAND. 5 [1657].
Winterduffel, winteroverjas van duffel.
Jelly en Jam … zaten gerold in hun dikke winterduffeltjes op den bok te klappen met de zweep,   NAEFF, Veulen 293 [1903].
Winterduist.
Winterduist, een onkruid, dat meest in de wintergewassen voorkomt,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
Wintereend, uit noordelijke streken afkomstige eend die op den trek 's winters in ons land voorkomt, ijseend.
Men kan gevoeglyk den naam van Wintereend aan deezen toe-eigenen, om dat hy van de Sweeden dus geheten wordt, alwaar hy in de Moerassen van 't Noordelyk deel huisvest, komende in 't scherpste van den Winter by ons, zegt Linnæus,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 56 [1763].
Winter-eend; in 't latijn Anas hyemalis; … deeze eend, die de groote van de Pijlstaart heeft, is over het lighaam graauw van koleur, en heeft de twee middelste staartpennen bij uitstek lang; men zegt, dat hun eigentlijke woonplaats Ysland en Hudsons-baaij is,   CHOMEL 586 b [1769].
  Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 218 [1822].
  V. DALE [1872 ].
Winterei.
1°. In het najaar gelegd ei van versch. diersoorten dat den winter kan verdragen en in het voorjaar uitkomt.
Bij de in zoetwater levende soorten (der mospolypen) heeft men ook opgemerkt, dat zij in het najaar eijeren leggen met eene harde tweekleppige schaal (zoogenaamde wintereijeren), uit welke in het voorjaar … de jonge, reeds volkomen ontwikkelde, Polypen te voorschijn komen,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 508 [1858].
Wintereieren bij Copepoden. — In talrijke diergroepen, vooral bij vormen die een pelagisch leven leiden, bestaat de gewoonte der wijfjes, om, behalve de zich gewone, in het warme seizoen vlug ontwikkelende eieren, ook een tweede soort van eieren te produceeren, die bestemd zijn te overwinteren en eerst tegen het einde van den voortplantingstijd plegen gelegd te worden,   Alb. d. Nat. 1903, 2, 85 [1903].
Bekend is in dit opzicht Daphnia (een kleine kreeftsoort) e.d. welke in den zomer, parthenogenetisch, "zomereieren" voortbrengt, die in den broedzak zich snel ontwikkelen. In het najaar worden daarentegen "wintereieren" voortgebracht, die bevrucht moeten worden, en eerst daarna in de broedholte komen,   VOSMAER, Dierk. 356 [1908-'10].
2°. Kippenei dat 's winters gelegd wordt.
  GOOSSENAERTS [1958].
— Wijzelf hebben ook Orpingtons gehouden en tot onze groote voldoening. Van in April geboren kuikens hadden we steeds volop wintereieren,   bij a.w. [1920].
Wintereik, soort van eikeboom (Quercus sessiliflora Salisb. of petraea Liebl.), die een paar weken later bloeit dan de zomereik (Quercus robur L.) en die i.t.t. den laatsten zijn blad in den winter behoudt en ongesteelde eikels draagt.
  CORN.-VERVL. [1903].
  HEUKELS 206 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 1117 a [1911].
Wintereik. Een van de 3 variëteiten van eik die te K. voorkomen, en 's winters zijn dode bladeren behoudt,   GOOSSENAERTS [1958].
— Behalve de bij ons algemeen bekende zomer- en winter-eik (die zich daardoor onderscheiden, dat de eerste zijn blad in den herfst laat vallen en de eikels gesteeld zijn, terwijl de laatste gedurende den winter het blad behoudt en de eikels ongesteeld zijn), komt nog, de ook bij ons hier en daar aangeplante, roode Amerikaansche eik in aanmerking,   ENKLAAR, Handb. Landb. 332 [1854].
Tusschen al de eiken merken we een enkele op, die, als het zomer was, een eenigszins anderen indruk op ons zou maken. 't Is de Wintereik, die losser, bevalliger loof bezit,   Alb. d. Nat. 1897, 1, 376 [1897].
Wintereikel, eikel bestemd tot wintervoer. Incidenteel.
Menalkas quam 'er, noch vet van wintereickelen,   VONDEL 5, 71 [1646].
Wintererveling, soort van winterappel.
Winter-Erveling, is een vry groote, iets platagtige, en doorgaans wat kantige Appel,   Burger-Thuinb. 200 [1769].
Wintererwt.
1°. Vóór den winter gezaaide, tot veevoeder dienende soort van erwt (Pisun sativum hibernicum).
Door het bestuur van het landhuishoudelijke genootschap in Baden is onlangs de … sedert eenige jaren ten behoeve der groenvoedering geteelde wintererwt op nieuw ter aankweeking aanbevolen,   Vriend Landm. 18, 82 [1854].
Zij (de zandwikke) levert reeds vroeg groenvoer …, is tegen de strengste vorst bestand en verdient daarom de voorkeur boven … de Wintererwt (Pisun sativum hibernicum),   REINDERS, Landb. 2, 312 [1893].
2°. (Mv.) Andere ben. voor boschlathyrus (Lathyrus silvester L.).
Lathyrus silvester L. Boschlathyrus. Wintererwten,   HEUKELS 136 a [1907].
Winterevening, (dicht.) tijdstip waarop de zon in de noordelijke poolstreken niet meer boven den horizon verschijnt (op 22 Dec.) en de poolnacht begint (?). Incidenteel, naar analogie van nachtevening.
Ik (zag) het Noord Verlicht van poolijs en nog helderblauw Als bij de winterevening,   GORTER, Mei 32 [1889].
Winterfeest.
1°. In oorsprong religieus (volks)feest dat in den winter gevierd wordt.
Winterfeesten, fêtes brumales,   V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Hij had nu nog heel de losbollige zwiering van de winterfeesten met haar te vieren,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 155 [1903].
Joel wijst eerst en vooral op het oude heidensche Winterfeest der Germanen,   Biekorf 16, 103 [1905].
Men vierde eertijds waarschijnlijk vier offertijden, en om het offer groepeerden zich dan de overige feestelijkheden: twee winterfeesten, het lente- en zomerfeest,   SCHRIJNEN, Volksk. 1, 100 [1915].
2°. (Dicht.) Als een feest te beschouwen, feestelijke wintertijd.
Als men 't winterfeest gaat vieren, En op 't ijs de tenten staan; Als men 't rinklend ros laat zwieren Langs de gladgereden baan,   TER HAAR, Ged. 2, 127 [1842].
Winterfeestdag, feestdag in den winter.
Laat ons vee op de akkers huplen, Tot uw winterfeestdag komt,   M.C. V. HALL, Mess. Corv. 1, 33 [1820].
De naam van St. Maartens schuddekorf (wordt) bij ons gegeven aan St. Maartensdag in Hooimaand. Is die benaming van den winterfeestdag naar den zomerfeestdag overgebracht geworden?   DE COCK en TEIRL., Kindersp. 7, 105 [1907].
Winterfrak, winterjas; ook: mansrok voor in den winter. In Vl.-België.
  JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL. [1903].
  TEIRL. [1922].
  LIEV.-COOPM. [1955].
— De wijven waren geduffeld in lange, zwarte mantels, … en de boeren met hun blauwen kiel waaronder uit de dikke winterfrak bij 't gaan hen in de hamen sloeg,   STIJN STREUVELS, Dagen 23 [1902].
Winterfruit, in den herfst geoogst fruit dat goed tot in of na den winter bewaard kan worden. Ook in het mv.
Pomum serotinum …. Spatzeittig opff, winter opff. Winter fruyt, spaedfruyt, winter oft spaed oeft. Pomme tardiue, fruit d'hyuer. Fruto d'inuerno. Fruta tardia,   JUNIUS, Nomencl. 112 a [1567].
  KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
— Dus, zeit hy … dat het meeste van ons Winterfruit regt ryp word na een wyl geplukt te wezen,   in V. RANOUW, Kab. 8, 3, 44 [1721].
Pluk nu (in October) alle soorten van winterfruiten; doch dit moet altyd in droog weêr gedaan worden, als de boomen wél droog zyn, anders zal men de fruiten niet goed kunnen houden,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 234 [c. 1800].
Hoewel in dat land, uit hoofde van de vroege en zeer harde winters, de winter-fruiten zeer zeldzaam behoorlijk rijp worden,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 58 [1805].
Het z.g. winterfruit is in de Betuwe dan ook van de meeste beteekenis; dit zijn appels, zooals: Bellefleur, Goudreinette, Keuleman, e.a., die, na geplukt te zijn, eenige maanden goed kunnen worden bewaard,   Versl. Landb. 1918, 1, 92.
Wintergans, gans die, op den trek, in den winter in onze streken verschijnt.
  HERMANS, Jacht en Taal [1951].
— Pijlman peisde … hoe hij wilde winterganzen op de vlucht wist neêr te halen,   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 745 [1886].
In den Blanckaert zynder ganzebekken, zeeganzen, lepelganzen, steenganzen, winterganzen,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
Wintergarnizoen. In de verb. wintergarnizoen houden, gedurende den winter in bezetting liggen.
Den 27. is het Lyfregiment Hanoverschen te paard, dat in het Graafschap Zutphen winterguarnisoen gehouden heeft, des nagts in deezes Stads Schependom geinkwartierd geweest,   Ned. Jaerb. 1747, 149 [1747].
Geduurende deze Maend is door deze Provintie … zeer veel Krygsvolk gepasseert, dat in de Provintien Friesland en Overyssel Winter-guarnizoen gehouden heeft,   1747, 237.
Wintergast.
1°. Gast die in den winter ergens zijn verblijf houdt.
  BOMHOFF [1857].
  KUIPERS [1901].
— Het zoude den Inwoonderen der meeste Steden in dit gedeelte des Lands veel aengenamer geweest zyn hunne Winter-gasten (t.w. ingekwartierde militairen) te houden dan te missen,   Ned. Jaerb. 1747, 238 [1747].
2°. Trekvogel die in den winter hier aanlandt of overwintert.
  HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Wintergebraad.
De wilde Eendvogelen …, gaande naar onze Koojen, om daar, als een smaakelyk wintergebraad, voor ons gevangen te worden,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 20, 2, 117 [1782].
Wintergebruik, gebruik, consumptie (van voedingsmiddelen) tijdens den winter.
In 't begin van de Maand zaaid men nog Spinagie … voor Wintergebruik,   Burger-Thuinb. 418 [1769].
Misschien hadden wy geleerd zomerwarmte als snyboonen inteleggen tot wintergebruik,   MULTATULI 3, 306 [1862].
De compagnie der Hudsonsbaai zout er jaarlijks 4000 (t.w. wilde ganzen) voor haar wintergebruik in,   Boek d. Uitv. 3, 110 [1867].
De vezels worden tot dunne koeken van 3 d.M. in het vierkant gevormd, gepakt, gedroogd en bewaard voor wintergebruik,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 197 [1903].
Wintergenoegen.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1898 ].
Wintergenoeglijkheid.
En dan de haard! die dierbare haard! O gij, middelpunt aller wintergenoeglijkheden!   BEETS, C.O. 280 [1838].
Wintergerst (zie ald.).
Wintergetij(de), winterseizoen. Zie ook nog Dl. IV, 1841.
  KUIPERS [1901].
— Aan de andere zijde ziet gij door elkander gesmeten steenen, bergen op zich zelve, in het vorig wintergetij door regen en storm en smeltende sneeuw losgewerkt, en van de hoogte neergeslingerd,   GEEL 25 [1838].
De tuin, met zyn ontbladerd geboomte en plantgewassen, hoe dor en doodsch ook in het wintergety, leverde een schitterend gezigt op,   in Briefw. Consc. 1, 420 [1852].
Tevens kwam men zich voorzien voor het volgend winter- en zomergetijde van het noodige in huis of bedrijf,   Gron. Volksalm. 1915, 5.
Wintergewaad.
1°. (Stuk) winterkleeding, bep. overkleeding.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Kinders moeten hun wintergewaad, niet te vroeg in het voorjaar, afleggen wegens onze veranderlijke luchtsgesteldheid, noch in het najaar te laat aantrekken,   MARTINET, Huisb. 127 [1793].
Verliefder dan ooit …, loopt hij de geheele stad door en tuurt in alle ellewinkels, of hij het groenzijden wintergewaad ook weer te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan,   BEETS, C.O. 246 [1840].
2°. Veerenkleed van vogels in den winter, wintertooi.
De ouden der beide geslachten in hun wintergewaad (er is sprake van kropganzen),   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 237 [1822].
3°. (Fig.) Verschijningsvorm (van zaken) in den winter.
Zeer schoon is bijv. de verandering van een zomer- in een winterlandschap, waarbij men dezelfde boomen, huizen enz., eerst in hun zomer- en daarna in hun wintergewaad ziet,   Boek d. Uitv. 2, 2, 348 [1865].
Wintergewas, gewas dat later in het jaar gezaaid wordt en in den winter op het veld kan overblijven.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
— De Tyd daar van (van zaaien) is by de meeste Boeren in ons Land bekend: voor de Winter-Gewassen kiest men den Herfst, namentlyk de Maand September en October, voor het Zomer-Gewas het begin van de Lente in Maart,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 8, 2, 177 [1765].
Al het wintergewas, als: pinksternakel, look, bieten, kool, enz. moet geduurig zuiver gehouden worden van onkruid (er is sprake van werk in Augustus in den moestuin te doen),   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 189 [c. 1800].
Meer dan het wieden is hier en daar het eggen der te veld staande wintergewassen in het voorjaar in gebruik,   ENKLAAR, Handb. Landb. 35 [1854].
Het zaaien der wintergewassen kon in den herfst van 1910 onder gunstige omstandigheden plaats vinden,   Versl. Landb. 1912, 4, VII.
Wintergezaai, hetz. als wintergewas. Veroud.
Elcke mudde gesaij gronninger maete ter maent een blanck, steenwijcker ofte swolsche maete een st. brab. Het winter-gesaij, gereekent voer tijn maenden, het sommer-gesaij voer 4 maenden,   Dr. Plakkaatb. 1, 81 [1603].
Daar zou geen Wintergezaai kunnen wezen: de Binnen-loopen of Gloojingen der Dyken zouden te deerlyk gezeebraakt worden enz.   (t.w. bij het inlaten van rivierwater in den winter), VELSEN, Rivierk. Verh. 126 [1768].
In Princeland was … de Buiten-Polder door overloop overstroomd: al het wintergezaai van Koolzaad, Garst, Rogge en Tarw was hierdoor ten eenemaal bedorven,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 143 [1810].
Wintergezaaide, hetz. als wintergewas. Sinds lang veroud.
Het Koren is oock beter van d'een landt als van d'ander, en scheelt naer advenant van gewicht …. Komt lichtste jeghens swaerste van 2 op 3, oock is 't Somer-goet en 't Winter-ghezaeyde, d'een groen beter als d'ander,   Tresoor d. Gew. enz. 117 [1668].
Wintergezicht.
1°. Aanblik van, uitzicht op een wintersch landschap of tafereel.
  V. DALE [1872 ].
— Een strenge Vorst maakt het heerlykste winter gezicht, dat men met oogen zien kan,   WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 110 [1787].
De fraaiheid van het weder — de schoone wintergezigten langs den Rijswijkschen en Delftschen weg, besneeuwde velden door de zon beschenen — aardig glinsterende boomen, molens en gebouwen allen met een kleed van sneeuw bedekt … alles werkte zamen, om mijne luim te verbeteren,   LOOSJES, Bronkh. 2, 51 [1806].
Scheuvellopen op 't Schild is n mooi wintergezicht,   TER LAAN [1952].
2°. Afbeelding (schilderij, teekening e.d.) van een wintersch landschap of tafereel.
  V. DALE [1872 ].
— P.P. R., Tilburg, een Wintergezigt,   Cat. Nijverh.-Voorw. 84 [1832].
Alle landschapschilders beginnen met wintergezichtjes, waaruit ik opmaak, dat een wintergezichtje gemakkelijk en eenvoudig is,   BEETS, C.O. 279 [1838].
Zeldzamer dan zijne zeeën zijn Van de Cappelle's wintergezichten,   Oud-Holland 10, 134 [1892].
Wintergezondheid, zeker winterkleedingstuk voor mannen, een rechthoekig stuk flanel of wol, dat men als een breeden gordel met een ruimen overslag om het lichaam slaat. Nog gewest. in N.-Holl.
Sommigen dragen een zomer- en een wintergezondheid van verschillende dikte,   BOEKENOOGEN 245 [1897].
Wintergezwellen, weeke, blauwroode, ronde, jeukende of pijnlijke zwellingen van de huid, ontstaan door de inwerking van de winterkoude op de bloedvaten, vooral aan handen en voeten; koubulten.
Wintergezwellen. Winterhanden, Winterhielen, Winterteenen, Wintervoeten …. Deze gezwellen, ook kortweg Winters geheeten, doen voornamelijk de vingers der handen, de teenen en den hiel aan,   RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven [1866].
Wintergod, god die bij den winter behoort.
Woden, Holda, Perchta, die te Joeltijde vooral handelend optreden …, zijn vooruit en vooral chthonische wezens, wind- en wintergoden,   Biekorf 16, 80 [1905].
Wintergoed.
1°. Wat in den winter groeit, rijpt, bloeit; wintergewassen; wintervruchten; winterbloemen.
Winter-goed. Hybernae fruges,   KIL. [1588].
  BINNART [1654].
  HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
— Isser Robus oft Weyte in de voorwinter ghezaeyt, heet Winter-goedt, heeft in de voor-winter een schote,   Tresoor d. Gew. enz. 118 [1668].
2°. Winterkleeding.
  KRAMER [1719].
  V. DALE [1872 ].
— Marian en ik hebben ons wintergoed in Brussel 'kocht … in 't najaar. 't Is daar feel goedkooper als je de kanalen weet,   NAEFF, Dochter 104 [1905].
3°. Stof geschikt voor winterkleeding.
Wintergoed, baaien of wollen winterstoffen in winkels,   KOENEN [1903 ].
Wintergraaf, zie de eerste aanh.
Wintergraaf. In Polder Oosterwolde, in Gelderland, t. N. v. Elburg aan de Zuiderzee gelegen, een heemraad die in het bijzonder met het beheer van het zoog. "winterwerk", d.i. het gedeelte van den polder t. O. van den Woldweg, belast was,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907].
— Het bestuur van den polder wordt uitgeoefend door een' dijkgraaf, een' wintergraaf, 4 heemraden en 10 gedeputeerden,   SLOET, Bijdr. Gelderland 259 [1855].
Wintergraan (zie ald.).
Wintergras.
1°. Gewest. ben. voor duist (Alopecurus agrestis L.), een onkruid dat veelvuldig in wintergewassen voorkomt.
  V. DALE [1872 ].
  MOLEMA [1887].
Wintergras, -gars, -gers. Ook Zwartgras genoemd …. Alopecurus agrestis L.,   DE BO, Kruidwdb. [1888].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 64 b [1911].
  TER LAAN [1929].
— Duist, duistgras, zwartgras (in het Oldambt, Veenkoloniën en Westerwolde prov. Groningen), wintergras (in het Noorden van Groningen) … is een van onze lastigste en algemeenste onkruiden, dat de goede gewassen verdringt en veel vaag uit den grond trekt,   V. HALL, Landh. Flora 251 [1854].
Inzonderheid wordt de grond des voorjaars geploegd, wanneer veel onkruid b.v. Duist of Wintergras voorkomt,   REINDERS, Landb. 2, 139 [1893].
In Groningen leden in het voorjaar verscheiden perceelen sterk door het vele daarin aanwezige wintergras,   Versl. Landb. 1915, 3, XXI.
2°. Gras in den winter. Incidenteel.
Zoo wit is ze (een koe) als de snee, die, versch gevallen over 't wintergers, te blinken ligt; met vlekken, die, zwart alzoo de rave …, blekken,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 512 [1896].
Wintergrasmusch, ben. voor den bastaardnachtegaal (Accentor modularis L.).
Wintergrasmusch. Verdon,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Wintergrauw, met in den winter gebruikelijke grauwe, grijze tint.
Noch al pleit ick voor mijn' Linden, En haer winter-grauwe rijs, Sonder oyt ververwt te vinden Schoonder groen in schoonder grijs,   HUYGENS 1, 109 [1621].
Wintergrijs.
Heel de doening stond lijk gedroomd en gereed om te vergaan, te smelten in 't overwegend wintergrijs, verdrietig om te zien,   STIJN STREUVELS, Dagen 185 [1902].
Wintergroei, groei in den winter.
Dezelve (tarwe) is voortreffelijk geslaagd in de Landen bij Thiel; was ook gunstig in Utrecht, schoon dezelve door den weligen wintergroei veel was gaan liggen,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 84 [1808].
Wintergroen (zie ald., het eerste en tweede art.). — Wintergroensel, wintergroente.
Wentergroensele, wintergroente,   TEIRL. [1922].
— De moesgewassen en zomergroensels kwynen of slaen aen door de voortdurende droogte …. Nogtans blyven alle de herfst- en wintergroensels een zeer gunstig aenschyn bieden,   Akkerbouw 1 Juli 1849, 3 c.
Wintergroente, groente die in den herfst of den winter geoogst en gegeten wordt.
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Alle soorten van wintergroenten ontbreken, en voornamelijk de koolsoorten,   R.G.P. 30, 58 [1816].
Zij (de groenteboeren) brengen kool, wortelen, rapen en meer andere wintergroenten voor de groenmarkt,   V. MAURIK, Amst. bij D. en N. 5 [1897].
Wintergroentetuin, tuin, bep. kas, waarin 's winters groente geteeld wordt.
De wintergroentetuin geeft steeds volop vruchten, aspergies den geheelen winter door en in Januarij reeds bloemkool, wortels, snijboonen, porselein enz.,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1860, 94.
De wintergroentetuin heeft gedurende de maanden December 1860 en Januarij 1861 weder snijboonen, aspergien, wortelen, cichorei, salade, enz. opgeleverd,   1861, 106.
Winterguldeling, soort van winterappel.
Mala scandiana …. Winter guldelingen,   JUNIUS, Nomencl. 114 b [1567].
Winter-Haagsche ploot. Vgl. winter-Amsterdamsche ploot.
De winter-Haaghse blote tot 25 gulden,   R.G.P. 49, 642 [1722-'36].
Winterhaar, het langere, dichtere haar dat bep. dieren in den winter hebben als bescherming tegen de koude.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
't Winterhoar, 't ruige haar dat paarden enz. 's winters hebben,   TER LAAN [1929].
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
  W.B.D. 1, 4, 573 b [1977].
— De … mode, om de paarden bij het begin van den winter het lange winterhaar kort af te scheren of door het met een wijngeestlamp af te branden of te verkorten, verdient geene navolging, want niet voor niet heeft de natuur den dieren een winterpels gegeven, — om ze voor uitwendige invloeden en nadeelen te beschutten,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 26 [1871].
In den tijd, dat de estancias nog niet omheind waren …, was het samendrijven van het vee het dagelijksche werk. Hierdoor werd het (vee) tammer, terwijl … de dieren in het voorjaar vlugger hun winterhaar verloren,   Versl. Landb. 1914, 1, 41.
Het winterhaar (van reeën) komt in October; het zomerhaar is roodachtig, het winterhaar langer en grauwbruin,   Handb. Jachtopz. 57 [1915].
Schertsend: wat zitst in 't winterhoar! als iemand zich nodig moet laten knippen,   TER LAAN [1929].
Winterhaard, (dicht.) (brandende) haard in den winter.
  MARTIN [1829].
  KUIPERS [1901].
— Hier zal ik Reinwout …, Eens gaen verrassen aen den warmen winterhaert,   ZEEUS, Ged. 138 [c. 1710].
De bruiker, waar de boer aan ruimen winter-haard Zijn tiental kindren met zijn rustig wijf vergaart,   HELMERS, Nag. Ged. 1, 88 [c. 1800].
Wat moeten wij niet beter zijn, Bedeeld met zoo veel goed; Den winterhaard in vollen gloed, Den beker vol van wijn!   TOLLENS 6, 179 [1828].
Winterhaas, (jag.) haas in den winter met wintervacht.
Winterhazen verlangen iets groveren hagel door hun wat zwaarderen pels,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
Winterhagel.
Winterhagel. Gresse d'yuer. Brumalis grando,   PLANT. [1573].
Winterhalfjaar, periode van ongeveer een half jaar waarin de winter valt, op het noordelijk halfrond ongeveer de maanden October tot en met Maart. Zie ook nog Dl. V, 1625.
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872].
— Hy (moet) 'tselve den cnape te kennen gheven, 't winterhalfjaer voer den vyven ende het somerhalfjaer voer den sessen,   in POSTHUMUS, Ner. in de Rep. 45 [1581].
Dat zij (zekere arbeiders) malcanderen beloven, wanneer ymant sieck off kranck is, dat soodanige krancke sal hebben volle delinge tot een jaer ende zes weecken; indien de sieckte soo lange duyrt ende langer continuerende na datum voor 't somerhalffjaer, te weten van may tot Alderheyligen drie guldens per weeck ende voort winter-halffjaer van Alderheyligen tot may een gulden thien stuyvers per weeck,   R.G.P. 144, 781 [1668].
Daar er, bepaaldelijk gedurende het winterhalfjaar, vele handen ten platten lande geen werk vinden en daardoor een bestaan missen, zoo vraagt het Genootschap: op welke wijze aan die ledige handen gedurende den winter nuttig en winstgevend werk kan worden verschaft,   Boeren-Goudmijn 2, 2, 154 [1856].
De zon komt … in korter tijd van Libra naar Ariës, dan van Ariës naar Libra, het winterhalfjaar is voor ons korter dan het zomerhalfjaar,   V.D. BILT, Sterrenk. 85 [1913].
Wanneer men … bedenkt, dat de boer 's winters nooit iets buiten kan verrichten, terwijl het regel is, dat de waterwinter gemiddeld duurt van half November tot half April, dan heeft men een treurig … geschetst beeld van den ellendigen toestand in het winterhalfjaar van deze streek,   Versl. Landb. 1917, 1, 188.
Winterhalsdoek.
Haar winterhalsdoek omslaande, begaf zij zich op weg naar het huis van Mad. Puri,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 313 [1865].
Winterhand (zie ald.).
Winterhandel.
Wij leven hier (te Riga) in eenen angstigen toestand … ten gevolge van de nog niet te stuiten vorderingen der colera morbus in het binnenste des rijks, waardoor wij met eene algeheele stremming van den winterhandel worden bedreigd,   Alg. Handelsbl. 26 Nov. 1830, 1 a.
Winterhandschoen, warme handschoen voor den winter.
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Aen somer en winter handschoenen f 1-0,   in DER KINDEREN-BESIER, Spelev. d. Mode 168 [1667].
Winterhard, bestand tegen ongunstige wintersche omstandigheden, inz. tegen de winterkoude. Van planten, gewassen e.d. die den winter zonder dek verdragen kunnen.
  V. DALE [1898 ].
— De plant (zekere kruising van narcissensoorten) groeide de laatste drie jaren onbeschut in den vollen grond, het schijnt dus, dat zij winterhard is,   Weekbl. Bloembollencult. 1, 43 a [1890].
Ze (zekere nieuwe cyclaamsoort) is volkomen winterhard,   10, 248 a [1899].
Zij (t.w. zeker bolgewas) is volkomen winterhard en komt van een gedeelte der Alpen, waar zij tusschen gras en andere laaggroeiende planten welig groeit,   20, 139 b [1909].
Vandaar: winterhardheid.
Bij een wetenschappelijke herhaling van deze proef zou men nu de eigenschap der winterhardheid geheel van andere eigenschappen wenschen te isoleeren en nauwkeurig te omschrijven,   Alb. d. Nat. 1896, 1, 69 [1896].
Winterharing, grootste soort van haring, noordelijker gevangen dan de andere soorten en in het laatst van het vischseizoen (half October tot in November).
E. G. ende doctor M. B. neffens 35 lasten winterheringe an Delfzijl angehaelt,   ALTING, Diarium 744 [1588].
De eerste dezer afdeelingen (binnen versch. haringrassen) bevat hetgeen hij den Oceaan-vorm noemt, en hiertoe rekent hij den Noorweegschen Winter-haring en den Götheborgschen- of Bohus-haring: dit zijn de grootste van alle haringen, vooral eerstgenoemde, die 14 tot 15 duim, somtijds nog daarover, lang, en twee en een derde duim hoog wordt,   SCHLEGEL, Visschen 142 [1862].
Bootsmans- of winterharing,   uit een prijscour. [2de h. 19de e.].
De ouderwetsche fijne Bootsmans Winterharing. Sedert jaren niet meer aangevoerd. Dit seizoen met ons stoomschip "Au Revoir", schipper H. van Vliet, weder gevangen op 60° N.B.,   als voren [1904].
Winterhaven, haven waar schepen den winter kunnen doorbrengen of in den winter beschutting kunnen vinden.
  V. GELDEREN [1909].
  KOENEN [1911 ].
Winterhaven: zee- of rivierhaven, waar de schepen tegen ijs en ruw weer beschut zijn,   HAGERS, Handelslex. [1919].
— Uit deeze hunne Winterhaven gezeilt, vonden ze de Zee van Christiaan noch vol ys dryven,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 32 [ed. 1720].
De schepen van Adm. Warren druipen … uit Duins weg en zoeken winterhavens,   FALCK, Br. 331 [1831].
Het als met wiskundige zekerheid waarnemen van het tijdstip waarop de winterhaven kon verlaten en het schip prijs gegeven moest worden,   bij DE VEER, Reizen Barents e.a. 2, L [1917].
Winterhaver, haversoort die in het najaar gezaaid wordt en in den winter op het veld kan overblijven.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
— Tot voor niet langen tijd kende men de haver niet anders dan als een zomergewas; tegenwoordig echter heeft men ook winterhaver, die ook in ons Vaderland wel schijnt voort te willen,   ENKLAAR, Handb. Landb. 68 [1854].
Winterhaver, in Engeland en zuidelijke landen met voordeel geteelt, verduurt onze winters niet dan bij uitzondering,   STARING, Huisb. 183 [1862].
Daaronder (onder versch. haversoorten) wordt eene zwarte verscheidenheid in Engeland en op de noordwestkust van Frankrijk (Bretagne) als winterhaver geteeld; onze winters zijn daarvoor in den regel te streng,   REINDERS, Landb. 2, 136 [1893].
Winterheliotroop (verkeerdelijk -heliantroop), ben. voor Petasites fragrans, een overblijvende tuinplant die in den winter bloeit met zeer welriekende bloemen als van een eig. heliotroop.
Nardosmia fragrans Reichb., Winter-Heliantroop, aldus genoemd omdat de plant midden in den winter bloeit en een' sterken geur als Heliotrope verspreidt,   V. HALL, Kruidtuin 83 [1871].
  OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 816 [1896].
Petasites fragransReg. Mediterr. …. Sinte Karijnskruid, Sinte-Katrijnekruid, winter heliantroop, winter heliotroop,   GERTH V. WIJK, Plantnames 969 b [1911].
Winterhelleborus, andere ben. voor winterakoniet (Eranthis hiemalis Salisb.).
Eranthis hyemalis …. Akonietjes, winter wolfswortel of kleine gele wolfswortel, klein wintersch geel Aconitum, lentebloem, winterbloem en gele winterbloem, winter-Helleborus,   V. HALL, Kruidtuin 212 [1871].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 492 a [1911].
Winterhemd.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Winterhemel, hemel zooals deze zich in den winter vertoont, winterlucht.
Een uitspansel duizendmaal rijker gestarnd dan ooit gestrenge winterhemel in onze mistige streken vertoonde,   BEETS, Nav. v. Byron 65 [1834].
Door eene met sneeuw bedekte … vlakte, … trekt een lange stoet van vluchtelingen onder den grauwen winterhemel voort,   GORTER, Lett. Stud. 2, 203 [1869].
Ik zie slechts regen, een winterhemel, en onaangenaam weder,   QUACK, Stud. 170 [1874].
Winterhennep, ben. voor de vrouwelijke hennepplant (Cannabis sativa L.).
  HEUKELS 52 a [1907].
Winterhielen, jeukende of pijnlijke, gezwollen, soms ook ontstoken hielen ten gevolge van de inwerking van de winterkoude op de bloedvaten.
Kakhielen; Winter-hielen; Winter-voeten, Winter-handen; ook de Winter genoemt; in het latijn Pernio; Perniones; dus worden niet alleen de hielen genoemt, die dikwils in de winter door sterke koude aangedaan en beleedigt worden, maar ook andere daar door beleedigde uitwendige deelen des lighaams; als de vingers der handen en voeten, de ooren, neus, kin, enz.,   CHOMEL [1770].
  V. DALE [1872 ].
— De selvige (oude schoenen) gebrand tot asschen zyn uyt-nemende goet tot Winter-hielen, soo geinflammeert als geulcereert,   VERBRUGGE, Chir. Scheepsk. 74 [1693].
Al te groote warmte verslapt het Lichaam, en maakt hetzelve vatbaarder voor koude, voor winterhanden en voor winterhielen,   V. GEUNS bij SYPKENS SMIT, M. v. Geuns 537 b [1788].
Jurriaan … spotte deerlijk met de luiërs, of gelijk hij het in zijne lompe taal uitdrukte, met de goudgeele pislappen van Mevrouw de Schoutin, welke hij niet waardig keurde, dat voor zwachtels wierden gebruikt, als Cornelia door winterhielen wierd overvallen,   KIST, Eikenh. 3, 270 [1810].
Toch betaalt hy jaarlijks zeker Voor zijn winterhielen zooveel niet als gy, aan den stadsapteker,   Schoolm. 102 [voor 1858].
Winterhoed.
  V. DALE [1872 ].
— De ornamenten der winterhoeden zijn zeer verscheiden, doch de passen nog altijd even wijd,   Aglaja 1849, Modes achter blz. 200, blz. 2 a.
Wij moeten natuurlijk mutsen hebben, en kraagjes, en een winterhoed,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 265 [1865].
Verbeelje, tot van morgen tien uur toe had ze geen winterhoed,   MULTATULI, Reisbr. 19 [1874].
Winterhoefblad.
Het winter-hoefblad (Tussilago alba? v. H.) verdraagt tot 8° C. vorst,   Alb. d. Nat. 1854, 1, 94 [1854].
Winterhoek, noordelijke wintersche streek. Incidenteel bij VONDEL.
De myrte leeft op strant: de ranck des blijden Godts Begeert een ope lucht, en heuvels: ypen zoecken Een koude noortsche buy, in gure winterhoecken,   VONDEL 8, 215 [1660].
Winterhoen, in den winter uitgebroed hoen.
Eene der hoofdoorzaken van de sterfte onder de winterhoenders, is de koude,   Akkerbouw 12 Febr. 1860, 3 c.
Winterhol, hol dat een dier gedurende den winter tot verblijfplaats dient.
Het dier (de beer in Finland) … trekt in het begin van November, bij het vallen der sneeuw, noordwaarts naar zijn winterhol … dat tusschen granietblokken … verborgen ligt,   Alb. d. Nat. 1856, 1, 48 [1856].
Winterhondje.
Winterhondjes, in den winter geboren jonge honden, als beter beschouwd dan de zomerhonden,   HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Winterhoorngeld, eert. opgelegde belasting (hoorngeld) naar het aantal "hoornen" (hoornbeesten) dat iemand in den winter bezat of geacht werd te bezitten.
  KOPS, Mag. v. Landb. 3, 130 [1805].
Winterhout. Veroud. 1°. Brandhout.
  WEIDENBACH [1808].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Schamel volck (was) … Getogen in het bosch …, En kapte … sijn noodig winter-hout,   CATS 1, 394 a [1625].
Sy (zekere slaven) hadden … geen swaren last, zijnde haar meesten arbeydt voor den Prince in het Bosch zijn Winter-hout te hakken,   STRUYS, Reysen 248 [1676].
2°. Hout van een (droge) kwaliteit als in den winter het geval is, dat in den winter gekapt wordt.
Is bedongen met den Boswaerder dat in plaets van 15 gl. Jarelix sal hebben 20 gl. mits dat hij voort na het houwen van het winterhout … de lojen na behoren sal oprichten,   in PLEYTE e.a., Uddel XV [1664].
Tot het heiwerk altoos gebruiken best Arensthalsch winterhout: want deeze plaets levert de beste en minst spynige paelen; en het in den winter gekapte hout is alleen bekwaem tot goed heiwerk, om dat alle de paelen, die ten tyde, dat de sappen in beweeginge zyn, worden gehouwen, … na verloop van weinig jaeren, door de verrotting geheel en al bederven,   YPEY, Zeedijken 30 [1777].
Winterhout. Houtprysen. Week- of winterhout (Nykerk), voerhout (Harderwyk), zynde elsen, esschen en beuken door elkander: in Nykerk f 2.20-2.50, Harderwyk f 2.30 de 1000 stuks,   in Med. Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, 151.
Winterhouting, naam van een zalmachtigen visch die in den winter kuit schiet.
In de Zuid-Duitsche meren leeft ook de Winterhouting of Kilch (Caregonus hiemalis), zoo geheeten, omdat hij in den winter kuitschiet,   BREHM-HUIZINGA 3, 297 b [1910].
Winterhuid.
1°. Huid of vacht van dieren in den winter.
De winterhuid (van den eekhoorn) levert zeer goed bont … op,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 130 [1822].
(De hagedis) die gezegd wordt de winterhuid, die zij afstroopt, met booze bedoeling te verslinden,   BEETS, N. Versch. 2, 22 [1890].
2°. Door het winterweer hard geworden, uitgedroogde bovenste laag van landbouwgrond.
Is de Gerst goed door den winter gekomen en de grond in het voorjaar opgedroogd, dan wordt zij soms geëgd of ook wel gerold om den grond aan de oppervlakte te verkruimelen (de winterhuid te breken), de ontwikkeling van 't onkruid tegen te gaan en ingezaaid klaverzaad te bedekken,   REINDERS, Landb. 2, 133 [1893].
Soms wordt … de Haver in het voorjaar ook direct (op de winterhuid) gezaaid en ondergeploegd, daarna geëgd en soms gerold,   2, 139 [1893].
Winterhuis.
1°. Huis dat bestemd is om in den winter bewoond te worden; winterverblijf. Ook in toep. op de overwinteringsplaats van dieren. Tgov. zomerhuis. Reeds mnl.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
— Ende die coninc sadt int winterhuis inden.ix. maent, ende voor hem stont een vierpanne met colen,   Bijbel v. Liesveldt, Jer. 36 E [1526].
Ende ick sal het winter-huys met het somer-huys slaen: ende de elpenbeenen-huysen sullen vergaen, ende de groote huysen een eynde nemen, spreeckt de Heere,   Statenb., Amos 3, 15 [ed. 1637].
Hier van daan landwaart in, vind men verscheide winterhuizen, langs den Simaniko, waar in Kozakken van zyne Czaarsche Majesteit woonen, die de schattingen van de Tartaren invorderen,   IDES, R. n. China 131 [1710].
Pop-Rypen, dus genaamd, om dat ze voor den Winter, kort na dat ze uit de Eijertjes zyn uitgekoomen, zig by een verzaamelen en een groote Pop spinnen, waar in ze haar te zamen, zonder te eeten, den geheele Winter door, tegen alle ongemakken beschutten en beschermen. In het Voorjaar, als de Bomen beginnen uit te lopen, verlaaten ze dit hun Winter-huis,   Burger-Thuinb. 298 [1769].
Bij dit winterhuis (van een bisschop) stond natuurlijk een luchtiger gebouwd zomerhuis, waarin de bewoner zich des zomers terugtrok uit de statievertrekken van het winterhuis,   S. MULLER, Oud-Utr. Vert. 48 [1904].
2°. Gebouw of ruimte waar uitheemsche boomen of gewassen worden gehouden of 's winters worden bewaard; oranjerie; serre. Veroud.
Winterhuis …; serre, orangerie,   OLINGER [1822].
Winterhuis. Orangerie,   LIEV.-COOPM. [1955].
— Indien het doendelijck is, en de ghelegentheydt toe-laet, dat dese stellinghe der Boomen voor het winter-huys gheschieden kan,   bij a.w. [1695].
Hier te Lande moet het Gewas in Winterhuizen gehouden worden, daar het somtyds bloeit,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 1, 260 [1773].
Winterhuishouding, winterverblijf. Sinds lang veroud.
Wy (zouden) gaeren … door vaste vrindtschap … gelockt zijn, om Ue. t'Amsterdam in Ue. winterhuyshoudinghe, ons vrindelyck aengeboeden, te koemen besoecken,   in HOOFT, Br. 4, 240 [1ste h. 17de e.].
Winterhut, tot winterverblijf dienende hut. Reeds mnl.
Zeg voorzigtig, bij het blaken van den zomerzonneschijn: "Knapen! bouwt u winterhutten: 't zal niet altijd zomer zijn",   D.J. V. LENNEP 252 [1823].
Winterhuur, huur voor het winterhalfjaar. Reeds mnl. Sinds lang veroud.
Item ontffangen up sunt Olevesdach 14 st. voer de wijnterhure,   Rek. v. Gron. 21 [1526-'27].
Krijn hefft betaelt opten somerhuer 72 daler, rest den winterhuer 53 dl.,   R.G.P. 140, 275 [1537-'43].
Untfangen sommerhuyr und wynterhuyr, an° 48 verschenen,   Rek. v. Gron. 300 [1548].
Winterhyacint.
Planten, nu (in Januari) in bloei in de opene lugt. Winter wolfs-wortel, helleboraster of beerenvoet, opregte zwarte helleborus, eenige enkele anemones, blauwe en witte winter-hiacinten enz.,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 25 [c. 1800].
Winterijs. Reeds mnl.
Ik (vind) den grond, Zoo koud, gelyk het winterys,   SIX V. CHAND. 373 [1657].
Winterijzer, hoefijzer, zoodanig gewijzigd ("op scherp gezet") dat het paard in den winter voor uitglijden en vallen wordt behoed.
Winterijzers. Het "op scherp zetten" is noodig, zoodra de wegen glad of met sneeuw bedekt zijn. De hoefijzers ondergaan alsdan zoodanige wijziging, dat de dienst der paarden wordt mogelijk gemaakt, en zij voor uitglijden en vallen worden behoed,   MOUBIS, Hoefbesl. 39 [1889].
In het eerste jaar wordt de gezonde hoef behandeld en het vervaardigen van gewone en van winterijzers … onderwezen,   Versl. Landb. 1909, 1, XXXI.
Winterinmaaksel.
Onder alle winterinmaaksels is de zuurkool het beste, en zij bevat werkelijk vele aanprijzenswaardige hoedanigheden,   DE KONING, Vrouwel. Gesl. 294 [1831].
Winterinzaaiing.
Men (is) het eens in de gedachte dat jong zaed eerder ontkiemt, maer ook ligtere planten en vruchten geeft dan het tweejarige, dewyl dit laetste meer kracht aen de vruchten schynt over te laten. Daer hunne groei ook langzamer is, schynen zy voordeelig tot de winterinzaeijing te zyn,   Akkerbouw 9 Sept. 1849, 2 b.
Winterjaren, (fig., dicht.) ouderdom.
Maar, helaas! de winterjaren Mogen sneeuwen op de hairen: — Kindschheid blijft ons immer by,   BILD. 13, 180 [1808].
Zie, daar zit een vlok gestrooid, Voorbô reeds der winterjaren, Die gij, Meimaand! niet ontdooit, Niet kunt smelten uit mijn hairen,   TOLLENS 5, 83 [1822].
Winterjan, (gewest.) soort van winterpeer; winterkleipeer. Meton. ook als ben. voor den boom.
Winterjan. Een soort winterperen. Ook winterzuikers genaamd,   KARSTEN [1934].
  GHIJSEN [1964].
— Onder de soorten, uit zaad voortgekomen, noemt men bij Nijmegen … de winterjan, een aangename stoofpeer,   V. HALL, Landh. Flora 75 [1854].
Ditmaal hebben wij als proefneming 50 peereboomen uitgedeeld, namelijk winterjannen, ook winterkleipeeren genaamd, eene soort, die zeer vruchtdragend en tevens van langen duur is,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 362 [1861].
Winterjantjes. (Kleipeer). Zeer bekende en goede Stoofpeer. 10 K.G. bruto f 1.25; 1/2 H.L. f 3. —; 1 H.L. f 5.50,   Bloesem en Vrucht 15 Sept. [1904].
Winterjapon.
  BOMHOFF [1857].
Winterjapon, japon van dikke wollen stof,   KOENEN [1903].
— Een allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel,   BEETS, C.O. 150 [1840].
Winterjas, dikke, warme jas, bestemd om in den winter gedragen te worden. Zie ook nog Dl. VII, 194.
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Denk toch, dat al het kwade gestraft wordt: zie maar weêr dien Sjaalman, die geen winterjas heeft, en er uitziet als een komediespeler,   MULTATULI, Max Havelaar 1, 160 [1860].
Hij mocht nog eens terugkomen, dan zou mevrouw wat ponnetjes opzoeken voor z'n zusje, ze had nog een winterjas liggen voor hemzelf,   HARTOG, Sjofelen 10 [1896].
Doch goede genade! de afzetter thans f 180 voor een winterjas vragend, en zegt dan nog hij niet voor de kleur instaat,   GOERÉE D'OVERFL., Dagb. 5 [1918].
Winterjong, kind met een (zeer) zwak gestel; kind dat klein van stuk is; ook: kat die in den winter is geboren. Gewest. in Vl.-België.
  JOOS [1900-1904].
Winterjonk …. Kind met zeer zwak gestel,   CORN.-VERVL. [1903].
Winterjong. Kind met zwak gestel; kat in den winter geboren,   LIEV.-COOPM. [1955].
Winterjurk.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— "Ik kan toch mijn winterjurk niet aandoen," zei ze met een zucht,   TINE V. BERKEN, Dochters v.d. Gen. 114 [1897].
Winterkabeljauwvisscherij.
De Beugvaart of Beug-visscherij, die men gemeenlijk ook de Winterkabeljaauw-visscherij noemt, omdat zij in den winter uitgeoefend wordt,   SCHLEGEL, Visschen 79 [1862].
Winterkade, winterkaai, winterdijk.
  HALMA [1778].
Winterkaai, kade, dubbele kade,   V. DALE [1872 ].
Winterkaai, -kade, hooge dijk tegen den waterstand der rivier in den winter,   KOENEN [1903 ].
— De geheele herstelling van dijken, van winterkaden, gemetselde waterwerken, mitsgaders die van steun- en scheidsmuren,   B.W., a. 841 [1838].
Winterkalebas, soort van winterpeer.
De Winter-Kalebas. Calebasse d'hiver …. Deze Winter-Stoofpeer heeft op het oog veel overeenkomst met de voorgaande (kalebas),   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 290 [1806].
  BERGHUIS, Ned. Boomgaard 2, 1, 71 [1868].
Winterkamer.
1°. (Verwarmde) kamer waarin men 's winters verblijft. Reeds mnl.
Winterkamer. Chambre d'yuer. Hybernum cubiculum,   PLANT. [1573].
  HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
Winterkamer, winterkaamr, een kleinere kamer grenzend aan de herd,   W.B.D. 1, 1, 34 b [Rosmalen, [1967].
— Den gemeenen Huisbouw, onder de gematichtheid van onze Landstreek verplicht de Neerlanders niet, zeer hard gezet te zijn op Zomer en Winterkamers, dat zijn verkoel en verwarmplaatzen,   GOEREE, Bouwk. 150 [1681].
De winterkamer binnentredend vond zij hier in 't donker de meeste dames nog wel bijeen, maar toch aanstalten makend om naar den dorschvloer te vertrekken,   EMANTS, Lina 135 [1888].
2°. Zie de aanh.
Winter-kamer (Wintering voor de vreemde Gewassen van een Lusthof &c.) Winter-zimmer (Winterung, Winter-lager für die fremde Gewächse eines Lust-gartens),   KRAMER [1719].
  KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
Hierbij: winterkamerbloemtuin.
Men kweekte en koesterde bloemen in huis, om ze te bespieden in hare ontwikkeling en daarin een belooning te vinden voor de teedere zorgen, soms met zeer gebrekkige hulpmiddelen op een zolderkamertje aan de lievelingen besteed. Het was, wat men in de eerste jaren der 19e eeuw noemde de "winterkamerbloemtuin", en het waren in 't bijzonder de Hyacinten die daarvoor in aanmerking kwamen,   KRELAGE, Eeuw Bloembollent. 2 [aangeh. woord begin 19de e.].
Winterkaneel, soort van winterpeer.
Wat is 'er uit de hand te eeten voor ons dog anders over? als de Camper-Venus-Peer, de Generaal Duits, de Winter-Kaneel, Poire la Force,   N. Need. Hoven. 74 [1713].
Winterkaneelpeer.
Men (kan) somtyds in deeze Maand (December) nog uitsteekende Virgilleuze Peeren hebben …; en daar beneevens eenige brosse en muskeerende Peeren; als de groote Muské de Hyver …; in Holland, Zeeland, en Gelderland de Kamper-Venus-Peer …, de Winter-Kaneel-Peer enz.,   N. Need. Hoven. 74 [1713].
Winterkant.
1°. Genaaid (tgov. geklost) kantwerk.
Het zal aan de meeste mijner Lezeressen bekend zijn, dat men de kanten in twee hoofdsoorten onderscheidt, namelijk in genaaide en in gekloste kant. De eerste, die van hoogere waarde is, en zich door bevalliger gedaante en luchtiger patronen aanbeveelt, en bekend is onder den naam van winterkant, zal voor dit maal het onderwerp onzer beschrijving zijn,   Penélopé 1, Handw. 119 [1821].
2°. (Oostende) Wintertijd.
Da gebeurdede in de wienterkant: dat gebeurde ongeveer toen het winter was,   DESNERCK [1972].
Winterkantonnement, hetz. als winterkwartier.
Als een leger geen winterveldtogt maakt, dan betrekt het gedurende den winter winterkwartieren, winterkantonnementen,   LANDOLT 2, 389 [1862].
Winterkap.
  BOMHOFF [1857].
— Arm Bretagne — o, werp toch schielijk uw winterkap weg, en sla licht om de schouders uw lente-"mantille",   QUACK, Stud. 164 [1874].
Winterkas.
De Winter-vrugten (mogen) niet al te lang aan de Boomen blyven staan; maar in de Winter-kassen wel bewaard te werden, op dat de vorst niet te fel en te ras koome in te dringen,   N. Need. Hoven. 73 [1713].
Winterkazak. Gewest. in Vl.-België. Zie ook nog Dl. VII, 1913.
Wenterkazakke, kazak die men 's winters draagt,   TEIRL. [1922].
Winterkazakke. Dik bovenkleed, dat men alleen in den winter draagt,   LIEV.-COOPM. [1955].
Winterkeer, in de dicht. verb. met der jaren winterkeer, met de komst der ouderdom, als gij oud wordt. Bij HUYGENS.
Voor-hout. Schoonheid, plaester van gebreken, Oogh-verleidster, schaduw' schim, Wordt ghy Boomen vergeleken, Oordeelt niet het oordeel slim; Soo magh uwe glans beswijcken Met der jaeren Winter-keer, Linde-tacken te gelijcken Waer u t'onverdienden eer,   HUYGENS 1, 109 [1621].
Winterkermis. Zie ook nog Dl. VII, 2383.
Zoo gij zonder mij gaat …, heb dan veel genoegen op de winterkermis,   LOOSJES, Bronkh. 1, 284 [1806].
Voor de winterkermis op de Maas te Rotterdam zij naar het schoone opstel in het Leeskabinet verwezen,   Z.-Holl. Volksalm. 1839, 211.
Winterkers (I), (inz. mv.) ben. voor de jodenkers (Physalis alkekengi L.).
Halicacabus …. Juden kirssen, boborellen, rotnachtschat. Kriecken ouer zee, winterkersen. Des coquerets, coullebobes, alquequanges, baguenaudes,   JUNIUS, Nomencl. 145 a [1567].
Winter-kersen. Halicacabus, vesicaria. vulgo alkakengi,   KIL. [1588].
  MELLEMA [1618].
  HALMA [1710].
  V. HALL, Kruidtuin 163 [1871].
Physalis Alkekengi …. alkekengi …, jodenkers …, winterkersen,   GERTH V. WIJK, Plantnames 990 a [1911].
Winterkers. z hondsblaze,   LIEV.-COOPM. [1955].
— In Latijn wort dit gewas van sommighe Cerasa vltramarina geheeten: dan in onse tael is den naem Alkekengi bij den ghemeynen man bijnae also ghemeyn als dien van Criecken van over Zee. Plinius noemtet ook Vesicula, dat is Blaesken …. In Engelsch heetet Winter Chery, ende oock somtijts in onse tael Winter Kerssen, om dat de vrucht niet voor den winter rijp en wort in de Noordersche landen, ende in de bosschen van Nederlant,   DODON. 810 b [ed. 1608].
Winterkers (II), ben. voor het barbarakruid (Erysimum barbarea L.).
Nasturtium Hyemale, Barbarea, Cardamum Hybernum, Winter-kerse, Steen-kruid. De bladen zyn de gemeene rapen seer na gelyk maar glad en geensins rouw: heeft een regte dog gestreepte struik van anderhalven voet hoog, sig boven in eenige takjes verdeelende: langs dese takjes en steeltjes groeijen veele vier-bladige geele bloemtjes,   BLANKAART, Ned. Herbarius 418 [1698].
Winterkers. Dit kruid groeit in het wild, op vogtige plaatsen, of wordt in de kruidhoven geteeld. Het loof is goed voor de Milt, scheurbuik en wonden, en is gezond om als salade te gebruiken,   BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
  V. HALL, Kruidtuin 230 [1871].
  HEUKELS 35 [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 160 b [1911].
— Noch wast hier veel wintercarse,   in V. OPSTALL, Reis Verhoeff n. Azië 208 [1608].
Dit Kruid ("Steen-Raket met Lierachtige Bladen, aan 't end rond") … is door den Heer D. de Gorter ook aan de Beeken by Harderwyk ontdekt. Hy zegt, dat men 't in 't Neerduitsch Winterkers noemt,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 9, 687 [1778].
Barbaraea vulgaris (het gewone Barbaraea of de Winterkers) groeit aan slootkanten, rivieroevers, op gras- en bouwland, en heeft een diep in den grond dringenden, weinig vertakten wortel,   OUDEMANS, Flora 1, 290 [1872].
Winterkervel.
Winterkervel (Uit: "Naam-lyst van de kruiden Welke men in 't Voor-jaar tot een groen Kruid-Moes of Potagie gebruiken kan"),   KNOOP, Moest. 234 a [1769].
Winterkeuken.
1°. Keuken waar men 's winters kookt.
  HALMA [1778].
  OLINGER [1822].
  KUIPERS [1901].
— Zy (t.w. keukens) konnen onderscheiden werden in Woonkeukens, en Kookkeukens, Zomer en Winterkeukens voor en achterkeukens, en Kelderkeukens, alhoewelze veelzints van een en 'tzelve gebruik zijn,   GOEREE, Bouwk. 153 [1681].
2°. Spijzen die 's winters gegeten worden.
  V. DALE [1898 ].
3°. (Gron.) Het woonvertrek, het woonhuis gedurende den winter.
  TER LAAN [1929].
Winterkeukenappel.
Princess-appel. Pomme de Princesse. Een schone, aanzienlijk grote, en zeer geschatte Winter-keuken-appel, die ook wel uit de hand mag gegeten worden,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 167 [1805].
Winterkeule, soort van boonenkruid. Zie ook nog Dl. VII, 2613.
Tenderijck of Winter-ceule. In Latijn, Satureia siue Thymbra altera. In Engelsch, Winter sauery,   DE LOBEL 1, 511 [1581].
Tenderijck oft Winter Keule; van sommige voor de Thymbra gehouden: Dodonæus heeftse hier voortijts voor de Zygis oft wilden Quendel beschreuen: Sij is van stelen ende bladeren de Gemeyne Hyssope wat ghelijck,   DODON. 501 a [ed. 1608].
De Winter-Keule,   KNOOP, Moest. 112 a [1769].
Alle soorten van wélriekende kruiden, als: lavendel, thym, winterkeulen, ysop, marum, mastik, stoechas, enz.,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 147 [c. 1800].
Winterkeutels, (jag.) zie de aanh.
Winterkeutels (bij jagers,) van herten, enz. troches,   V. MOOCK [1846].
Winterkeutels, (jag.) drek (van herten enz.),   V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
Winterkil, kil, koud als in den winter.
Winterkil, winterkoudt,   MEYER, Woordenschat [1669 ].
— Maer d' andre helft (t.w. van de engelenschaar), wie Godt dien last betrouwde, Blaest door de lucht met winterkille koude,   VONDEL 4, 470 [1645].
Winterkleed (zie ald.).
Winterkleeding, warme kleeding, bestemd om in den winter gedragen te worden. Ook fig.
  KRAMER [1719].
  WEIDENBACH [1808].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— De glimworm steekt haar lamp op ieder heining aan …. Ik zie, hoe ras de nacht den avond na moog' streeven, Hem niet in 't aaklig zwart, zyn winterkleeding, zweeven, Maar als omhangen met een luchtig sluierkleed,   V. WINTER, Jaarg. 106 [1769].
De winterkleding der mannen bestaat in een onderkleed, welks ruwe zijde naar binnen, en een bovenkleed, waar van het hair buitenwaards gekeerd is,   Kab. v. Mode 4, 197 [1792].
Winterkleipeer, hetz. als winterjan.
Wij (hebben) als proefneming 50 peereboomen uitgedeeld, namelijk winterjannen, ook winterkleipeeren genaamd, eene soort, die zeer vruchtdragend en tevens van langen duur is,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 362 [1861].
Winterkleum, winterkoude.
Hij moest toch voort, bij dag of ontij, door al 't nukkige der zo ongestadige natuur: na zomerhitte, winterkleum,   V. BUGGENHAUT, Wondern. 127 [1906].
Winterkleur, gebruikelijke kleur voor winterkleeding.
De algemeene winter-koleur is hier in Engeland doorgaands zwart; immers, men ziet deze koleur hier voor geene rouw aan, zoo dra men geene laken of cassimirvesten of broeken en zwarte gespen daar bij draagt,   Kab. v. Mode 1, 152 [1791].
Winterknol.
1°. Als wintergewas en -voedsel verbouwde knol of raap.
Winterknollen. Navets d'hiver,   HALMA [1710].
Winterknol, raap of knol, die in den winter goed is,   V. DALE [1872 ].
Winterknol, knol als provisie in den winter,   KOENEN [1903 ].
— Op de ledig geworden erwtenbedden winterknollen, kropsalaad- en koolzaad zaaijen (t.w. in Augustus),   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 203 [c. 1800].
In Braband (hebben) zoo wel de Zomer- als Winter-knollen niets van wormen of eenige andere ramp geleden,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 112 [1810].
2°. (Texel) Winterpeer.
Winterpéér of winterknòòl, winterpeer,   KEYSER [1951].
Winterknop, zie de aanh.
Vrij algemeen zijn … de gevallen, waarin de waterplanten zich staande houden door winterknoppen (hibernacula), waaronder men min of meer bolvormige verzamelingen van dicht opeengedrongen, soms ook opgerolde, bladeren verstaat, die nu eens aan den top eens primairen stengels, en dan weder aan dien van zijloten worden aangelegd,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 75 [1895].
Deze winterknoppen … laten hunne moederplant in het najaar los en dringen met hun spitse uiteinden in het slijk, of worden door de zinkende moederplant meêgenomen en naar beneden getrokken, om in beide gevallen in het volgende voorjaar als zelfstandige individuen een nieuw leven te beginnen,   Ald.
Winterkoe. Alleen in wdb. aangetroffen. 1°. Koe die ook in den winter melk geeft (?).
Winter-koe. Vacca hyeme lac praebens,   KIL. [1599].
De Winterkoe, die Winterkuh, Milchkuh in dem Winter,   WEIDENBACH [1808].
2°. Onvruchtbare koe.
Winterkoe …. Vacca sterilis,   KIL. [1599].
Winterkoe, Vache sterile,   MELLEMA [1618].
Een VVinter-koe. A Barren Cowe,   HEXHAM [1648].
  D'ARSY [1651].
Winterkoelte.
Schoone Lent', en Somer-soelte, Natten Herfst, en Winter-koelte Vind' ick op de Mart by mijn, In de Sonn', en Maene-schijn,   V.D. VENNE, Sinne-vonck 51 [1634].
Winterkoers, leergang in den winter, wintercursus. In Vl.-België.
De winterkoersen der Akademie waren nu reeds geopend, en ik was oud genoeg om geen jaer meer te laten verloopen, zonder myn kunstonderwys te beginnen,   CONSC., Yz. Graf 1, 111 [1860].
Winterkoning (zie ald.).
Winterkoningin.
De winter Koningin. La Reine d'hiver … Eene zeer kostelijke Winter-tafelpeer, wier smaak veel overeenkomst heeft met de Saint Germain, terwijl hout en blad met die der Jagtpeer overeenkomen,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 300 [1806].
Winterkooi.
Winterkooi: eendenkooi, waar in den winter buitenlandsch goed op den trek gevangen wordt,   HERMANS, Jacht en Taal [1951].
Winterkool.
1°. Kool die (ook lang) vóór den winter gezaaid wordt en in of na den winter geschikt is voor gebruik. Als coll. en als voorwerpsn.
Winter-kool. Des choux d'hiver, des choux frisés,   MARIN [1701].
  V. DALE [1872 ].
Winter-kool, die voor den winter gezaaid is, in de volgende lente gebruikt wordt,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
— Een Bloemkool 21/2 stuiv. 100 Winterkoolen fl 5 te Arnhem,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, Tafel 2, na blz. 446 [1812].
Bloemendaalsche Savoyekool. Eene uitmuntende winterkool, die bij vriezend weder eene goudgele kleur aanneemt en een zeer smakelijken schotel oplevert,   Boeren-Goudmijn 2, 2, 12 [1856].
Over het algemeen ziet zij (door koolluis aangetaste kool) er flets uit en al de bladen zijn omgekruld. Dit is eveneens bij zomer- als bij winterkool,   3, 2, 176 [1857].
Gy zult ook op de maend april, ja den aenvang van mei afwachten om de Brusselsche spruitkool en de groene en blonde winterkoolen te zaeijen,   Akkerbouw 22 Jan. 1860, 3 c.
Het gewas bestond uit roode winterkool,   Versl. Landb. 1913, 1, 13.
2°. (Gewest.) Roode kool.
Winterkool. Naam voor roode kool in De Streek,   METZ [1937].
Hierbij: winterkoolplant.
Winterkoolplanten, die reeds in het voorjaar verpoot kunnen worden, teelt men uit hetzelfde zaad,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 203 [c. 1800].
Winterkoolzaad, koolzaadvariëteit die in het najaar gezaaid wordt en den winter kan doorstaan (Brassica napus oleifera).
  V. DALE [1898 ].
  HEUKELS, Flora 2, 280 [1909].
— Het winter Kool-zaad … schenkt veel ryker oogst, maar zou mede, in 't voorjaar, althans laater dan Maart, gezaaid, niet tot rypheid komen. Men zaait het dus, voor den winter, niet tegenstaande al 't gevaar van doodvriezen, om de ryke oogsten, die het schenkt, als het er door komt,   DE PERPONCHER, Z. Graanb. 49 [1800].
Koolzaad (Brassica Napus) … algemeen op kleigronden en gemesten zandbodem gekweekt en verdeeld in winter- en zomer-koolzaad,   V. HALL, Landh. Flora 17 [1854].
Dat er als winter-oliegewassen twee geheel verschillende soorten verbouwd worden, is algemeen bekend, namelijk het winter-koolzaad, … en het winter-raap- of aveelzaad,   Vriend Landm. 28, 36 [1864].
Als voedergewas … worden in Engeland ook wel eens winter- en zomerkoolzaad in den herfst of voorzomer verbouwd,   REINDERS, Landb. 2, 320 [1893].
Winterkoorts.
Hardnekkige anderendaagsche of derdendaagsche herfst- of winterkoortsen,   CHOMEL, Verv. 4340 b [1791].
Winterkoren (zie ald.).
Winterkost.
1°. Levensonderhoud, ”brood” in den winter. Sinds lang veroud.
Het arme sint Jacops ghilde ende den ander, die de wyntercost aen onser nacie wynen zullen,   R.G.P. 75, 231 [1511].
2°. Voedsel bestemd of geschikt om in den winter te worden gegeten. Ook in den verkl., ter aanduiding van een bepaald, inz. smakelijk geacht gerecht.
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
— Neemt ghemercksel rasch totter mieren trect Aensiet haer neerstich des Somers wercken Ende den wintercost ghetijdich garen,   Antw. Sp. Mm ij r° [1561].
Hy gheeft de vrye slemp, hy dient u en Moyaal, En myn oock, om dat ick myn wijnter kost daar haal,   BREDERO 2, 125 [1615].
Een gebraade Appeltje is een smaakelyk en Gezond Winterkosje: Appelen met Karnemelk, Anys en Brood gekookt, en gegeeten, is des Winters het Gezondste eeten dat men zoude kunnen bedenken,   Holl. Huyshoudster 144 [c. 1780].
De Bijen zijn overal goed en zuiver door den Winter gekomen, zonder eenig ongemak te lijden, doch men moest in Utrecht in het koude voorjaar met voeren voortgaan, en 'er bleef ook in Groningen van den winterkost niets over,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 426 [1812].
Ook over ”thuis” ligt den laatsten tijd een vaalheid, een floers … de weeksche winterkost is er schriel, de kachel brandt er zuinig,   V. BRUGGEN, Huisje a.d. Sl. 26 [1921].
Winterkostuum.
1°. (Eig.) Kostuum bestemd om 's winters te worden gedragen.
Met bevende vingers maakte zij, vroeger dan iemand anders er aan dacht, alles in orde voor haar winter-kostuum,   BOHN-BEETS, Onze Buurt 82 [1861].
2°. (Fig.) Van boomen: voorkomen in den winter; wintertooi. Ongew.
We (keeren) naar het bosch terug, ten einde eens te zien, of het mogelijk is onze voornaamste boomen in hun wintercostuum te herkennen,   Alb. d. Nat. 1897, 1, 373 [1897].
't Is hier werkelijk zoo erg koud niet meer, net in 't zonnetje, dat de kristallen al lang bij massa's naar beneden deed tuimelen, zoodat het ons thans gemakkelijker zal vallen onze boomen in hun wintercostuum te herkennen,   Alb. d. Nat. 1898, 1, 102 [1898].
Winterkoude (zie ald.).
Winterkous.
  WEIDENBACH [1808].
  HEREMANS [1869].
— 's Daags voor ons vertrek gingen wy wat door de Stadt wandelen, om deselve te besichtigen, en te gelyk een paar Winter-koussen voor Catharina te koopen,   Sw. Robinson 378 [1733].
Winterkraai, ben. voor de bonte kraai (Corvus cornix L.)., eert. ook voor de zwarte kraai (Corvus corone L.)
CornixCornicula. Krae, krahe, kraye, winterkrae, schwartz krahe. Craye, winter oft swertecraye,   JUNIUS, Nomencl. 65 b [1567].
Winter-kraeye. Cornix, cornicula,   KIL. [1588].
Bonte-kraaij; ook Aschgrauwe Kraaij, Winterkraaij, en Zee-kraaij genaamt; … Is een Vogel, tot het geslagt der Raaven behoorende; zijnde bijna zo groot als de gewoone zwarte Kraaij; van koleur is dezelve aschgrauw, dog de kop, keel, wieken en staart zwart,   CHOMEL [1768].
  V. DALE [1872 ].
— De Kraai, Zwarte Kraai of Boschkraai (Corvus corone) en de Bonte Kraai, Winterkraai, Grijze Kraai of Schierroek (Corvus cornix) worden … door sommige onderzoekers als plaatselijke rassen van dezelfde soort beschouwd,   BREHM-HUIZINGA 2, 156 b [1910].
Winterkrammetje, naam van een voor ooftboomen schadelijke rups/vlinder (Phalaena brumata L.).
Het Winterkrammetje. De Wintervlinder. Phalene hyemnale. Der Frostschmetterling … De kop, het voorlijf en de rug bruinachtig graauw, de voorvleugels geelachtig graauw, met een' lichtter gekleurden band, de achterste geelachtig grijs, met eenen band die lichter is; alle zijn zij met zeer fijne zwarte aderen als doorweven en aan de zijde met eenen rand van franje omboord. — Het wijfje heeft genoegzaam geen vleugelen en kan niet vliegen, het gelijkt veel naar eene tor en heeft in gedaante en voorkomen geene de minste gelijkenis met het mannetje,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 14, 317 [1825].
— De Kapelletjes kwamen 'er niet eer uit (t.w. uit zekere rupsjes) te voorschyn, dan in 't laatst van 't Jaar. Zie daar, waarom men dit noemt het Winter-Krammetje,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 11, 693 [1767].
Het Winterkrammetje. (Ph. Geometra brumata). Dit, voor de boomkweekerij in de gewesten van het Noorden zoo verderfelijk insect, wijkt zoowel ten aanzien van zijne huishouding, als in zijn maaksel, voor zoo verre het wijfje betreft, van alle de andere zijnes geslachts in het oogloopend af,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 5, 2, 37 [1810].
Winterkrieken, vl. ben. voor bastaard-Spaansche-peper (Solanum pseudocapsicum L.) en mog. ook voor jodenkers (Physalis alkekengi L.), beide behoorend tot de nachtschadefamilie.
VVindter-kriecken, kriecken over zee. Coquerets, ou coquerelle. Herbe,   Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
Winterkrieken. Eene plant, anders krieken over zee, morelle faux-piment, cérisier d'amour, oranger du savetier, solanum pseudocapsicum L.,   DE BO [1873].
  HEUKELS 182 a [1907].
Solanum Pseudocapsicum L. …, bastaard spaansche peper …, winterkrieken,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1267 b [1911].
Winterkrop, vóór den winter gezaaide en uitgeplante, winterharde soort van kropsla.
Winterkrop. Salade, vóor den winter gezaaid en uitgeplant,   TUERL. [1886].
Winterkrop. Soort van kropsalade of latouw,   LIEV.-COOPM. [1955].
— Men heeft in deeze Maand nog weinige Moeskruiden, ten minsten buiten de Broey Bakken niet, want die leveren dan nog Winterkroppen, Jonge Radys en by schoon Weer Jonge Komkommers en Hoorniche Worteltjes uit,   Holl. Huyshoudster 71 [c. 1780].
Winterkrop, als weeuwtjes uitgezaaid wederstaat deze salade de strengste winterkoude, levert vroeg in de lente vaste doch geene zware kroppen en schiet alsdan spoedig door,   Boeren-Goudmijn 2, 2, 23 [1856].
Winterkruid.
1°. Winterhard gewas.
In den kruidhof heerscht woestheid en onorde; slegts hier en daar, dekken eenige winterkruiden met een frisch groen, den, voor 't overige, ledigen of met onkruid bewassen grond,   OVERDORP-POST, Het Land 308 [1788].
2°. Andere ben. voor barbarakruid (Barbarea vulgaris R. Br.).
  HEUKELS 35 b [1907].
— Het Winterkruid 't groeit in den bosch en 't is goed tegen den hoest,   Verz. GEZELLE [Kortrijk, voor 1899].
Winterkuil, laag heuveltje, vierkant aardhoopje in den vorm van een pyramide, waarop in den winter de hop werd geplant. In Vl.-België. Vgl. LINDEMANS, Landb. 2, 153 [1952].
Een hoplochtinck, 75 roeden, dobbel mesvet ende winterkuilen, 16 gulden,   bij LINDEMANS, Landb. 2, 160 [Aalst, 1707].
Item. Over een dobbel vet in de hoplochtinghen ende coollochtinck, met de wintercuylen van de hoppe … 52 g.,   bij a.w. 1, 130 [1754].
Winterkwartaal.
Winterkwartaal, trimestre d'hiver,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Winterkwartaal, de maanden November, December en Januari,   V. DALE [1872].
Winterkwartier, winterlaag (zie die woorden).
Winterlaars.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Winterlabeur, (Vl.) omploeging van bouwgrond in den herfst als voorbereiding op den winter; ook: toestand waarin bouwgrond zich door deze bewerking bevindt.
Winterlabeur. Bebouwing van den akker in den herfst,   DE BO [1873].
— Zijn hoogkouter lag in winterlabeur, van ends ont ends in wreede geulvoren geploegd,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 18 [1907].
Winterlaken, laken dat in den winter gebruikt wordt. In de litt. aanh. fig. ter aanduiding van een sneeuwdek.
Winterlaken. Drap d'hiver, pour l'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
— Alom lag het witte winterlaken over 't land, zeer koud beschenen door eene trage middagzon,   TEN BRINK, Roggev. 1, 351 [1872].
Winterlakooi, stokviolier (Cheiranthus incanus L.).
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  VANDENBUSSCHE, Volkst. Kruiden 187 [1955].
Winterland (zie ald.).
Winterlandschap.
1°. Landschap dat kenmerkend is voor den winter, inz. met sneeuw en ijs.
  V. DALE [1914 ].
— De overgang uit ons winterlandschap naar deze beemde (Arcachon) moet ontmoedigend en teleurstellend zijn voor ieder, die denkt uit zijn knollentuin in eene oranjerie te treden,   GORTER, Lett. Stud. 1, 41 [1866].
Willem vestigde zijne aandacht in stilte op het fraaye winterlandschap. De zon scheen zich te haasten om weg te vlieden, terwijl zij haar kouden gloed over de sneeuwmassaas uitgoot,   TEN BRINK, Roggev. 1, 308 [1872].
2°. Afbeelding, schilderij met een als bij 1° omschreven landschap.
  V. DALE [1914].
— Men teekent op een vel papier, met sapverf of O. I. inkt, een winterlandschap,   Aglaja 1849, 17 b.
Zeer schoon is bijv. de verandering van een zomer- in een winterlandschap, waarbij men dezelfde boomen, huizen enz., eerst in hun zomer- en daarna in hun wintergewaad ziet (er is sprake van een tooverlantaarn),   Boek d. Uitv. 2, 2, 348 [1865].
Winterlang, lang durend als in den winter. Incidenteel.
Godt gev' u (een bruidspaar) veel genuchts veel winter-langhe nachten, Een wil, een siel, een hert, een sinnen, een gedachten,   HUYGENS, V. Dichtw. 17 [1619].
Winterleger (zie ald.).
Winterlegering.
1°. Winterkwartier van een leger. Veroud.
Winterlegeringe, vulgo barb. winterquartier. Hiberna. Hibernacula,   HANNOT-V. HOOGSTR. [1704].
  OLINGER [1822].
— Zeer krachtig was ook de laatstgenoemde held (Claudius Civilis) voorgesteld als bezig in het verdelgen van de winterlegering der Romeinen,   LOOSJES, Lijnsl. 4, 140 [1808].
In de winterlegering zijn of liggen.
In de winterlegeringe zyn of leggen,   HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
2°. Het liggen in de winterkwartieren.
Straks zend de Prins Cecine, om Romes keureling, Thans nog te Vetera in winterlegering, Te sterken met de hulp der Nederrhynsche Staaten,   V. MERKEN, Germ. 16 [1779].
Winterlegger.
1°. Schip dat in een haven den winter doorbrengt.
Vaisseau qui hiverne dans un port. Een winter-laager, of Winter-legger,   AUBIN, Dict. de Mar. 489 [1702].
De Winterlegger, im Seewesen, ein Schiff, welches irgendwo überwintert,   WEIDENBACH [1808].
— Nog laat in den herfst voeren Nederlandsche schippers door de Sont; maar dikwijls overviel de vorst hen en noodzaakte tot overwinteren in een of andere Oostzeehaven. Het aantal dier ”winterleggers” bedroeg soms wel honderd,   KERNKAMP, Sleut. v.d. S. 11 [1890].
In April (lagen) nog ruim 80 Nederlandsche ”winterleggers” in Dantzig, die geen vracht konden krijgen, daar de kooplieden voor het verlies der lading vreesden,   90 [1890].
2°. Kip die den geheelen winter door eieren legt.
Als hij (de kippenhouder) een goeden raad van mij wil aannemen, dan zal hij ook in den winter eieren hebben; hij zal dan hebben wat men ”Winterleggers” noemt,   Pluimgraaf 1, 499 [1899].
Veel wordt er geschreven over verschillende rassen als winterleggers en vele houders van kippen beweren, den geheelen winter door eieren te krijgen,   5, 271 b [1903].
Winterlegster, hetz. als winterlegger (2°).
De hennen zijn … uitmuntende winterlegsters (betr. de goud-wyandotte),   Pluimgraaf 5, 146 a [1903].
Winterlelie, gewest. ben. voor de kerstroos (Helleborus niger L.).
  HEUKELS 117 b [1907].
Helleborus niger L. …, brandwortel …, kerstroos …, winterlelie,   GERTH V. WIJK, Plantnames 628 b [1911].
Winterlentebloem, gewest. ben. voor de winterakoniet (Eranthis hiemalis Salisb.).
Winterlentebloem, (plantk.) Eranthis hiemalis, wildgroeiende plant, welke in tuinen en bosschen voorkomt,   KUIPERS [1901].
  HEUKELS 93 b [1907].
Eranthis hyemalis Salisb. … akonietjes, eidooiers, gele winterbloem …, winterakoniet …, winter-bloem, winterhelleborus, winterlentebloem, winterwolfswortel,   GERTH V. WIJK, Plantnames 492 a [1911].
Winterleven, levenswijze in den winter.
  KOENEN [1911].
— Over het winterleven der bijen,   Vriend Landm. 10, 752 [1846].
Winterlicht.
  BOMHOFF [1857].
— Uwe oogen te moeten bederven in het grys en droevig winterlicht,   CONSC., Geluk 6 [1855].
Henk had ook naar buiten getuurd in het stille winterlicht,   V. MOERKERKEN, Ondergang v.h. Dorp 219 [1913].
Als 's morgens vroeg het doodsche winterlicht door de ruiten schijnt, vaal en triest van druipenden dooi,   V. BRUGGEN, Huisje a.d. Sl. 12 [1921].
Winterlied, lied bestemd om in den winter gezongen te worden; lied op den winter.
Winterlied. Chanson pour chanter en hiver, chanson sur l'hiver, sur les avantages, les plaisirs de l'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Winterlied, lied op den winter,   V. DALE [1898 ].
Winter-Liet (titel v.e. gedicht),   Hoorns Trecksch. 1, 111 [1663].
Winterlijster, wijnlijster.
Winterlijster. Mauvis,   HEREMANS [1869].
Winterlijster, (nat. hist.) wijnlijster,   V. DALE [1872 ].
Winterlinde, andere ben. voor de kleinbladlinde (Tilia cordata Mill) en de Hollandsche linde (Tilia vulgaris Hayne). Zie ook nog Dl. VIII, 2421.
Tilia vulgaris Hayne …, ghemeyne lindeboom, hollandsche linde …, winterlinde,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1338 a [1911].
— De Cingel dor, om d'arme winterlinde, Blinkt rond besaait, met silver, en groen kruid, Darius lief gingh, neevens haar beminde, Niet meer onthaalt, wanneer se was de Bruid,   SIX V. CHAND. 179 [1657].
Men onderscheidt twee soorten van Linden, welke door sommige slechts als verscheidenheden worden aangezien; de eene is de Zomer-Linde, Til. Europ. grandiflora, de tweede is de Steen-, Berg- of Winter-Linde, Til. Europ. parviflora,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 281 [1831].
Winterlinze, ben. voor een soort van linze (Vicia lens). Vgl. hd. winterlinse.
De winterlinze is een gewas, dat niet alleen in streken met zachte winters, maar veeleer in koude streken en wel in Duitschland op de koude Alp en in het Odenwald geteeld wordt,   Vriend Landm. 29, 475 [1865].
Winterloof.
1°. Gebladerte, bladeren in den winter; wintergroen.
2°. In den plantnaam rondbladerig winterloof, rondbladerig wintergroen (Pyrola rotundifolia L.).
Rondbladerig winterloof (Pyrola rotundifolia Linn.),   Schatk. v.a. St. 1844, 58.
3°. (Vl.-België) Ben. voor als veevoer voor den winter geteeld raapzaad (Brassica rapa). Vgl. Dl. VIII, 2756 en 2760.
Slechts eenige dagen na den oogst, ziet men de akkers omgeploegd, geegd en zelfs bezaeit. Voor deze velden is de ontstoppeling onontbeerlyk tot het zaeijen van winterloof,   Akkerbouw 15 Juli 1849, 3 a.
Het was hem een goede ontlasting als hij weer aan zijn land kwam, zijn boomen zag en de daking van 't hof; hij snoof weer den rauwen reuk van het winterloof en de rotte groeze der aardappels,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 140 [1903].
Winterlook.
  BOMHOFF [1857].
Winterlook, (plantenk.) klein bieslook,   V. DALE [1872 ].
  PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
Winterloon.
1°. Loon voor arbeid of diensten in het winterseizoen verricht. Zie ook nog Dl. XIII, 2801.
  HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
— Dat het Somer-loon van heur-luyder Knechts beginnen sal de weke daer half Maert in komt, ende eynden naer expiratie van de weke, die komen sal naer Amstelredammer Kermisse …, het Winter-loon van den eersten Novembris totten eersten February,   Handv. v. Amst. 1384 a [1608].
Wat de Arbeids-Loonen aengaet, het is eenigen tyd geleden, dat wy … aen Uwe Doorl. Hoogheit … voorgesteld hebben, dat in ons Gildeboek een Keur is, volgens welke ons Zomerloon is gesteld op 36 st. 's daegs, het Herfstloon op 30 stuivers, en 't Winterloon op 24 st. daegs, zynde het Loon, dat men op alle particuliere Werven aen de Gildebroederen betaeld,   Ned. Jaerb. 1749, 1221 [1749].
Velen (vinden) een winterloontje in het kloppen van keisteenen tot mac-adam,   Onderz. Landb. 1886, 24, 17 [1890].
2°. (Gron.) Zie de eerste aanh.
Winterloon, de premie die bij de assurantiemaatschappijen voor totaal verlies van zeeschepen … moet betaald worden gedurende één of meer wintermaanden,   MOLEMA (hs.) [1895].
  TER LAAN [1929].
Winterloot, zie de eerste aanh.
Winterloot. Winterrondgang, winterinspektie. Lees Winterlooc?   STALLAERT 3, 726 [1977].
— De bailliu (vermach) met mannen ende scepenen te gane eens tsjaers den winterloot ende somerloot rondomme der heerlichede van Huesdene, ende ooc waterghanghe, ongherechte wegen ende andre saken,   in DE POTTER en BROECKAERT, Gesch. Gem. Prov. O.-Vl., eerste R. 3, 8, 17 [Heusden, ongedat.].
Winterlucht.
1°. Koude, vochtige lucht (zooals) in den winter; vrieslucht.
Winterlucht, koude —, nevelachtige lucht,   V. DALE [1872 ].
— De grond biedt tweemaal 's jaars de liefelijkste vruchten, En oogsten, nooit vernield door strenge winterluchten,   NIEUWLAND, Ged. 88 [1788].
Het absolute gehalte aan waterdamp van de lucht was … gelijk aan die van de vochtige winterlucht in West-Europa, waarbij dan de relatieve vochtigheid 80—90 pct. is,   Alb. d. Nat. 1902, 1, 177 [1902].
Glimlachend, en rozig na een wandeling door de koude winterlucht … kwam ze nader,   NAEFF, Oogst 110 [1908].
2°. Hemel zooals deze zich in den winter vertoont; ook: afbeelding van een derg. hemel op schilderijen e.d.
Winterlucht … Eene dikke, met sneeuw bezwangerde, lucht, zoo als men op de zoogenoemde winterstukken der schilders veelal vindt,   WEIL. [1811].
Winterlucht, … de aan den winter eigen zijnde wolkenvormen,   KUIPERS [1901].
— Zoo vreeslijck een gerucht En dwarling stack 'er op, by donckre winterlucht,   VONDEL 8, 202 [1660].
Hij is sterk in winterluchten,   WEIL. [1811].
Wintermaal, hetz. als wintermaaltijd.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Wintermaaltijd, stevige maaltijd dien men 's winters eet.
Wintermaaltijd,   BEURS, Gr. Waereld 180 [1692].
Gij zijt het ideaal van winterheil! Gewis, voor de lustige vlammen gezeten, met het boek van een lievelingschrijver in de hand, en het vooruitzicht van een krachtigen wintermaaltijd des middags,   BEETS, C.O. 280 [1838].
Wintermaan, maan in den winter.
'k Zag menigmalen, tuk op roof, By 't helder licht der wintermaan, Den wolf deez' naakte stede ontgaan,   V. LENNEP, Poët. 3, 176 [1831].
Wintermaand (zie ald.).
Wintermantel.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Is 't waar, dat je mensch schryft zonder C.H.? … Helaas, ja … Ik laat nu-en-dan die C.H. liggen, als 'n wintermantel in zomertyd,   MULTATULI 10, 1, 44 [1862].
Hij slaat … den kraag van zijn wintermantel naar omlaag,   TEN BRINK, Roggev. 1, 352 [1872].
Wintermarjolein, uitheemsche soort van marjolein. Ook: fijne wintermarjolein.
De Winter-Marjoleine; Marjorana perennis; Majorana rotundifolia scutellata exotica; Origano cognata, Zaturhendi; (Origanum foliis carnosis tomentosis, Linn. Spec. Plant.),   CHOMEL 1964 b [1771].
— De … fyne Winter Marjoleine, word voortgeteelt door Scheuring, of door Steeking en aflegging der Takjes in het Voor-jaar, dewyl ze by ons geen ryp Zaad geeft,   KNOOP, Moest. 143 b [1769].
Wintermat, krammat waarmee grondwerken in den winter worden afgedekt.
Wintermat. Krammat, welke op een talud wordt aangebracht tot bescherming der bezoding gedurende den winter,   ZWIERS [1920].
Men onderscheidt wintermat en zomermat. De eerste heeft dikker spreidsel en meer beugels en is daarom sterker dan zomermat, die meer dient tot het bedekken van minder goed met gras begroeide plaatsen, welke enkele malen door golven beloopen worden en voorts tot het vastleggen van nieuwe bezodingen,   NEYT, Sprokk. 11 [1885].
  Alg. Voorschr. Onderh. Werken 1895, 12.
Wintermeel.
1°. (Eig.) Meel dat in den winter gebruikt wordt.
Anime een witte Boome, seer goet voor vercoutheyt de vruchten van den boom daer dese Gomme aen wast is haer (de bewoners van Guadeloupe) winter Meel,   V. LINSCHOTEN, Beschr. v. Guinea enz. b 5 r° a [1596].
2°. (Fig.) Sneeuw. In de verb. vlokkig wintermeel.
Als uw' tacken sullen duycken Onder't vlockigh Winter-meel, En uw' bladerloose struycken Proncken met den blooten steel, Dan sal noch uw bloessem bloeyen, … In den Hagenaers gedacht,   HUYGENS 1, 89 [1621].
Hoe valt het vlokkich Winter-meel Op Bergh en over Dal!   Hoorns Trecksch. 1, 111 [1663].
Wintermeeuw.
1°. Ben. voor de drieteenmeeuw (Larus tridactylus L.).
TridactylusWinter-Meeuwtje. Meeuw, die witagtig is, met een grysagtige Rug, de Staartpennen uitgenomen de buitensten zwart, de Voeten drie-Vingerig. Deeze wordt van de Engelschen Winter-Mew geheten, welken naam hy ook by sommige Schryvers heeft, inzonderheid by Klein,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 143 [1763].
Larus tridactylus, Linn. Spec. 2. De Drievingerige of Winter-Meeuw,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 250 [1822].
2°. Ben. voor de kleine zeemeeuw of stormmeeuw (Larus canus L.).
Larus canus L. 1758. — Kleine zeemeeuw … Wintermeeuw, Stormmeeuw, Zeekob,   ALBARDA, Ned. Vogels 89 [1897].
— De Kleine Zeemeeuw, Stormmeeuw, Wintermeeuw of Zeekob (Larus canus) broedt in 't Noorden van de Oude Wereld en is van October tot April zeer talrijk op onze kust,   BREHM-HUIZINGA 2, 454 a [1910].
Wintermeid, arbeidster, vrouwelijke bediende op een bleekerij, aangenomen voor werkzaamheden in den winter. Met de functie veroud.
Onder de meiden op de linnen- en garenbleek onderscheidde men geen andere specialiteiten dan de genoemde leermeiden en de ”opperbleekmaagd”. Met den naam ”bleekmeid” werden alle werkzaamheden gedekt. Eenmaal spreekt men van een ”was-, lits- en wintermeyt”. En deze betiteling laat met recht zien, hoe één en dezelfde vrouw verscheidene onderdeelen van het bedrijf verzorgde en tevens in de huishouding dienst deed,   bij REGTDOORZEE GREUP-ROLDANUS, Haarl. Bleekerijen 161 [aangeh. woorden 1747].
Wintermeloen, late meloensoort.
Ik heb ze (zekere methode) toegepast op alle oude en nieuwe soorten van meloenen, die tot dus verre gekweekt worden, voornamelijk op de winter-meloenen, en krijg, wel is waar, late vruchten, maar die niettemin goed zijn, en waarvan ik enkele tot in Januarij heb bewaard,   Schatk. v.a. St. 1849, 41.
Wintermest.
Sedert lang had ik reeds opgemerkt, dat deeze party (zaailand) … de Winter-mest van ten minsten 12 stuks Hoornvee van doen had,   Verh. Maatsch. Landb. 6, 2, 8 [1789].
Dat men ten allen tijde zoo na mogelijk versche mest beschikbaar heeft, en niet genoodzaakt is, om van zijne winter-mest een goed deel … renteloos te bewaren,   ENKLAAR, Handb. Landb. 301 [1854].
De mest van een geheelen zomer en ook de wintermest kan hierin … bewaard worden, waardoor men niet verpligt is op zekere tijden den mest naar het land te brengen,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 79 [1859].
Wintermode.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1884].
— Daar de wintermodes bepaald zijn aangenomen, houden zich de dames slechts met baltoiletten bezig,   Aglaja 1850, Modes 1 a.
”Wel!” vroeg deze, nadat zij een poos over de laatste wintermodes … en andere hoogst gewichtige onderwerpen hadden geredeneerd: ”hoe staat het nu tusschen u en uw baziliskus?”   V. LENNEP, K. Zev. 4, 355 [1865].
Wintermoesson.
De voorn. winden wayen zeer gestadig door, principalijk het wintermousson, 't welk somtijts geheel April wel deur waeyt,   V. DAM, Beschr. O.-I. C. 2, 3, 263 [1701].
Wintermorgen.
1°. (Astronomie) Punt op den horizon waar de zon aan het begin van den winter opkomt. Veroud.
Wintermorgen, orient d'hiver, levant d'hiver,   OLINGER [1822].
— Van het begin van den Herfst in tegendeel komt zy (de zon) daaglyks laater op, tot zy in den æquator in het Teken van den Steenbok treed, 't welk in 't begin van den Winter geschied; dierhalven word ook het Punt in den Horizont, waarin zy op dien dag oprysd, de Winter-Morgen, Oriens hibernus, genoemd,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 306 a [1740].
2°. Morgen in den winter, winterochtend.
  OLINGER [1822].
  V. DALE [1872 ].
— Er woei een koude oostenwind, die telkens de lantarenvlammen, nu rood en zonderling overbodig in den bleeken wintermorgen, naar eene zijde deed flakkeren,   COENEN, Zwakke 1 [1896].
Het was een koude, grijze wintermorgen, Dat ik uw wachtend welkom vinden mocht,   JAN PRINS, Bijeengebr. Ged. 1, 68 [1911].
Wintermoude, wintergrond. Veroud.
De Boonen vereischen tot haren wasdom veel vogt; om dezelve voor verdrogen te bewaren, ploegt men die in de Wintermoude onder, en men bezorgt daar door, dat de wortel een vogtige grond bekomt,   Verh. Maatsch. Landb. 14, 1, 43 [1804].
Wintermug, in eig. gebr. als ben. voor de leden van een familie van 's winters dansende muggen (Petauristidae of Triochoceridae) niet vóór 1921 aangetroffen. In de aanh. in fig. gebr. ter aanduiding van sneeuwvlokken.
De wintermuggen zijn aan 't dansen, ommentomme, zoo wit als muldersmeel, zoo wit als molkenblomme,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 341 [1896].
Wintermul, aarde, grond in den winter die onder invloed van de vorst mul, pulverig, los is. Zie ook Dl. IX, 1229.
De Erwten en Boonen en ook veeltyds de Zomer-Tarw worden, na dat het land geslegt is, op het Wintermul gezaaid en ondergeploegd,   Verh. Maatsch. Landb. 13, 1, 40 [1799].
Wanneer … de slib aan de oppervlakte bevriest, vormt zich daar eene laag wintermul, waardoor de opstijging van het water belemmerd en de verdamping tegengegaan wordt,   Versl. Landb. 1910, 1, 45.
Ter verkrijging van een goed zaaibed, zou het op deze gronden zeker aanbeveling verdienen, vóór den winter te scheuren, wijl de vorst den bodem handelbaar maakt en er kans is op een flinke hoeveelheid wintermul,   Verb. op gesch. Grasl. (Publ. Dir. Landb. 1918), 7.
Wintermuts.
  HALMA [1710].
Wintermuts, muts die 's winters gedragen wordt,   V. DALE [1872 ].
— Het vel van verscheidene hondensoorten dient den inwoneren van vele noordelijke landen … tot Pelswerk, — en zij gebruiken hetzelve … tot geheele kleedingstukken, tot Bedde-dekens, tot Handschoenen, Moffen en Wintermutsen,   THON, Honden 19 [vert. 1833].
Winternacht (zie ald.).
Winternat, vocht, neerslag, regen in den winter.
Winternat. Koude regen, gelijk er veel in den Winter valt,   JOOS [1900-1904].
— De artisjokken sterven zoo wel door te veel winternat als door te veel vorst,   Schatk. v.a. St. 1848, 50.
Winternatuur.
Terwijl het bevrozen raam, — dat tooverpaneel in de kunstgalerij des armen, — opengedraaid, hem kostloos het grootsche meesterdoek daarbuiten ontdekken liet: de sneeuwige winternatuur,   DE VOS, Vl. Jong. 59 [1881].
Winternet.
1°. (Vissch.) Drijfnet waarmee wintervisch, ook wel bep. winterzalm gevangen wordt. Nog gewest.
Winternet, drijfnet om in hoofdzaak winterzalm te vangen. De maaswijdte van de boezem bedraagt 230 mm, die van de ladderings 65 mm.,   V. DOORN, Terminol. Riviervissers 174 b [1971].
Winternetten, daermede post, voorn, spieringh ende ander witvisch gevangen wordt,   bij YPMA, Zuiderzeev. 58 [1546].
Dat … by den Visschers altijt gepleeght is gheweest Visschen te vangen inder Zee … met Netten hebbende maeschen so nauwe, als die nu sijn, so wel vande somer Netten, daer mede de Ael ghevanghen wort, als vander winter Netten daer mede Posch, Vooren, Spieringh ende ander Winter Visch ghevanghen wort,   Handv. v. Amst. 20 b [1547].
Een Winternet voor groote zalmen te vangen fl 40,   Cat. Tentoonst. Vissch. 5 [1865].
2°. (Jag.) Sterk gevlochten net dat vroeger gebruikt werd voor het vangen van wild, inz. konijnen, in den winter.
Winternet: een vroeger gebezigd soort konijnennet voor het vangen van konijnen in de duinen door de duinmeiers (= pachters der konijnenjacht). Het was sterker gevlochten dan het zgn. zomernet,   HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Dese Netten werden genoemt Langhnetten, en zijn ordinaris van 40 vademen. En mogen de duijnmeijers maer twee vande selfde netten houden, een winter en een somernet,   Jachtbedr. 22 [1636].
'T winter net is van drijdraet en des te stercker, 't ander maer van tweedraet oft heel fijn van vierdraet, dan dat is wel goet, maer te costelijck, en van vlasgaeren,   Ald.
Winternevel.
Winterneuel. Brouillars & brouees d'yuer. Brumæ,   PLANT. [1573].
— Zie toe, zie toe! de zon komt door En schiet een straal in 't woud; De winternevel vlugt er voor: Het zilver blinkt van goud!   TOLLENS 7, 69 [1802].
Daar, waar de gansche stad aan uwe voeten ligt in den fijnen blauwen winternevel, heft … eene gedenkzuil hare slanke, bronzen schacht hoog in de lucht,   GORTER, Lett. Stud. 1, 7 [1864].
Winterneven (I), znw. mv. , (gewest.) familie op bezoek in den winter. Ook: winterneven- en nichten, zie de tweede aanh.
Winterneven: familie op bezoek in den winter,   Hs. Lett. 1229a, n° 15, 27 a [Z.-Bev. , 1883].
Winterneven en … nichten, (gew.) kennissen en familieleden die 's winters eenige dagen komen logeeren om dan samen leut te maken,   V. DALE [1898 ].
Winterneven (II), ww. Gewest. 1°. Familieleden, vrienden of kennissen bezoeken of bij hen gaan logeeren in den winter.
Winterneven … Vrienden bezoeken in den winter,   BOERS, Beschr. v. Goedereede 57 [1843].
Winterneven, in den winter uit logeeren gaan,   O. Volkst. 1, 30 [Schouwen, 1882].
Winterneven, 's winters uit logeeren gaan,   1, 234 [N.-Brab., 1882].
Wintrnēv, 's winters gaan logeeren,   V. WEEL [1904].
Winterneeve. Te winterneeve gaan, uit logeren gaan,   KEYSER [1951].
  LANDHEER [1955].
Winterneve(n), de (thans verouderde) gewoonte onder de jongelui uit de boerenstand om in de winter uit logeren te gaan (meest bij familie): nog bij ouderen als bekend geg.,   GHIJSEN [1964].
Winterneven: e. winteravondbezoek brengen,   Ald.
2°. (N.-Brab.) Uit vrijen gaan, waarbij de vrijer 's nachts de geliefde bezoekt; elders ook queesten genoemd. Zie verder de aangeh. bron.
Er (werd) op het geheele eiland geen huis gevonden, waarin hier en daar boven en onder het venster geen ruit open of uitgebroken was, waardoor de vrijer bij nacht den arm kon steken, het venster openen en daarin klimmen, om bij de dochter op het bedde boven den deken te gaan liggen, en op die manier een praatje te houden, de vrijagie voorttezetten en aldaar te blijven tot een uur voor den dag, wanneer hij wederom in stilte vertrok en het venster sloot. Men noemde dit queesten. … Dit gebruik was nog in de vorige eeuw op onze eilanden Texel, Wieringen, Terschelling en Vlieland, en op sommige dorpen aan de kust in zwang. Gelijk men in Noord-Braband ging neven of winterneven, zoo ging men aldaar uit queesten,   SCHOTEL, O.-Holl. Huisg. 229 [1868].
Vandaar: winternever.
Winterneever, persoon die in de winter uit logeren gaat,   LANDHEER [1955].
Winterochtend.
1°. (Astronomie) Hetz. als wintermorgen (1°).
  STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
2°. Ochtend in den winter, wintermorgen.
  BOMHOFF [1857].
  KOENEN [1903].
— Op Nieuwjaarsmorgen, een helderen, vries-kouden winterochtend, terwijl hij even naar kantoor liep, voelde Croes zijn moed met onverwachte scheuten terugkeeren,   ROBBERS, Gel. Fam. 263 [1909].
Winteroliegewas, wintergewas waaruit olie wordt verkregen.
Niettegenstaande de oneindige voortbrenging van lichtgas … behoudt de olie haar prijs, doordien zij tot de menigvuldigste einden gebruikt wordt, waaraan vroeger niet gedacht werd en daardoor blijven ook altijd nog de winter-oliegewassen, tot de voordeeligste voortbrengselen van den akkerbouw behooren,   Vriend Landm. 28, 36 [1864].
Dat er als winter-oliegewassen twee geheel verschillende soorten verbouwd worden, is algemeen bekend, namelijk het winter-koolzaad, werkelijk, zoo als de naam het aanduidt, tot de koolsoorten behoorende (Brassica napus oleïfera), en het winter-raap- of aveelzaad (Brassica rapa oleïfera) tot de raapsoorten behoorende,   Ald.
Winteroliezaad, hetz. als winteroliegewas; het zaad ervan. Zie ook nog Dl. X, 119.
Chinees Radijszaad. Derzelver teelt wordt langs hoe meer voortgezet, vooral in Gelderland, volgens welke Commissie het als Winter-Oliezaad in den Herfst schijnt gezaaid te moeten worden,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 143 [1808].
Wijders zouden de planten … veel spoediger groeijen dan elk ander winteroliezaad, en bij een later uitzaai nog 8 dagen vroeger kunnen worden geoogst, dan aweelzaad, en 14 à 20 dagen vroeger dan koolzaad,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 138 [1859].
In ons klimaat kan de oogst gezegd worden eerst met half july een' aanvang te nemen en wel met de wintergerst, hoewel reeds in juny de winteroliezaden, en sommige klaver is binnengebracht,   RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven 833 a [1866].
Uitzaad n. mud of n. pond op het bunder. … Gele lupinen 1 mud. Winter-oliezaden 0.07 mud. Zomer-oliezaden enz.,   STARING, Huisb. 655 [1862].
Winterondergoed.
Woensdag 22 Mei. Andermaal smoorheete dag, en lijkt wel Augustus; zoodat mij gerechtigd achtte mijn winterondergoed te vervangen door zomerdito, en mijn stroohoed opgezet,   GOERÉE D'OVERFL., Dagb. 80 [1918].
Dinsdag 16 September. Het weder frisch, heden definitief mijn winter-ondergoed aan,   324 [1919].
Winteronthaal, wintervoedsel. Veroud.
Twyfelt … iemand aan de bondigheid van myne stellinge, laat hem dan de vergelyking tusschen die Schaapen, welken schraal hooi krygen, en anderen, die beter gespyst worden, overreeden. — Hy bezie des winters het klein vee onzer laagste landen, alwaar ook doorgaans het schraalste winter onthaal verschaft wordt …: gansch het gestel tekent slapheid,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 1, 85 [1780].
Winterooft, hetz. als winterfruit. Ook fig.
Pomum serotinumSpatzeittig opff, winter opff. Winter fruyt, spaedfruyt, winter oft spaed oeft. Pomme tardiue, fruit d'hyuer,   JUNIUS, Nomencl. 112 a [1567].
Winter-oeft. Poma hyberna, autumnalia, serotina,   KIL. [1588].
  V. DALE [1872 ].
— Appelen die machmen vertollen metter tonnen, te weeten van Wynter Ooft, die tonne tot drie penningen Hollants, ende Soemer Ooft, die tonne tot twee penningen Hollants,   in MARCUS, Sentent. 405 [1569].
Het dierbaer duirbaer winterooft van U Ed. vernuft heb ick bevonden wel van beter geur, als de meloenen van Rouwkoop,   HOOFT, Br. 1, 331 [1628].
Waarnemingen over het bewaren van winterooft in de open lucht,   Boeren-Goudmijn 1, 2, 107 [1855].
Wij hebben ons altijd goed bevonden, het winterooft op eene luchtige plaats … op hoopen te leggen,   OTTOLANDER, Ooftb. 91 [1880].
Winteroogsten, oogsten in den winter.
In de byeenkomst van het Bureel der landbouwsvergadering … heeft Mr J.V. … eene zeer gewigtige en belangryke mededeeling gedaen wegens het winteroogsten van aerdappelen,   Akkerbouw 3 Maart 1850, 2 a.
Winteropslag, wintervoorraad. Alleen in Gron. aangetroffen.
Winteropslag, wintervoorraad van mondbehoeften, aardappelen, knollen, kool, enz.,   MOLEMA (hs.) [1895].
  TER LAAN [1929].
— Wie hebben onze winteropslag al doan, wij hebben dien voorraad reeds in huis,   MOLEMA (hs.) [1895].
Het kon zijn, dat de winter minder streng optrad, … doch als voorzichtig man achtte men zich niet verantwoord zonder een winter-opslag voor vier tot vijf maanden,   Gron. Volksalm. 1916, 39.
De mogelijkheid om bij stremming der vaart goederen uit Holland te betrekken, was gebleken en daarmede aangetoond, dat de groote winteropslagen konden worden ingekrompen,   1916, 43.
Winteroverliggend, (scheepv.) in een haven overwinterend. Van schepen.
Winter-overliggende schepen van 1828, (binnengekomen te Dantzig) 60. (Uitgezeild) —. Winter-overliggende schepen van 1829, (binnengekomen) —. (Uitgezeild) 63,   Alg. Handelsbl. 23 Jan. 1830, 2 b.
Winterpaardestaart, andere ben. voor schaafstroo (Equisetum hiemale L.).
Van welke Vyf soorten by hem (De Gorter) de onderscheidende naemen zyn, Het Bosch-, Akker-, Sloot-, Rivier- en Winter-Paerdestaert,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 3, 7 [1783].
Winter Paardestaart, met eene ruwe, ongebladerde steng, welke aan den grondsteun eenigermate getakt is; onverdeelde scheedjes, die aan den grondsteun en het toppunt bruin gekleurd zijn, en een eindelings bloemkatje hebben,   SCHUURM. STEKH., Kruidk. Handb. 2, 3 [1818].
Winterpad.
1°. Pad in den winter.
Ons leven is een winter-pat; Na weynig droogs, al weder nat,   CATS 1, 653 a [1632].
  Mergh d. Ned. Spreekw. 2, 55 [1644].
  HARREB. 2, 20 a [1861].
2°. (Gewest. in Zeel.) Zie de aanh.
De winterpad, hoog gelegen voetpad, 's winters gebruikt als de binnenwegen onder water staan,   GHIJSEN [1964].
Winterpak.
1°. Warm heerenkostuum voor in den winter.
  V. GELDEREN [1909].
— Februarius: Kom sprokkel nog wat voor den haart De Koude is nog niet bedaart: Gy weet ik volg op broer Jan, Houd u Winterpak nog an,   Utr. Alm. 1778.
Heden wegens de kille lucht een dikker pak willende aandoen, in de broek een groot gat bevonden, van mot; en mijn twee andere winterpakken insgelijks door dit ongedierte geschonden,   GOERÉE D'OVERFL., Dagb. 144 [1918].
2°. (Verkl.) Warm dameskostuum voor in den winter.
Flora (haastte) zich met meer dan gewonen spoed om zich van haar wel wat luchtig Koninginnecostuum te ontdoen, en zich in haar warm winterpakje te steken,   CREMER 11, 148 [1875].
Winterpaleis, paleis dat als winterverblijf dient voor vorsten; inz. de naam van het winterverblijf der Russische tsaren in St.-Petersburg.
Winterpaleis, paleis, ingericht om 's winters bewoond te worden,   V. DALE [1872 ].
— Een schoon en heerlijk uitzicht op de heerlijke Admiraliteit, op het Winterpaleis en in het verschiet op het Newa,   DE CLERCQ, Holl. 171 [1816].
De geheele toestel, waarmede de Witte Zaal in het Winterpaleis was ingerigt voor de trouwplegtigheid van den Prins van Oranje, naar de Godsdienst zijner Vaderen,   BOSSCHA, Lev. v. W. II 354 [1852].
Nu begon men in het eigen winterpaleis van den Czaar de dynamiet-mijnen te leggen,   QUACK, Stud. 64 [1886].
Winterpantoffel.
Nu nog iets voor eene lieve kleine, die welligt grootpapa een paar warme winterpantoffels tot een geschenk wilde geven,   Penélopé 1, Handw. 173 [1821].
Winterpastei.
Neemt calfvlees ende ruet van runderen …, doeter dan in dese specien, ghincber, caneel, op die maniere van winterpasteyen,   VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 193 [1560].
  Koockb. 91 [1599].
Winterpeen, groote, late soort van peen die in den winter gegeten wordt; winterwortel. Zie ook nog Dl. XII¹, 884 en nog de volg. aanh.
Geele peen: de lange noemt men Leidse en de korte Hoornse Wortelen. Ze word van Zaad voortgeteeld. Tot vroege Peen moet men korte en tot Winter-Peen lange zaaijen,   Burger-Thuinb. 364 [1769].
Winterpeer (zie ald.).
Winterpeil.
1°. Door de overheid vastgesteld peil voor den gewenschten waterstand in een polder gedurende het winterseizoen (gewoonlijk lager dan het zomerpeil).
Winterpeil (stand, dien men (in een polder) hoogstens kan velen, of een gewenscht peil om in het natte seizoen voldoende waterberging te hebben),   ZWIERS 2, 220 b [1920].
— De voorsz. Peyl-en Schutmeester sal mede exactelyk moeten observeeren de winters-peyl, aangaande 't sluyten, en opdoen der heulen by winter saysoen, tot 't houden van water op de Landeryen, en somer-peyl, aangaande het houden van water in de grift des somers by groote droogte,   Utr. Placaatb. 2, 177 b [1714].
Het is … niet waarschijnlijk, dat het water van het IJ, na de uitvoering van dit ontwerp, immer tot de hoogte van het Amsterdamsche stadspeil zal worden opgezet, wanneer op den vereenigden boezem, het Rijnlandsche maalpeil, zijnde 101/2 duimen beneden AP, voor het winterpeil, wordt aangenomen,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 218 [1824].
Het winterpeil wijst uit den aard der zaak den meest gewenschten waterstand voor den winter aan,   BLINK, Nederl. 1, 47 [1891].
In sommige polders … heeft men ook een winterpeil (W.P.) vastgesteld, dat lager is dan het zomerpeil, soms gelijk met den bodem der slooten, omdat 's winters meer plotseling sterke rijzing van het polderwater kan plaats hebben en dus meer voorloopige waterberging wenschelijk is,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1336 [1907].
2°. (Meton.) Merk dat het winterpeil aangeeft.
Dat voorts aen een van de voorsz. Moolens … gestelt sal werden een somer ende winter peyl, in 't waterpas naementlick het somer peyl twee duymen laeger, ende het winter peyl vijf duymen hooger als 't tegenwoordigh staet,   Handtv. v. Ench. 108 b [1616].
Dewyl men ook door de bevinding leerde, dat 't nut voor de landen was, dat men 't Winterwater maar alleen liet ryzen tot een zekere en bepaalde hoogte …; zoo stelde men ook daar op een zekere en bepaalde maat, noemende 't merk daar van Winterpeyl,   L'EPIE, Onderz. 74 [1734].
Winterpels, dikke pels of vacht van dieren, inz. van haar(roof)wild, in den winter; wintervacht. Zie ook nog Dl. XII¹, 1028.
  HERMANS, Jagerswdb. [1947].
— Het haas heeft, zoowel als gij, zijn winterpels aan,   BEETS, C.O. 216 [1840].
De winterpels der Amerikaansche grijze eekhoorns levert het bekende petit-gris,   Boek d. Uitv. 6, 65 [1869].
Niet voor niet heeft de natuur den dieren een winterpels gegeven, — om ze voor uitwendige invloeden en nadeelen te beschutten,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 26 [1871].
Winterpet.
  BOMHOFF [1857].
Winterpet, dikke pet,   V. DALE [1914].
Winterpeulvruchten.
De teelt der winter-peulvruchten levert beslissende voordeelen op,   Vriend Landm. 18, 724 [1854].
Winterplaats. Veroud. 1°. Plaats waar men 's winters verblijft; winterverblijf; van legers e.d.: winterkwartier.
De Purpurs (zekere visschen) haer ghemeynt versamelen by een, End tot haer winter-plaets gaen stichten int gemeen Een wel-gheschicte Stad daer sy haer jongskens baren,   V. BORSSELEN, Strande 16 [1611].
'tSelve leger treckende over den Rijn, heeft ingenomen Rees, Deutecum, Emmerick, ende 'thuys te Schulenberg, ende van daer vorder treckende, heeft syn winterplaets gehouden in Westphalen,   VALERIUS, Gedenckcl. 172 [1626].
't Was laet in de nacht, doen de Legioenen … in hun winter-plaetsen weder kamen,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 6 b [1654].
Zy hebben eenige Hoofden onder zich, daar zy schattingen aan brengen, die dan vervolgens door dezelve aan de Steden, of Winterplaatzen van zyne Czaarsche Majesteit worden gebragt,   IDES, R. n. China 116 [1710].
2°. Plaats of gebouw dienend om niet-winterharde boomen of planten in den winter tegen de kou te beschermen. Veroud.
Winterplaats noemt men zulke plaats, daar men 's Winters Moesery, en alle teere Boomen plaatst, die men voor de vorst bewaren wil. Onder dezen naam kan men alle Oranjehuizen, Stook- en andere Kassen, vaste en losse Broeibakken tellen,   CHOMEL [ed. 1743].
Oranje huis, Winterplaats der gewassen; in 't latijn Frigidarium; Hijbernaculum; noemt men zulk een bijzonder gebouw, 't welke dient, om er 's winters allerlei vreemde gewassen in te overwinteren, welke onze winterkoude in de opene lucht niet kunnen doorstaan,   CHOMEL [1771].
— Om alle soorten, zoo Citroen-, Limoen-, Oranje- en andere tedere boomen voor onze winter-koude te beschermen, heeft men een Winter-plaets nodig, daer men, zonder stookinge, de felste koude kan uitkeeren; en nog een ander, daer men de Gewassen, door vuurstookinge, meer kan verwarmen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 373 [1737].
Men maakt de Winterplaats in huis gereed en voorziet dezelve met versche zandige Aarde, om by vorstig weêr de Keuken-Gewassen daarin te brengen,   Burger-Thuinb. 418 [1769].
Winterplant, in den winter groeiende, winterharde plant. In de eerste litt. aanh. in beeldspr.
Hijemales plantæ; Winter-planten; zijn zodanige, die meest in de winter groeijen, gelijk de water-kerse, enz.,   CHOMEL 1182 b [1769].
Eénjarige Winterplanten (Plantae annuae hyemantes), bij welke de kieming in den herfst van het eene, en de bloeitijd in de lente of den zomer van het daaraan volgend jaar valt,   OUDEMANS, Leerb. 1, 1, 6 [1866].
Winterplant, die tegen de winterkoude bestand is,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
— De schoonheid is een bloem, die in de lente prijkt, En sterft door zomerhitte of gure najaarsvlagen; De deugd een winterplant, die voor geen' storm bezwijkt,   SPANDAW 2, 126 [1837].
In gematigde streken kan de zaaitijd voor winterplanten het naauwkeurigst bepaald worden van half September tot 10 of 12 October,   Schatk. v.a. St. 1850, 10.
Eenige heesters en winterplanten prijkten voor het raam, dat op een besneeuwd tuintjen uitzag,   TEN BRINK, Roggev. 1, 315 [1872].
Winterploeg, ploeg menschen (in de aanh. soldaten) die in den winter aantreedt.
Zeer kort samengevat komt dat stelsel hierop neer, dat er, behalve de eigenlijke lichting à 23.000 man, die bij de troepen te voet hoogstens 8 maanden blijft, ook een winterploeg viermaanders van die sterkte komt,   Mil. Spect. 1919, 772.
Winterploeging.
Winterploegingen. Somtijds, doch vrij zelden, is het noodzakelijk, tot mullig making der gronden, gedurende deze maand (Januari) te ploegen,   Wet. Maandschr. 4, 57 [1836].
Winterpolder, polder die ook in den winter bemalen wordt.
In Friesland onderscheidt men polders met zomerbemaling of zoogenaamde zomerpolders, die alleen 's zomers bemalen worden …, en winterpolders, d. z. die welke altijd bemalen worden,   BEEKMAN, Ned. a. P. 338 [1884].
Winterpolder. Zoo noemt men in Friesland de polders die ook 's winters bemalen worden, in tegenstelling met de zomerpolders die alleen 's zomers worden bemalen en daardoor 's winters in den regel onder water komen,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907].
— Er (komen) talrijke zomerpolders voor als aanhangsel van nabijgelegen kleine (of in de laatste tijden ook groote) winterpolders. De molen bemaalt dan des winters alleen het land binnen de winterdijken,   Versl. Landb. 1917, 1, 45.
Winterpost.
Zoo sprak men in de vorige eeuw veel van winterposten waardoor men nu eens al de winterkwartieren waarin een leger verdeeld was verstond, en waarvan ieder voor zijne eigene veiligheid moest zorgen, dan weder en dit met meer juistheid alleen de vooruitgeschoven postenketen tot verzekering der winterkwartieren,   LANDOLT 2, 120 [1862].
Winterpostelein (winterporselein). Zie Dl. XII², 3642.
Winterpot, stevige wintermaaltijd.
De echtgenoot, die haar (een ”huishen”) tot zijn levensgezellin heeft gekozen, moet, wil hij met haar gelukkig leven, een man zijn, die geen hooger aspiratiën heeft dan een goed gestoofden winterpot en onberispelijk verzorgd ondergoed,   V. MAURIK, O. Kenn. 77 [voor 1895].
Winterprei. Zie Dl. XII², 3988 en nog de volg. aanh.
Winterprei, de gewone prei (allium porrum),   V. DALE[1914 ].
— By het zaaijen, planten enz. van porei staat te letten, dat men heeft zomer- en winterporei. De laatste is van de eerste onderscheiden, om dat zy niet zo groot wordt, doch in den winter duurzaamer is en in eenen gematigden winter op het land kan goed blyven,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 84 [c. 1800].
Winterpresent. Zie ook nog Dl. XII², 4040.
Heer-appel. Grote heer-appel, grote prinsenappel, winter-present. Der Herrnapfel, weisse Herrnapfel, grosser Herrnapfel. Present roïal d'hiver. — Een der grootste appels, 31/2 duim breed en even hoog, met een zeer gezonkene bloem, waar hij … door de ribben, aan de éne zijde hoger wordt en min of meer puntig toeloopt. Hij is glad, bleekgeel van kleur, en zomtijds aan de zonzijde bleekrood gestreept,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 106 [1805].
Winterpret.
Winterpret. Plaisir, joie, divertissement d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterprijs, (hoogere) prijs die 's winters geldt.
De gemiddelde boterprijzen zijn van wekelijks verkochte boter tusschen 1 April en 1 December en zouden hooger zijn als ook de dure winterprijzen medegeteld waren,   Onderz. Landb. 1886, 6, 26 [1890].
Hierbij dient in aanmerking genomen te worden, dat zomerprijzen vergeleken worden met winterprijzen, die voor enkele artikelen toch reeds veel hooger zouden zijn ook buiten den oorlogstoestand,   Versl. Landb. 1916, 1, 131.
Ik heb er intusschen voor kunnen zorgen, dat de prijs van de boter dezen zomer niet steeg boven f 3,10 of f 3,20. De winterprijs is hooger, maar de boter is des winters steeds duurder dan des zomers,   V. IJSSELSTEIJN in Hand. St.-Gener. 1919-'20, Tw. K., 125 a.
Winterproductie.
Het ligt niet op mijn weg om te beoordeelen in hoeverre het voor den Nederlandschen veehouder mogelijk of loonend is om … zich op meerdere winterproductie toe te leggen,   Versl. Landb. 1915, 4, 32.
Winterprovisie, wintervoorraad.
  V. DALE [1884 ].
— Het gebeurt menighmael in den winter, dat uw appelen, rapen, wortelen en diergelycke die ghy tot winter-provisie op-ghedaen hebt, komen te vervriesen,   WITGEEST, Toverb. 66 [ed. 1715].
Men kan ook op open velden, daar de grond koud en nat is, nog blaauwe en graauwe erwten zaaijen voor winterprovisie,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 97 [c. 1800].
We hielden niet minder dan twintig zakken (aardappelen) voor winterprovisie, niewaar moeder?   CREMER 1, 202 [1856].
Goed weer in den hooi- en oogsttijd droegen mede bij tot een goeden oogst, zoodat ruim voldoende winterprovisie verzameld kon worden,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1914, 10.
Winterpunt.
Winter-Punt, word in de Ecliptica het Punt genoemd, in het welk de Zon omtrent den Middag het verste van het Zenith afstaat, of in het welk de Middag-Hoogte van de Zon ten laagsten is,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
Winterpunt, het punt van de ecliptica of zonnenweg, waarop de zon, tusschen den 21n en 22n Dec., den versten afstand zuidwaarts van de evenachtslijn bereikt heeft. Alsdan heeft men den korsten dag van omtrent 71/2 uur, en tevens rekent men dat nu de winter begint,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Winterraam, raam geplaatst voor een gewoon glasraam om de koude van het najaar en den winter buiten te houden; voorraam.
De voor- of winterramen zijn tot dusver zoowat de eenige dubbele raamconstructies welke men in ons land aanwendt. Zij worden buiten de bepaalde glasramen aangebracht, in den herfst bij den aanvang van het ruwe jaargetijde geplaatst en blijven tot het voorjaar aanwezig,   BERGHUIS, Betimm. 228 [1892].
Winterraap.
1°. Als wintergewas of -vrucht, voor wintergebruik verbouwde raap (Brassica rapa napifera).
De Rapen begeeren een goede, losze, wat vogte … grond, … Zynde inzonderheid die heel geurig, welke op de Akkers, tot Winter-rapen, gebouwt worden na dat de vroege Veld-vrugten daar van inge-oogst zyn, en die men gewoonlyk Stoppel-Rapen noemt,   KNOOP, Moest. 179 a [1769].
De Winter-Rapen worden gezaait geduurende de Maanden Junius en Julius,   179 b [1769].
In het Najaar teegen de aankomende Vorst worden de Winter-Rapen uitgegraven, en na dat de Bladen 'er afgesneden zyn …, worden ze in de Kelder zonder in Zand te leggen bewaart, of in een Kuil …, tot 't Winter-gebruik,   180 a [1769].
2°. Als winteroliegewas verbouwde soort van koolzaad.
Verschillende soorten van het geslacht Brassica … leveren zaden, die rijk zijn aan vette oliën. Daartoe behooren: de zomerraap, B. praecox (choux-rave; Sommerraps; summerrape); de winterraap, B. napus (choux-navette; Winterraps; winterrape) en het koolzaad, B. campestris oleifera (colza; Kohlsaat; colza),   KRECKE, Chem. Technol. 62 [1881].
Winterraapzaad, soort van raapzaad dat in den winter te velde staat en in het vroege voorjaar bloeit (Brassica rapa oleifera).
Winter-raapzaad, dat vroeg in het voorjaar — en zomer-raapzaad, dat later in den zomer bloeit, geeft de bijen veel honig en was,   Verh. Maatsch. Landb. 15, 1, 176 [1808].
Dat er als winter-oliegewassen twee geheel verschillende soorten verbouwd worden, is algemeen bekend, namelijk het winter-koolzaad, werkelijk, zoo als de naam het aanduidt, tot de koolsoorten behoorende (Brassica napus oleïfera), en het winter-raap- of aveelzaad (Brassica rapa oleïfera) tot de raapsoorten behoorende,   Vriend Landm. 28, 36 [1864].
  HEUKELS, Flora 2, 280 [1909].
Winterradijs, andere ben. voor rammenas (Raphanus sativus L.).
Raphanus sativus …, ameratse …, rammenas …, winterradijs,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1129 b [1911].
Winterraket, andere ben. voor barbarakruid (Barbarea vulgaris R. Br.).
Kleine vroegbloeiende Winter-Rakette,   CHOMEL 3372 b [1775].
Barbarea vulgaris. R. Br.: Winterkers …, Ste-Barbara- of Sinte Barbel-kruid, rondlobbige steen-raket, winter-rakette, winter-watermunt, moeras-raket,   V. HALL, Kruidtuin 230 [1871].
  HEUKELS 35 b [1907].
  GERTH V. WIJK, Plantnames 160 b [1911].
Winterreces, wintervacantie van een bestuurscollege.
”Eene zoo kalme discussie over de begrooting als nu, is er in eene reeks van jaren niet geweest”, verklaarde dezer dagen de Heer Heemskerk, terwijl hij zijne medeleden aanbeval om nog vóór het winter-reces het voorloopig onderzoek der census-hervorming af te doen,   BUYS, Stud. 1, 501 [1873].
Winterregeling.
Verschillende redenen noopten er toe bedoelde winterregeling bij beschikking van 5 Januari 1918 te wijzigen,   Versl. Landb. 1918, 3, LXXVII.
Winterregen.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  KUIPERS [1901].
— De gemaakte wonden (toegebracht aan boomen) (hebben) tyds genoeg om te heelen, eer de vorst of zware winterregens komen, die beiden zeer nadeelig zyn,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 212 [c. 1800].
Verder naar de polen toe … hebben de winterregens de overhand,   KRECKE, Klimaat 1, 275 [1863].
Gehouden … naar aanleiding van eene buitengewone droogte door het uitblijven van winterregen ontstaan, loopt zij (een toespraak) ongeveer over alles en hecht zich aan alles vast,   GORTER, Lett. Stud. 2, 36 [1867].
Winterreis.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
  KUIPERS [1901].
— Dit was … genoeg voor mij, om van dit winterreisje geheel af te zien,   LOOSJES, Bronkh. 1, 151 [1806].
Göthe … bezocht hem … op een winterreis door den Harts,   V. VLOTEN, Aesth. 10 [1865].
Drie heeren met even zoovele dames zitten er in (in een ijsslede), en de voerman zit, vrij zonderling, op den kant. Die heeren en dames doen ”eene winterreize”,   Oude Tijd 1871, 354.
Met zulk een sleê deed Gerbrand Breêro, in 't begin der 17e eeuw, eens een winterreis naar Haarlem, waar hij ter begrafenis van een vriend gevraagd was,   1871, 355.
Winterrenet, soort van winterappel.
Renet. (Rode winter-) — Een zeer goede tafelappel, 3 duim breed en 21/2 duim hoog. Hij is bijkans rond, en van onderen zo wel als van boven vrij stomp,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 209 [1805].
Winterribbeling, soort van winterappel.
Op de veiling van de Tielsche Veilingsvereeniging besteedde men heden voor: … winterribbelingen f 4.40 — f 4.60, uit een cour.   [1915].
Winterrietpeer. Zie Dl. XIII, 159 en nog de volg. aanh.
Winter Rietpeer … Sileziepeer. Winter-Kraaipeer (in Zeeland). Roggebroodspeer (in 't Westland) … Afkomst: onbekend, sedert onheuglijke jaren hier gekweekt,   BERGHUIS, Ned. Boomgaard 2, 1, 71 [1868].
Winterrijm. Zie Dl. XIII, 317.
Winterrijpte.
Wanneer de Bloem-kool, by winter-rypte, des zelfs behoorlyke grootte nog niet heeft, alsdan knakt men de binnen-bladen, tot het dekken der bloem tegen het bevriezen,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 338 [1737].
Winterrogge (zie ald.).
Winterrok.
1°. Warm kleedingstuk dat mannen 's winters droegen.
Tunica hyberna. Chimsatrum. Eenen winterroc. Vng sayon ou paletoc d'hyuer,   PALUDANUS 26 b [1544].
Winterrock, winterkleedt. Robbe d'yuer, mante velue. Endromis,   PLANT. [1573].
Winter-rock, pije. Endromis,   KIL. [1599].
Winterrok. Rok dien men 's winters draagt. Juste-au-corps, ou jupe d'hiver,   HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
— Leg somers den winter-rock in de kas, Soo komts' u weder eens te pas,   CATS 1, 602 b [1632].
De opsoeckers onder des sons evenaer passeren. En voort met sneeghe vaert des steen-bocks kromme keeren. Daer Phœb' van daen ghehuyst was na het kreeften hock: So dat Matroos ontbrack den warmen winter-rock,   HERCKMANS, Zeev. 149 [1634].
2°. Warme rok die vrouwen 's winters dragen. Zie ook de aanh. uit HALMA [1710] onder 1°.
  V. DALE [1872 ].
— Kijk, Triene, ge doet mij waarlijk verdriet aan. Koopt gij liever 'nen warmen winterrok, en eenen mantel nog daarbij,   DUVILLERS, Bar. Penn. 17 [1851].
Winterroode, soort van winteraardappel.
In 1912 stonden te Marrum Eigenheimer en De Wet in geldelijke opbrengst boven Splendo, Franco en Roode star, welke drie laatste variëteiten weinig verschilden, terwijl Geldersche kralen en Winterrooden ver achteraan kwamen,   Versl. Landb. 1914, 3, 59.
Winterroos (zie ald.).
Winterrups, rups die overwintert, inz. de rups van den wintervlinder.
  V. DALE [1872 ].
Winterrups, rups die overwintert,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
— Naauwkeurige waarnemers noemen als de voornaamsten (der schadelijke insecten), de navolgende insecten a. De zoogenaamde Winter-rupsen: dezelve zijn groen en in het lange witachtig gestreept … In het midden van de maand Junij veranderen dezelve in torretjes of poppen, en in October komt 'er de genoemde kapel uit voort,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 4, 2, 207 [1809].
Winterrust.
1°. Periode van inactiviteit gedurende den winter, bep. van dieren, maar ook van bedrijven, eert. ook van legertroepen; rust die dieren, planten, bedrijven e.d. 's winters hebben; bij dieren ook wel zooveel als: winterslaap.
  V. DALE [1898 ].
— Van de Winter-ruste worden sy (de ratten) vet en breet,   V.D. MERSCH, Raedtselb. 75 [1614].
Vorst Reynald heeft na de winter-rust zijn volk tegen den soemer weder in 't veld gebraght,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 128 a [1654].
Welcke visch jaarlicks op gesette tyden uyt de Schotse of Engelsche Zee … haar winter-rust in de Zuyder-Zee komt nemen,   SCHRASSERT, Beschr. v. Harderw. 1, 21 [1730].
Zoo wijkt de zomer met zijn pracht, Maar niet, o God! uw zegen: Neen, boom en weid' en akker smacht Der winterrust reeds tegen; Die rust maakt nieuwen groei gereed,   Evang. Gez. 165, 2 [1806].
Storingen in de winterrust, wanneer zij reeds eenigen tijd heeft geduurd, en de koude nog aanhoudt, kunnen (bij bijen) aanleiding tot den loop geven,   DIRKS, Bijenh. 196 [1861].
Het rundvee kon zeer laat worden opgestald, had weinig kou geleden, terwijl de paarden in December in zeer goede conditie de winterrust ingingen,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1913, 17.
2°. (Meton.) Plaats waar de periode van wintersche inactiviteit doorgebracht wordt. Sinds lang veroud.
Cæsar … heeft … sijn leger gebragt in de winter-rust,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 2 a [1654].
In 't afgaen van de soemer zijn eenige Legioenen landwaerts na haer winter-ruste gesonden,   2, 7 a [1654].
Wintersalade.
1°. Veldsla.
Wintersalade, doucette,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. DALE [1872 ].
Valerianella olitoria …, akkersla …, veldsla …, wilde veldsla, wintersalade, witmoes,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1391 a [1911].
— Veldsalade. In het Neederlandsch niet alleen dus, maar ook van veele Vettekoes, Vettekous, Wintersalade, van andere Witmoes en Veldkroppen genoemd,   MUNTING, Aardgewassen 781 a [1696].
Dit eenjarig Kruid-gewas (”de Veld-Salaad”) word genoemt in 't Nederduitsch, Veld-Salaad, Vette-Kous, Vette-Kost, Veld-Krop, Winter-Rapuntze, Winter-Salaad, Koorn-Salaad, Wit-Moes, enz.,   KNOOP, Moest. 217 a [1769].
2°. Salade die in het najaar of 's winters geoogst of geconsumeerd wordt.
Wintersalaad. Salade d'hiver,   HALMA [1758 ].
  WEIL. [1811].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Wintersalaad, salaad die voor den winter gezaaid of geplant is,   SCHUERM., Bijv. [1883].
— Wilde cichorei, voor wintersalade … De bladeren, die van de plant worden geplukt, leveren, gedurende den zomer, eene groene, bittere, doch zeer gezonde, en gedurende den winter, eene even gezonde, doch aangenamer salade op,   Schatk. v.a. St. 1850, 19.
Zoodra de haringen … het lekkerste geregt bij onze wintersalade uitmaken; of … zulk eene algemeene vervulling gedurende den geheelen winter geven; zet men … den krimpenden kabeljaauw op onzen disch,   Boek d. Uitv. 3, 78 [1867].
Wintersavooi, in het najaar of den winter geoogste savoyekool. In Z.-Ndl.
Wintersavooien. Savooikoolen die vóór den winter geplant worden,   CORN.-VERVL. [1903].
Wintersaveuie. Savooi, die in Maart of in Mei gezaaid wordt. De eerste kroppen worden van September af, de andere gedurende den winter en zelfs tot in de lente gebruikt,   LIEV.-COOPM. [1955].
Wintersavooi. Savooi in aug. gezaaid, in tegenstelling met zomersavooi,   GOOSSENAERTS [1958].
Wintersavoyekool, hetz. als wintersavooi.
De morgen … wordt volgenderwijs bebouwd: Eerste schaar. a. 1/4 met kropsalade … d. 1/4 met vroege aardappelen. Tweede en derde schaar. a. Kropsalade en late kool, door elkander … d. Winter savoije-kool,   Boeren-Goudmijn 4, 1, 176 b [1858].
Winterschade, schade ten gevolge van het winterweer.
Neemt men aan, dat watergebrek in verband met te sterke verdamping de oorzaak is van de winterschade, dan laten de afwijkende groeiverschijnselen zich zeer goed verklaren,   Versl. Landb. 1910, 1, 140.
Winterschemering.
Winterschemering daalde kil tusschen de nette, koele huizenrijen,   NAEFF, Oogst 86 [1908].
Winterscheurbuik.
De Aprillucht (is) vervult met zeer veel kars-achtig zout, 't welk een groot middel tegens de winterscheurbuik is,   V. RANOUW, Kab. 6, 525 [1722].
Winterschilder, (schild.) schilder van winterlandschappen.
't Is … geen wonder, dat'er zo weinige Winterschilders gevonden worden. Ik heb Winters van Breugel verbeeld gezien, die zo warm gekoloreerd waren als in 't midden van de zomer,   DE LAIRESSE, Schilderb. 1, 279 [ed. 1712].
Winterschip, schip dat in den winter uitvaart, bep. naar de koloniën, en dan in oppositie met voorjaars-, zomer- en herfstschip.
N. maen den 28 dito (t.w. Mei) is Hilversum des namiddags … weder na buyten gegaen, om beneffens de Parkyt noch al te cruyssen op de te verwachten winterschepen uyt 't Patria,   V. RIEBEECK, Dagverh. 3, 608 [1661].
Alzoo de Winterschepen mede alle dagen stonden te verschijnen, oordeelde hy best te zijn noch op Batavia wat te vertoeven,   BALDAEUS, Malabar 89 b [1672].
Dat de hoekers en sloepen (winterschepen) verminderen tegenover de uitbreiding van de loggers en kotters (zomerschepen),   HOOGENDIJK, Grootvissch. 164 [1893].
Winterschoen, schoen die men 's winters draagt.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Winterschol, in het laatst van het vischseizoen (half October tot in November) gevangen schol.
Hoe jammer … dat mijne dichtader zints de Revolutie, in plaats van … op te zwellen, thans zoo plat als een winterschol blijft,   DE WAKKER V. ZON, Steenb. Fam. 4, 101 [1809].
Winterschoof, gewas van te maaien veldvruchten dat voor consumptie in den winter gezaaid wordt.
Na den oogst in Augustus zaaije men knollen en woeste klaver … In het begin van den winter hebben de knollen reeds haren vollen wasdom; men rukt er dan dagelijks voor het benoodigde voeder van uit den grond; het welig opgroeijen der klaver, die men dan op het laatst van April … reeds kan maaijen, wordt hierdoor volstrekt niet verhinderd. Op dit knol- en klaverland … zaaije men in Mei … wortelvruchten, die men in September uitdoet, om dan hierop weder eene winterschoof te zaaijen; zoodat men in één jaar van den zelfden akker drie oogsten trekt, namelijk: 1°. Knollen, gedurende den winter; 2°. In April … groene klaver, en … 3°. Beetwortelen of peen, in het begin van September,   Schatk. v.a. St. 1849, 19.
Te aanvaarden: — de in 1860 met zomerschoof te bezaayen landen — en na de bebouwing daartoe in het najaar 1859 en de dan met winterschoof te bezaayen landen bij de overneming van die schoof in de maand Mei 1860,   uit een advert. [1859].
Winterschool, school waarop gedurende de wintermaanden onderwijs gegeven wordt, inz. in landbouwonderwijs.
  V. DALE [1898 ].
— Er is totaal gebrek aan gelegenheid tot het genieten van onderwijs in de landbouwkunde. Alleen … welgestelde landbouwers kunnen hunne zoons daarin onderricht doen geven te Wageningen of in het buitenland … Winterscholen en wintercursussen op onderscheidene plaatsen zijn zeer aan te bevelen,   Onderz. Landb. 1886, 22, 26 [1890].
Door het overzicht (wordt) duidelijk gemaakt, dat de winterscholen in hoofdzaak worden bevolkt door jongelieden uit den landbouwenden stand,   Versl. Landb. 1909, 1, XXIII.
Hierbij: winterschoolonderwijs.
Zoodat het … noodig is, wil men het winterschoolonderwijs in steeds toenemende mate onder het bereik der landbouwers brengen, dat het getal dezer scholen van lieverlede wordt uitgebreid,   Versl. Landb. 1909, 1, XXIII.
Winterschuur, schuur waarin de wintergranen geborgen werden. Sinds lang veroud.
Int Hof te Bolenbeke (Mollem) … de winterschuere van onder tot boven geplact, want dit ontdect was. Voorzien ende gerepareert aen de zomerschuere die teenemale ongeschickt was ende stont om vallen,   bij LINDEMANS, Landb. 2, 96 [1500].
Winterseizoen (zie ald.).
Wintersemester, winterhalfjaar, bep. als duur van een leergang.
  HEREMANS 583 [1867].
— Gedurende het wintersemester worden verschillende instrumenten, bij het landmeten in gebruik, behandeld … In het zomersemester hebben practische oefeningen met de behandelde instrumenten plaats,   Rijks H. Landbouwsch. 76 [1905].
Een leerling ontving wegens ziekte het diploma na afloop van het wintersemester na een aanvullingsexamen,   Versl. Takken v. Dienst Landb. 1915, 12.
Winterslaap (zie ald.).
Winterslaper, dier dat een winterslaap houdt. Vgl. hd. winterschläfer.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Zij beweerden … slapende zwaluwen gezien te hebben. Ik liet mij op de plaatsen brengen, waar de vermeende winterslapers in hare holen moesten verborgen liggen, en vond, gedurende de lange afwezigheid van deze diertjes nooit iets anders, dan ledige nesten,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 2, 234 [1828].
De Hamsters en nog andere winterslapers leggen, vóór hunne verstijving, magazijnen van voedsel in hunne holen aan, om, zoodra zij weder ontwaakt zijn, daarvan dadelijk gebruik te kunnen maken,   KROEZE RAMAKER, Nat. Hist. 1, 14 [1856].
Veelal heeft men beweerd, dat de oorzaak van den winterslaap gelegen is in eene lage dampkringstemperatuur, omdat de winterslapers, in een warm vertrek gebracht, uit hunne sluimering ontwaken,   WINKLER PRINS, Encyclop. 641 a [1888].
Winterslijk.
De Sweed is gaende, maer op toffelen, zoo my dunkt. Dat hem die maer in 't winterslijk niet en blijven steken. Beter waer hy gelaerst en gespoort, om, by dien tijdt des jaers, door den drek van Duitslant te stappen,   HOOFT, Br. 2, 123 [1630].
Wintersloor.
Winterslooren, slooren die, in Augustus gezaaid, en voor den winter, in 't begin van October, geplant of gelegd worden,   SCHUERM., Bijv. [1883].
  RUTTEN [1890].
— De ondervinding leert …, dat de Garst swaeren en vetten grond begeert … Men zaeyd deze of voor den winter en word Winter-garst genaemt, of naer den zelven en men namd-ze Zomer-garst (om de zelve reden zegt men Winter-koorn, Winter-slooren, &c. Zomer-koorn, Zomer-slooren, enz.),   THYS, Memorie 224 [1792].
In Braband waren de Planten, die aldaar bij de Landlieden onder den naam van winterslooren bekend, in het laatst van November gewoonlijk achter den ploeg gezet worden … door het gunstige herfst-weder zeer goed gegroeid,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 77 [1808].
Wintersluimer.
Toen 't wijde, doodsche veld onder mistig grijze schemerlucht in killen wintersluimer lag … op een van die natte, ijzige, triestige winterdagen, greep het huwelijk … plaats,   BUYSSE, Rozeke 2, 152 [1905].
Wintersluimering.
Boom en bloem en heidekruid Barst' vrij zijn wintersluim'ring uit, En heffe 't hoofd weêr op van uit de veldsneeuwvlokken,   BILD. 6, 181 [1829].
Wintersmering, smeersel dat voor den winter op boomen aangebracht wordt ter bescherming tegen kou en water, en dat in zijn samenstelling aangepast is aan de wintersche omstandigheden.
Men (moet) zorge dragen, om het geënte … en geoculeerde … tegen invallend water te beschermen, waarom men de Oculatien … moet omwinden, en het geënte … van booven en ter zyde de spleet digt met Entwas … bestryken: daar toe is het beste, voor Winter-smeering, een Pond beste Harpuis en een half vierendeel Raap Oly, wel door een gesmolten; maar tot de Lente-smeering moet het zoo leenig niet zyn …, op dat het door de warmte te minder zoude afdruipen,   Burger-Thuinb. 138 [1769].
Wintersnee (I), het ploten van schapehuiden gedurende het winterseizoen (?); vervolgens ook meton.: de vachten die in die periode geploot zijn (?).
Dat mede de knegts, die het werk bij hunne meesters aangenomen hebben …, sooals dat meest twee mael des jaers, als somer- ende wintersnee, geschiet, niet vermogen sullen van haare meesters af te gaen, voordat het aangenomen werck sal afgedragen sijn,   R.G.P. 49, 643 [1732].
Het jaer van 1722 hebbe de suemer-Amsterdamse blote het groot hondert gekost 14 gulden en 13 gulden … 1724. De winter-Amsterdamse blote tot 17 gulden; de winter-snee van de Amsterdamse en ider blote door malkaar tot 18 gulden,   49, 642 [1722-'36].
Wintersnee (II), zie -sneeuw.
Wintersneeuw (wintersnee), sneeuw die in den winter valt; in fig. gebr. ook wel ter aanduiding van grijze haren. Mnl. wintersnee.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Gelijk een waaterbeek, door slagreegen en wintersneeuw verhoogt, door haar randen niet kan bedwongen worden, maar met geweldt overvloeit, en zich verspreit over velden en heuvelen: zoo is enz.,   BRANDT in HOOFT, Br. 4, 450 [1647].
Geen Caucasus bezet van rym en wintersnee, Geen' donderende lucht, geen' steigerende zee … zal my te rug doen wenden,   DE DECKER 1, 60 [1656].
Hier omtrent de Yskaap heeft men wel by de 7 maanden wintersneeuw, zy valt echter niet hoog, en alleen in 't begin van den winter,   IDES, R. n. China 131 [1710].
Koomt een halfvoltrokken eeuw Met des levens wintersneeuw 't Wagglend hoofd bezwaren,   BILD. 13, 8 [1788].
Langzaam bewoog zich de stoet … de velden langs, die de wintersneeuw reeds toedekte,   SCHAEPMAN, M. en B. 2, 32 [1871].
Wintersnoei, het snoeien van overtollige of oude en verdorde takken net vóór of tijdens den winter.
Nemen wij den gesteltak eener pyramide, wier verlengsel 0m75 uitbreiding heeft en bij den wintersnoei op circa een derde afgekort wordt,   Landb.-Cour. 5, 313 [1868].
Dat de wintersnoei in het algemeen te laat wordt toegepast,   Versl. Landb. 1915, 1, 16.
Wintersnoeiing, hetz. als wintersnoei.
Deeze tweede en derde snoeying … moeten omtrent half Mey geschieden, en raakt maar eene soort van takken, naamentlyk de zwakke of liever Vrugt-takken; in de Winter-snoeying waarenze heel lang om datze vol bloem-knop waaren gelaaten,   N. Need. Hoven. 179 [1713].
Vermids veele knoppen van dezen Wyngaerd … doorschoten, zoo bespeurde dat de eerste en tweede Zomer-snoeijing te vroeg gedaen hadde; nogtans wierd aen den zelven de Winter-snoeijing in November verrigt, wanneer wederom genoegzaeme zwaere bloem-knoppen gemaekt hadde,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 176 [1737].
In Junij of Julij snoeit men alle loten die te digt op een staan vlak bij 't hout weg, herhaalt zulks bij de wintersnoeijing of in de maand Maart, en waart slechts de kleine oogtakjes,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 90 [1806].
De twee vervangingsknoppen zullen zich nu ontwikkelen en zwakkere scheuten voortbrengen, die gemakkelijk vruchtorganen worden en waarvan men een bij de wintersnoeiing verwijdert,   OTTOLANDER, Ooftb. 52 [1880].
Wintersok.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Heeft C. 'n goed hart? — Als 'n juweel! Z'n dochters breien wintersokjes voor negerkinderen,   MULTATULI 2, 1, 9 [1861].
Wintersolstitium, z.g. zonnestilstand, op het noordelijk halfrond omstreeks 22 Dec.; ook ter aanduiding van het punt waar de zon zich dan t.o.v. de aarde bevindt.
Van den 22 Iunii tot de 22 September, de tyt des Somers, doorloopt hy (t.w. de zon) de teeckens van Cancer Leo Virgo tot aen 't Equinoctium des Herfsts. Voorder tot de 22 December, de tydt des Herfsts, gaet hy door de teeckens van Libra Scorpius en Sagittarius tot aen 't WinterSolstitium ofte Sonnestant,   BLAEU, Tweev. Onderw. 1, 30 [1634].
Dat (bij een boom) de Jaerlyksche … krings-aenwasch der gelykstreeksche Buisjes (waar door de dikte toeneemt) geformeert word gedurende de Winter- en Zomer-Solstitien,   in V. RANOUW, Kab. 8, 3, 28 [1721].
Voor onze breedte … is … op den langsten dag middaghoogte der zon … 61° op den kortsten dag … 15° De zon bevindt zich in het 1ste geval in het zomer-, in het 2de geval in het wintersolstitium,   V.D. BILT, Sterrenk. 34 [1913].
Wintersoort, gezegd van zeker gewas: in het najaar te zaaien variëteit.
De … Winter-zoort (van de ”Keule”, een kruidgewas) kan … door Scheuring of Steeking in het Voor-jaar ligtelyk voortgekweekt worden,   KNOOP, Moest. 112 b [1769].
Van ieder graan … zyn twee soorten; het zomer-soort, en 't winter-soort, die, in weezenlyken aart, verschillen,   DE PERPONCHER, Z. Graanb. 49 [1800].
Winterspanner, (biol.) bep. variëteit van de spanners (zekere vlinderfamilie), t.w. de Geometrida brumata L., die pas diep in het najaar te voorschijn komt; ook wel winterkrammetje genoemd.
Bij sommige soorten zijn de wijfjes weinig ontwikkeld. Dit is het geval bij den winter-spanner, Geom. brumarĭa,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 331 [1858].
Winterspanner, Geometra brumata, waarvan de wijfjesvlinder ongevleugeld is. De rups leeft eerst in de knoppen en tast later de bloesems en bladeren aan,   STARING, Huisb. 392 [1862].
Winterspel, spel waarvoor de winter het gebruikelijke en/of geschikte seizoen is.
  TEIRL. [1922].
— Het (t.w. het klootschieten) is een winterspel, dat groote inspanning en gespierde armen vordert,   TER GOUW, Volksverm. 322 [1871].
Zonder twijfel bestaan er winter-, lente-, zomer- en herfstspelen,   DE COCK en TEIRL., Kindersp. 1, 21 [1902].
Winterspelt, in het najaar gezaaide spelt.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Spelta Linn. spica aristata rufa glabra. Witte winter-spelt,   Boeren-Goudmijn 1, 1, 218 [1855].
Pas ontgonnen of ligte gronden zijn niet geschikt voor de teelt van tarwe, die er slechts door kunstmiddelen en zeer zwaar mesten een middelmatigen oogst oplevert. Geheel anders is het echter met de gewone winterspelt, die zelfs op ligte zandgronden, ten minste bij eene voldoende bemesting, goed groeit,   7, 1, 305 [1861].
Winterspijs.
Men kan deze Bonen (de snijboonen) ook tot Winter-spyze in leggen,   KNOOP, Moest. 65 a [1769].
Hij koopt niets in de winkels, maar kleedingstof, winterspijs als grutten, meel, &c. stijfsel, met een woord alles koopt hy van half tot half jaar op de Misse,   BILD., Br. 2, 15 [1805].
Boerenkool met glinsterend ijs Is een lekkere winterspijs,   HARREB. 1, 358 b [1858].
Winterspinazie, in den laten zomer of (inz.) in het najaar te zaaien spinazie.
De Winterspinagie, der Winterspinat,   WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
Winterspinage, winterspinazie, spinagie die voor den winter in Augustus of September gezaaid wordt,   SCHUERM., Bijv. [1883].
Winterspinazie. Spinazie, in den herfst gezaaid,   CORN.-VERVL. [1903].
— Op Akkers van laeter Boonen, vroege herfst-Spinagie, Krop-salade, Kervel enz. ook geheel met Andivie: en als nog laeter winter-Spinagie, Zuuring, Beet enz.,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 305 [1737].
De oude Bedden, waar men de Planten, na dat de Vrugttyd over is, uitroeit, kan men nog in dezelfde Nazomer met Seldery of Andivie beplanten, of men kan 'er Herfst- en Winter-Spinagie, Kervel, Suuring, &c. op zaayen,   KNOOP, Moest. 16 b [1769].
De winterpaardenboonen die eerst in den herfst van 1862 gelegd zijn, hadden evenmin als de winterhaver en de winterspinazie, hinder van den zachten winter van 1862 1863,   Boeren-Goudmijn 9, 270 [1863].
In beide gemeenten wordt eene groote verscheidenheid van gewassen geteeld, waarvan de voornaamste zijn: erwten, boonen, sla, winterspinazie … en vroege aardappelen,   Versl. Landb. 1913, 6, 15.
Winterspore, één van de door roestzwammen tegen het einde van de vegetatieperiode gevormde sporen, die overwinteren, zoodat ook de zwam den winter overleeft.
Ofschoon de wintersporen in rijpen staat soms onmiddellijk nieuwe infectie te weeg kunnen brengen, ligt het in haren aard, den winter over te blijven en dan eerst teekenen van leven te geven,   OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 2, 418 [1896].
De resultaten (in den strijd tegen meeldauw) met Californische pap verkregen zijn nogal gunstig. Aanvankelijk raadde Professor Salmon aan te beginnen in April of Mei, voordat van de wintersporen infectie kon uitgaan, en de besproeiing in den zomer ongeveer om de veertien dagen te herhalen, zoolang er nog groei in de struiken was en zoolang dus de schimmel zich kon uitbreiden,   Versl. Landb. 1915, 1, 17.
Wintersport, sport die vnl. gedurende den winter beoefend wordt; bep. ter aanduiding van die sporten die op sneeuw en ijs uitgevoerd worden; in dezen laatsten zin vaak ook als coll.
  V. GELDEREN [1909].
  V. DALE [1914 ].
Wintersport, sport, die alleen 's winters beoefend wordt: schaatsenrijden, skiloopen, sleeën enz.,   KOENEN [1920].
— De wintersport werd het allereerst te Davos beoefend … Druk bezoek geniet de ijsbaan … waarop zeer groote internationale schaatsenwedstrijden gehouden worden. Verder zijn er … twee sledebanen aangelegd … Voor liefhebbers van skiloopen is Davos en omstreken een Dorado,   Med. Alpen-Ver. 11, 3 [1913].
Het getal van hen, die in de Alpen de wintersport beoefenen, is voortdurend toegenomen,   Ald.
Winterspreeuw. Eert. als spotnaam voor iem. die sjofel en armoedig gekleed rondtrekt (?).
Adieu die voortyds Leeplick ter loidge Morelde … adieu huse verkutsers volghers vanden wynghelde adieu wynterspreeuwen ghaende ghezoct en ghedost adieu die gheerne den besloten pennyngh verlost,   DE DENE, Test. in Jaarb. ”De Fonteine” 30, 213 [1560].
Winterstal, stal waar het vee gedurende den winter verblijft.
  CORN.-VERVL., Aanh. [1900].
  JOOS [1900-1904].
Winterstalling.
1°. Het op stal staan tijdens het winterseizoen; vervolgens ook ter aanduiding van de periode van het jaar tijdens welke deze toestand geldt.
Een volwassen rund … vereischt voor zijn dagelijksch onderhoud 35 Ned. p., d.i. gedurende de winterstalling (ongeveer 200 dagen) 7000 Ned. p.,   Boeren-Goudmijn 6, 1, 158 [1860].
2°. Ruimte waarin het vee tijdens den winter ondergebracht wordt.
Behalve de groote schuur, waarin de winterstallingen voor rundvee en paarden … waren, was er nog eene schuur …, waarin enz.,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 97 [1859].
Winterstalvoedering. Zie Dl. XV, 531 en nog de volg. aanh.
De tot dus verre verkregen uitkomsten van eene overdekte mestvaalt worden geroemd, en de daarmede … in verband staande zomerstalvoedering voor paarden en rundvee en winterstalvoedering voor schapen leveren goede uitkomsten op,   Boeren-Goudmijn 1, 1, 157 [1855].
Winterstalvoer, voer dat aan het in den winter op stal staande vee gegeven wordt.
Het gewone winter-stalvoer is hooi en afval van den dorschvloer; voorts raap- en lijnkoeken of meel tot toevoeder,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1861, 18.
Winterstand.
1°. Plaats waar de winter doorgebracht wordt. In de aanh. in toep. op de overwinteringsplaats van een bijenvolk.
Daar stooten of dreunen de stokken, welke op hun winterstand geplaatst zijn, zeer zou benadeelen, moet men hen daarvoor vrijwaren,   DIRKS, Bijenh. 145 [1861].
2°. Wijze waarop iets in den winter staat; in de aanh. ook weer te geven met: zeker peil van het water tijdens den winter.
De IJsel … die in gewone gevallen gewoonlijk ¹/0 van het Rijnwater ontvangt, dat is 200 Kub. Meters bij gewone standen, ontvangt … bij zulke winterstanden veel meer,   E. Haard 1875, 181 b.
Winterstede, plaats waar de winter doorgebracht kan worden.
Keyser Tiberius, leggende nu het Leger in sijne winter-stede, en verzuymde niet Germanicus door meenige brieven te vermaenen, hy soude nu enz.,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 2, 7 a [1654].
Deser wooninge … maken … gemackelyck (gerijffelijck,) kamers … en die voor gebruyckbare dingen wel onderscheyden: soo dat 'er zy een keucken … en een Kachel-kamer (stove) ofte Winter-steede … toegerecht met een Kachel (oven) ofte schoor-steen … waer de Huys-genooten t'saemen-woonen (-leven;) dan een Eetsaal enz.,   COMENIUS, Deure d. Taalen 250 [1666].
Winterster, ster die alleen in den winter te zien is; eert. bep. ook als ben. voor elk der sterren van het sterrenbeeld Orion, dat in October verschijnt en één der helderste gesterntes aan den winterhemel is. Mnl. wintersterre.
  WEIL. [1811].
Winterstar ou -ster. étoile, astre d'hiver (qui ne se montre à notre hémisphère qu'en hiver),   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Orion-sterre. Winter-sterre … is den naem van een sterre, die, wanneerse begint te verschijnen, ist groot onweder ende tempeest,   SMYTERS, Epith. P 5 r° [1620].
Sommige van de Sterren of Gesternten hebben naamen in de H. Schriftuur, als Ash, Cesiil, Cimah en Mazzaroth …: welke wy noemen … den Wagen, Orion, Pleiades of Seven-gesternte, Planeeten en teekenen in den Zodiak. Sy mogen wel verduitscht worden Water-sterren, Winter-sterren, Donder-sterren, en diergelyke; want door haar opstaan en invloeijingen, stormen, tempeesten, schoon en lieflijk weder voortkomen, door de bestellinge van God,   HUYDECOPER, Pr. 3, 189 [1788].
Winterstevel, winterlaars. Veroud.
Mijn vriend, die van zulk leer Winterstevels had, mogt vry en veylig Oestervisschen: want'er geen water zou doordringen,   GALLITALO, Rabelais 1, 159 [1682].
Winterstilte.
Hem (overviel) een groote, verdrietige moedeloosheid, de wederwerking van 't geruchte op 't dorp en de doodsche winterstilte hier alom,   STIJN STREUVELS, Dagen 187 [1902].
Winterstof, dichte, stevige stof voor winterkleeren.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
Winterstoken.
In den salon speelde Marietje de gamma's, terwijl de wind loeide door den schoorsteen, die na het winterstooken rookte van roet,   COUPERUS, Kl. Z. 2, 7 [1901].
Winterstoof, woonvertrek waarin of waaronder 's winters gestookt kan worden; stoof (2). Sinds lang veroud.
Hyberna. Hybernaculum. Winter stoue. Estúue d'hyuer,   PALUDANUS 1 d [1544].
Winterstoofpeer.
Carmeliter Birne. … Eene tamelijk groote, platte winter-stoofpeer, aan de ééne zijde groen, en aan de overzijde min of meer blozend … Zij is vrij wrang van smaak, en duurt tot laat in het voorjaar,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 248 [1806].
Winterstook.
Winterstook. Voorraad hout of steenkolen voor den Winter,   CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
Winterstoot, plotsche en felle aanval van een ziekte tijdens den winter. Vgl. stoot (I), 3).
Sedert mijn weder opstaan van den laatsten winterstoot, draait my 't hoofd,   BILD., Br. 2, 210 [1820].
Winterstoppel, stoppel van wintergewas.
  WEIDENBACH [1808].
— Nopende de zaeylanden zal ghehouden wesen thenden van den pacht te laeten een derde winterstoppelen, een derde havere ende gheerste stoppelen, ende een derde zwarte stoppelen,   Cost. Vrije v. Brugge 1, 90 [1619].
Winterstorm. Ook in fig. verband.
  WEIDENBACH [1808].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
— 't Geboomte … Wordt door geen hagelbui of winterstorm geplaegt,   ZEEUS, Ged. 140 [c. 1710].
Geen geweld van 's Levens winterstormen Kan ooit de roos van hart en geest misvormen, Waarmeê gij … in al uw luister praalt,   NIEUWLAND, Nag. Ged. 13 (ed. 1797) [1789].
De korte maar hevige winterstorm dreef alzoo voorbij, hoewel dan ook niet zonder … groote schade te hebben aangerigt,   BUYS, Stud. 1, 65 [1866].
Totdat in 't laat saizoen gij, Souverein, zult wijzen Het vonnis dat uw trouw van onze ontrouw wreekt: Als van doods overkust de winterstorm zal rijzen Die onze brooze kracht, gelijk een riet, verbreekt!   GEERTEN GOSSAERT, Experim. 7 [1916].
Winterstormwind.
Wee die zamelt en niet zaait! Zijn graan zal in de schuur verderven; En, als de Winterstormwind waait, Hy zal veracht, verlaten sterven,   BILD. 14, 51 [1824].
Winterstreping, lang houdbare appelvariëteit met gestreepte schil; winterstriepeling. Gewest. in Vl.-België.
Winterstreping. Eene var. van Appel, die gestreept is en lang bewaart. Rambour d'hiver,   PAQUE, Vl. Volksn. [Eksaarde, Zaffelare, 1896].
  LIEV.-COOPM. [1955].
Winterstriepeling. Zie Dl. XVI, 7.
Winterstroo, stroo van wintergewas. Mnl. wijnters stroe [1435] (zie L. DE MAN, Brab. Oork. 741).
De pachter moet, bij zijn afscheiden, in 't hof laten ”200 hoopen wintherstroots, 150 hoopen somerstroots ende 5 loffelijcke voederen hoeys”,   bij LINDEMANS, Landb. 1, 247 [aangeh. woorden 1574].
Op stal kan men het Heermoes voorkomen, door gebruik te maaken van zomer-stroo, tot strooijing onder de mest-kalveren, vermits het Heermoes, met het gewas van het winter-stroo, bovenkomende en opgroeijende, word afgemaaid, en in de schooven mede ingeboscht; terwyl dit van het zomer-stroo niet te vreezen is, om dat de scheuten van het Heermoes in den grond, door ploegen en eggen, afgesneden en belet zyn, te gelyk met het graan opteschieten,   Verh. Maatsch. Landb. 6, 1, 64 [1789].
Winterstrooiing.
Winterstrooijing van Plaester. In al de voorschryvingen … vindt men dezen regel: dat men den plaester moet uitstrooijen in de vroege lente dagen … Alhoewel goede uitslagen deze doenwyze bekroond hebben, schynt men nogtans beter te varen door de peulvruchtvelden, van met het najaer of des winters zelfs te strooijen met deze stoffe,   Akkerbouw 14 Dec. 1851, 1 a.
Winterstroom.
Geweldig als de winterstroomen, Die over land en akker komen, Trok Breêroô met zijn macht vooruit,   V. LENNEP, Poët. 2, 267 [1829].
Winterstuk.
1°. Dat gedeelte van een boek, dat bestemd is voor den winter of (inz.) voor het winterhalfjaar. Bep. in toep. op zekere liturgische werken. Mnl. winterstuc.
Twee brevieren winter … ende somerstuck in pergameen geschreven,   in Mnl. W. 7, 1524 [1524].
Item twe souters, Item drie gradalen, Item een nieu antifenael tot een winterstuck, Item een nieu antifenaelke het somerstick,   in Bijdr. Gesch. Haarlem 9, 216 [1531].
2 brevieren in perchemijne; een winter- ende een somerstuck,   R.G.P. 140, 114 [1533].
2°. Afbeelding van een winterlandschap. In de eerste litt. aanh. mog. spottenderwijze gezegd van een hoogbejaard iemand.
  WEIL. [1811].
Winterstuk, afbeelding van een landschap in den winter,   V. DALE [1872 ].
— ”Ik wilde myne goedaartige jonge Vrouw, zeide ik, niet exponeeren aan de malle vlaagen van een paar oude Huisgodinnen, die mynen Oom byna veertig jaaren lang met eenen yzeren staf geregeerd hebben … Zy kunnen zich nog naauwlyks gewennen, om my met eenige onderscheiding te behandelen.” Ik laat dit nu zo, maar meen deeze winterstukjes voor haar geheel leven wel te bezorgen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 313 [1784].
Bij het kopiëeren van een winterstuk, liet hij, van onlust moe, het potlood, onder eenen zwart gediepten duiker, in den vervrozen watergang steken. De teekening bleef onafgewerkt,   DE VOS, Vl. Jong. 14 [1881].
Wintersuikerei. Zie Dl. XVI, 521.
Wintersuikerpeer. Zie Dl. XVI, 501 en nog de volg. aanh.
Voor weinige jaaren ontmoette ik by een Boomkweeker … in de maand September, een rype smeltende voortreffelyke Peer, in smaak, grootte en couleur den besten Zomer-Suikerpeer verre overtreffende, uit de Zaaden van een Winter-Suikerpeer (die ieder weet, dat genoegzaam smaakeloos en yzer-hard zyn) voortgekomen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 19, 1, 263 [1779].
  KNOOP, App. en P. 36 b [1790].
Wintertabbaard. Mnl. wintertabbaert. Sinds lang veroud.
Endromis … Een dick geuoedert cleet, eenen wintertabbaert,   SERVILIUS, Dict. Trigl. Q 7 r° a [1552].
Wintertabbaert, endromis, gausapina,   PLANT. [1573].
Wintertafelappel.
Reinette non pareille Is een middelmatige groote Appel …; zyn Vleesch is zagt genoeg … en van een fyne geurige verhevene smaak; waarom voor een van de beste Winter-Tafel-Appels geagt moet worden,   KNOOP, App. en P. 12 [1790].
Bellefleur … Een der beste winter-tafelappels … Hij wordt in December en Januarij rijp,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 61 [1805].
Wintertafelpeer. Zoowel ter aanduiding van de vrucht als van den boom.
Parfum d'hiver. Das Winterwunder … eene tamelijk groote en goede Winter-tafelpeer … Het vleesch is zeer smeltend, zoet en geurig. Zij is in November eetbaar en duurt een paar maanden,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 330 [1806].
Doyenné d'hiver, … groot, dikwijls zeer groot. Jan. —Maart, somtijds tot April, vooral als leiboom …, eene der voortreffelijkste winter-tafelperen; men moet de vrucht plukken van 1—15 October,   OTTOLANDER, Ooftb. 138 [1880].
Wintertafereel, beschrijving of afbeelding van een wintergezicht.
  BOMHOFF [1857].
Wintertafereel. Tableau, peinture de l'hiver: description, tableau de l'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Wintertaling, kleine soort wilde eend van het geslacht Querquedula, t.w. de Nettion of Anas crecca, die in onze streken in het voor- en najaar voorkomt; krik. Enkele keeren ook aangetroffen als ben. voor de Anas querquedula.
Anas Querquedula. Winter-Taling,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 58 [1763].
Anas crecca, mas & foemina. La petite Sarcelle. De Wintertaling,   Nat. Verh. Bat. Maatsch. Wet. 2, 1, 2, XX [1803].
De Wintertaling, die Winterkriebe, Winter-Halbente …, Anas querquedula,   WEIDENBACH [1808].
  KUIPERS [1901].
  V. DALE [1914 ].
— Teeling … Dese zijn tweederleij, Somer en Winterteelingen. Den Somerteelingh, voedt en broet hier, en zijn als De Winterteelingh uijtgenomen dat se wat breeder becken hebben, oock wat langer en grooter als d'andere zijn. Den Winterteelingh, voedt noch en broedt hier niet, maer comt uijt Oosten,   Jachtbedr. 46 [1636].
De kleinere soorten van eenden worden talingen genoemd. De beide Europeaansche talingen … zijn de wintertaling (Anas crecca), het mannetje in den zomer met eenen roodbruinen kop en groene streep door en achter de oogen, en de zomertaling (Anas querquedula), met eene witte streep en den kop bruin,   SCHLEGEL, Dierk. 1, 461 [1857].
De wintertaling heeft zestien, de zomertaling slechts veertien staartpennen. De eerstgenoemde blijft hier dikwijls overwinteren; de tweede trekt meestal tegen het koude jaargetijde weg,   BURGERSDIJK, Dieren 2, 491 [1869].
De Wintertaling heet zóó, omdat hij in Nederland van Augustus, totdat de vorst invalt en in Maart en April in ontelbare menigte voorkomt … De Wintertaling bewoont als broedvogel het noorden van beide halfronden,   BREHM-HUIZINGA 2, 610 a [1910].
Wintertarwe, in den herfst gezaaide tarwe. Zie Dl. XVI, 994 en nog de volg. aanh.
Triticum siligineum … Rocken oder weitzen. Winter terwe,   JUNIUS, Nomencl. 124 b [1567].
Winter-terwe. j. rogghe. Siligo. q.d. triticum hybernum,   KIL. [1599].
  V. DALE [1872 ].
— In hetselve jaer bebouwt 14 mergen schoone winterterwe. 2 mergen ditto rogge,   in Oud-Holland 8, 262 [1634].
De wintertarw b.v. kruipt meer (t.w. dan de zomertarwe), stoelt meer uit, en maakt meer een boschje; maar groeit ook langsaamer op,   DE PERPONCHER, Z. Graanb. 49 [1800].
De wintertarwe kwam goed door den winter en leverde dooreengenomen eene zeer goede opbrengst, zoowel wat korrel als stroo betreft,   Versl. Landb. 1915, 3, XII.
Hierbij: wintertarwestroo.
  KUIPERS [1901].
Winterteekens, de teekens van den Dierenriem die de zon gedurende den winter doorloopt; voor het noordelijk halfrond: Steenbok, Waterman en Visschen. In de eerste litt. aanh. inclusief de z.g. herfstteekens.
Winter-Tekenen, zyn de drie Heemelsche Tekenen, in dewelken de Zon den Winter maakt, en gevolglyk by Ons de Steenbok, de Waaterman en de Visschen; in tegendeel in het Zuider-Gedeelte van de Waereld de Kreeft, de Leeuw en de Maagd,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. [1740].
  WEIDENBACH [1808].
  C. DE JONG, Handwdb. [1869].
  V. DALE [1872 ].
— De Zomer-tekens zyn die zes, welke de bovenste helft der Ecliptica uitmaaken …, te weeten de Ram, de Stier, de Tweelingen, de Kreeft, de Leeuw en de Maagd; want de Zon in dezelven zynde, is het by ons Zomer. De andere zes, die de onderste helft van de Ecliptica uitmaaken, worden Winter-tekens genoemd, om dezelfde reden,   Oefenschoole K. en W. 1, 229 [1763].
De Zon, die zich des voorjaars in het teeken van den Ram bevindt en er eene maand vertoeft, doorloopt schijnbaar telkens in dien tijd éen der volgende teekens, zoodat de eerste 3 lenteteekens, de volgende 3 zomerteekens, de hierop volgende 3 herfstteekens en de laatste 3 winterteekens worden genoemd,   WINKLER PRINS, Encyclop. 601 b [1884].
Winterteelt.
1°. (Vissch.) Vischvangst tijdens den winter. Zie Dl. XVI, 1191 en nog de volg. aanh.
Ende ten aensien van den versschen Haring, item den gestoorden ofte vernachten Haring, zal den last als voor desen gefixeert wesen ten advenante van acht-en-twintig Buts, ende het Last-gelt voor den Winter-theelt (le Lastgelt pour la Pêche d'Hiver) zal moeten betaelt wesen aen die van de Equipagie jegens den lesten December van elcken jaere ende niet laeter,   Vl. Placcaertb. 6, 1313 [1770].
Bij voorspoedige visscherij behoort het geenszins tot de zeldzaamheden, dat schepen ter verschvaart 12 tot 13 duizend gulden visch ter markt brengen, gedurende een winterteelt,   HOOGENDIJK, Grootvissch. 229 [1893].
2°. (Landb.) Teelt, waarbij het gewas vóór den winter gezaaid, geplant of gepoot wordt.
Winterteelt der Erwten … De erwten in November geplant, in de zuidwest rigting staen sedert tien dagen in vollen bloei, en zonder twyfel zullen zy met eenige dagen vruchten opleveren,   Akkerbouw 27 April 1851, 3 a.
Volgens het Journal d'Agric. Prat. … begint zich de winterteelt der aardappelen in Frankrijk en België meer en meer uit te breiden,   Vriend Landm. 19, 121 [1855].
Winterteen, aandoening van den teen waarbij ten gevolge van de winterkou een pijnlijke zwelling optreedt. Inz. in het mv.
Wintergezwellen, Winterhanden, Winterhielen, Winterteenen, Wintervoeten … Deze gezwellen, ook kortweg Winters geheeten, doen voornamelijk de vingers der handen, de teenen en den hiel aan,   RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven [1866].
— 't Eischt van mij een dubble kracht. Steeds mijn kamers in het honderd …; Manlief, altijd erg verwonderd; Als hij 't beursje trekken moet. Kinderziekten, kinderrampen, Buil in 't hoofd of winterteen,   V. ZEGGELEN 6, 55 [1853].
Wintertemperatuur.
Wintertemperatuur, temperatuur van het winterseizoen,   KOENEN [1911 ].
— Indien men de gemiddelde temperatuur der plaatsen in de verschillende maanden in verband beschouwt tot hare ligging of geographische breedte, dan valt het spoedig in het oog, dat sommige, in verhouding tot de breedte, eene zachte wintertemperatuur hebben, en koele zomers,   KRECKE, Klimaat 1, 91 [1863].
Wintertering, datgene, m.n. geld of voedsel, waarmee men tijdens den winter in zijn levensonderhoud voorziet; winterprovisie. Fig. in de verb. er een wintertering uithalen e.d., er een aardig sommetje aan verdienen. Zie ook nog Dl. XVI, 1576.
Wintertering, teerkost voor den winter, doch enkel gemeenz. in: Er eene wintertering uit halen, er een aardig sommetje aan verdienen,   BOMHOFF [1857].
Wintertering, wintervoorraad,   V. DALE [1872 ].
— Ons volck … hielden haer in heur garnisoen, vande welcken eenigen merckelijcke foelen deden in tlant te Padelboorn, … omdat haer gagie soe cleyn is dat sij daerop quaelijcken heencommen konnen ende daeromme alle jaers haer winterteeringe aldaer haelen moeten,   DUYCK, Journ. 1, 308 [1593].
Men mach de minne in de billijckheden noemen Een eeuwich yveraar, dat ons … onderhout en voet, Inde beslooten vorst van ons beknelt ghemoet, Want sy, op voorraat, baart veel lieve winter-tering,   BREDERO 2, 271 [161.].
Zo die voorschreeven brief oit te voorschijn komt (t.w. in druk), zal hy 'er wel een winterteering uithaalen,   ELIAS MICHIELSZ in Br. a. Huydecoper 65 [1738].
Hardrijders (op de schaats) van den tweeden of derden rang … vinden … overvloedig gelegenheid om kleine (prijzen) van f 30. — f 40. — of f 50,— op te halen en zoo eene goede wintertering te bekomen,   E. Haard 1880, 47 a.
Het schoolverzuim is vooral vrij aanzienlijk in de maanden September, October en half November. Dan moeten de aardappelen … gerooid worden … De landbouwer komt dan handen te kort om de aardappelen uit den grond te krijgen; hij moet dan met geheel zijn huisgezin eene voldoende wintertering zien te verdienen,   Onderz. Landb. 1886, 17, 2 [1890].
De aardappelen voor de wintertering verkrijgen zij (de arbeiders) van de landbouwers tegen fabrieksprijs,   17, 24 [1890].
Wintertij, (litt.) winterseizoen, winter.
Het derde wintertij had sinds den herfst verjaagd,   STARING 2, 74 [1827].
Uit den doodslaep opgestegen, Die haer boeide in 't winterty, Lacht natuer weêr 't menschdom tegen,   LEDEGANCK 28 [1836].
God behoê den levenswagen Die, by 't kille wintertij, 's Nachts nog langs den weg moet jagen!   HOFDIJK, Verspr. Ged. 1, 160 [1859].
Wintertijd (zie ald.).
Wintertocht.
1°. Reis, tocht in den winter.
Dat ick becommert soude sijn … in d'aenstaende wintertocht, daerin soo veel inconvenienten connen voorvallen, sonder deselvige (t.w. zekere beschikking van de Staten) in zee te gaen,   TROMP in Bijdr. Vad. Gesch. en Oudheidk. 6, 3, 68 [1652].
Dat het op wintertochten meermalen gebeuren kan, dat van den een of ander van het scheepsvolk eenig lidt bevroren raakt,   DU HAMEL DU MONCEAU, Baak Gezondh. 180 [vert. 1760].
Er ligt sneeuw en het vriest … Altijd melancholiek, zoo'n wintertocht naar een doodsch stadje,   V. EEDEN, Dagb. 3, 101 [1897].
2°. Het waaien van den wind in den winter. W.g.
Buiten vóor het venster zwemelde een afgesneden einde koord in den wind en de sneeuw mijzelde traag en fijn gezapig scheuns gedreven door den wintertocht,   STIJN STREUVELS, Dagen 35 [1902].
Wintertochtvogel, trekvogel die in onze streken overwintert.
Buijten 't Vliegende Wildt … is daer noch drij-derleij gevogelt. Als voor eerst de Vogelen van 't Landt, die hier … den somer en Winter meest blijven. Ten tweeden de Somer-tocht-vogelen die daer meest voeden ende broeden maer des winters vertrecken weer … Ende ten derden de Wintertocht-vogelen, die hier niet en voeden noch broeden,   Jachtbedr. 30 [1636].
Sekere soorten (van meeuwen) broeden en voeden hier inde veenen, en die blijven hier een gants jaer over, andere die comen in October en keeren in April, dan die zijn onder de wintertochtvogels gereeckent,   51 [1636].
Wintertoestand, wijze van zijn, situatie, zooals die tijdens de wintermaanden is.
Over het algemeen is het weder in November van dien aard, dat men rekenen kan dat de wintertoestand der bijen in die maand begint. Zij trekken zich meer en meer te zamen, en blijven in volkomen rust, zoodat men enz.,   DIRKS, Bijenh. 239 [1861].
In de wintermaanden treft men de hoogste luchtdrukkingen aan boven Oost-Europa en Azië, de laagste ten Noordwesten van Europa boven den Oceaan. Tegen het voorjaar wordt het verschil hoe langer hoe geringer en in de lente is de verdeeling van luchtdrukking zeer gelijkmatig geworden. De luchtdrukking boven West-Europa neemt nog toe, zoodat in den zomer de hoogste barometerstanden aldaar worden aangetroffen, terwijl boven Midden-Azië een gebied van lage luchtdrukking ligt. Daarna treedt weer geleidelijk de wintertoestand in,   Alb. d. Nat. 1899, 1, 368 [1899].
Wintertoeval, gebeurtenis, verschijnsel, typisch voor den winter.
Hier te Lande eindigt de zaaitijd met St. Maarten, zijnde 11 of 2 November; laatende verder het zaad aan de Aarde, en de bijkoomende Wintertoevallen van Regen, Hagel, Sneeuw, Vrost, en andere onheilen over,   Kab. v. Kooph. 1, 56 [1786].
Wintertoilet.
Mevrouw Van Doornebeeck, die in een uitgelezen wintertoilet een bezoek kwam afleggen,   TEN BRINK, Rom. 5, 105 [1873].
Ze gevoelde zich nog zeer opgeruimd in haar elegant, met bruin bont omzoomd, wintertoilet,   COUPERUS, E. Vere 1, 51 [1889].
Winterton, winterbakenton. Vgl. ook winterbetonning.
Hij (de tonnenlegger) (zal) met het najaar de zomerbetonning … met wintertonnen verwisselen, uit een contract   [1910].
Wintertoog, toog, soutane die tijdens den winter gedragen wordt.
Zij vernam de stem van den onderpastoor, die … met zijnen steek op en zijn waaienden wintertoog aan, voorbijkwam,   LOVELING, Sophie 259 [1885].
Wintertooi.
Wintertooi. Parures, ornements d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Wintertooi, tooi voor of van den winter,   KUIPERS [1901].
  KOENEN [1903 ].
— Weêr komt versleten wintertooi De jaconnats vervangen … Thands spreken bosch noch beemd noch veld Van zoete minnarijtjens: Geen kastelein verdient er geld Aan buitenfeestpartijtjens,   V. LENNEP, Poët. 7, 229 [1856].
Het bosch was in den wintertooi van ijzel en sneeuw,   KOENEN [1903].
Wintertoon, winterteen.
Ik … sprak, ô grooten Held! wat is van uw begeeren? Dat zal ik u zeggen sprak dat lompe plompe beest, Ik heb vier Kakhielen, twintig Winter-toonen, die wil ik dat gy geneest,   ROSSEAU, Zing. Matr. 15 [1735].
Wintertooneel.
De sneeuw is nog weinig. Hoe liefelijk rust dat weinige op de immergroene dennetoppen! … En het verre verschiet, hoe duidelijk is het; hoe scherp teekent zich dat rieten dak tegen een azuren hemel! … Maar daar is iets, dat voor mijn gemoed al de schoonheid van dit wintertooneel bederft … Het is — het ijs!   BEETS, C.O. 279 [1838].
Wintertournee.
Op de winter-tournées, zullen de kommanderende luitenants orders geven tot het doen van menigvuldige patrouilles ten platten lande, ten einde op landloopers en kwaadwilligen een wakend oog te houden,   Bijv. Stbl. 1815, 726.
Wintertrek, van vogels of andere dieren: het trekken (51, b) in den winter. In de litt. aanh. in de verb. ergens op wintertrek zijn, ergens 's winters blijven.
  V. DALE [1898 ].
Wintertrek. Passage d'hiver,   GALLAS [1911].
— Die vogels zijn op den wintertrek hier, gedurende den winter vertoeven die trekvogels hier,   V. DALE [1898].
Wintertruffel, truffel die vooral in den winter rijpt.
Tuber brumalewintertruffel,   GERTH V. WIJK, Plantnames 1364 b [1911].
— De graauwe Italiaansche (ook Tuber albus), die hooger geschat wordt dan de gewone bruin-zwarte. Van deze onderscheidt men twee variëteiten, de zomer- en winter-truffel; waarvan de eerste vroeger rijp is dan de laatste,   Vriend Landm. 26, 508 [1862].
Tulasne heeft … aangetoond, dat het geslacht Tuber of Truffel 21 verschillende soorten bevat … Twee daarvan rijpen in den herfst en worden tegen het begin van den winter ingezameld. Dat zijn de eigentlijk gezegde zwarte en de winter-truffels,   Alb. d. Nat. 1863, 1, 285 [1863].
Wintertuin.
1°. Kunstmatige tuin, aangelegd in een kas of serre, waarin men ook 's winters bloemen en planten kan houden; oranjerie. Ook wel als coll. ben. voor de gewassen, die gedurende den winter in bloeienden staat gehouden worden.
Wintertuin noemt men in het algemeen de gewassen, die in broeikassen, of ook in gewone huisvertrekken, gedurende den winter in bloeijenden staat gehouden worden; maar meer bijzonder wordt de naam van Wintertuin aan tuinen gegeven, die groote orangeriën bevatten, welke op de wijs van een koffijhuis ingerigt zijn, zoodat aldaar gezelschappen des winters te midden van het groen bijeen kunnen komen,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  V. DALE [1872 ].
Wintertuin noemt men eene groote warme kas of serre, geheel of grootendeels van glas, of eene groote, verlichte zaal, door fraaije gewassen in een tuin herschapen,   WINKLER PRINS, Encyclop. [1881].
— Bij de verlichtingen der overdekte wintertuinen, … bij de velerlei andere verlustigingen … werd een rijkdom ten toon gespreid, bij welks pracht en schittering al wat de Prins tot heden gezien had klein en mat werd voor zijne verbeelding,   BOSSCHA, Lev. v. W. II 356 [1852].
Wintertuinen en zomertheaters, — de saizoenen worden omgekeerd,   TER GOUW, Volksverm. 90 [1871].
De vestibule, de eetkamer, de beide salons en de serre geleken bevallige wintertuinen, daar kunstige palmgroepen zich in de hoeken als pyramiden van groen verhieven, terwijl de roze en witte bloesems der volbloeide azalea's daartusschen hare groote, ronde bouquetten opbeurden,   COUPERUS, E. Vere 2, 223 [1889].
Krasnapolsky te A'dam heeft een fraaien wintertuin,   KOENEN [1920].
2°. Tuin met winterplanten. In de litt. aanh. in fig. verband, in toep. op een met ijsbloemen getooide vensterruit.
Wintertuin …, jardin de plantes hivernales ou brumales,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— O, 't was een mooie flora, het witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten,   V. LOOY, Proza 228 [1889].
3°. Tuin gedurende den winter.
Wintertuin. Jardin hivernal,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  HEREMANS [1869].
Winterturf. Alleen aangetroffen in fig. gebr., als titel van een religieus-didactisch tractaat.
Winterui.
1°. Ui die 's winters bewaard kan worden; ui als winterprovisie.
Winteruijen. Ajuin die 's winters duuren kan,   HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
2°. Ndl. ben. voor Allium fistulosum L., een ui die in den laten zomer of in het najaar gezaaid wordt, 's winters te velde blijft staan en pas den volgenden zomer geoogst wordt.
  V. DALE [1898 ].
Winteruitspanning, wintervermaak.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1898 ].
— De lust om van deze winteruitspanning gebruik te maken, schijnt in de laatste tijden veel verminderd; wij herinneren ons ten minste niet in de laatste jaren zulke lange schakels van narresleden gezien te hebben als in onze jeugd,   E. Haard 1880, 40 a.
Winteruniform.
Winter-uniform. [Mil. ] Tenue d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
Winteruur.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— De blonde Nanny … baarde, in 't aaklig winteruur, Een knaapjen in den runderstal,   TOLLENS 4, 139 [1820].
Heel die maand is 't weêr te schuwen, mensch en dieren tot verdriet. Geef uw ossen 't halve voêr dan. 't Winteruur verlengt hun rust,   D.J. V. LENNEP 254 [1823].
Wintervaalte.
De wind was de west en zoel van zomer als een zeil zwol mijn hart onder zijn hand en de wei groende op onder den nieuw-komer die winter-vaalte wegstreek van 't land,   ROL. HOLST-V.D. SCHALK, N. Geb. 28 [1905].
Wintervaart, wintervisscherij.
Eindelyk verneemt men hier (te Vlaardingen) in den winter veele Rheumatismi en Arthritides vagæ: waar toe de winter-vaart gelegenheid verschaft, uit hoofde dat veelen zich des nachts officii causa aan koude en vogtige lucht moeten bloot stellen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 194 [1778].
Het is … een eigenaardig verschijnsel, dat, toen in de steden aan de Maas de wintervaart begon te kwijnen door de geringe aanbrengsten van gezouten kabeljauw …, men er niet op bedacht was de bakens te verzetten,   HOOGENDIJK, Grootvissch. 159 [1893].
Ik (wil) beginnen met de wintervaart, welke een aanvang neemt, nadat de vloot van de haringvisscherij is teruggekeerd,   194 [1893].
Wintervacantie.
De vacantiën zullen zijn vier in 't jaar; eene winter-vacantie, beginnende den laatsten zaturdag vóór kersmis, eene vacantie, beginnende eene week vóór paasschen enz.,   Wetb. Regtspl. Kon. Holl., a. 202 [1809].
De Kamer scheen dezelfde gedachte te willen uitdrukken, toen zij den 11den December op voorstel van den Heer Heemskerk besloot het wetsontwerp nog vóór de wintervacantie in de afdeelingen te onderzoeken,   BUYS, Stud. 1, 526 [1873].
Wintervacht, vacht zooals sommige dieren die in den winter hebben.
Die Ingelsche dagelicx doen groot bedroch in 't upsetten van hoerluys vellen, nommende contergarynge, 't welck is alle sorte van vachten onder malcander settende, winters-, vastelavonts- ende somersvachten, fijn ende grof, langhe ende cort, groot ende cleyn, ende dit om die Hollanders ooghe te verduysteren, opdat zy nyet lichtelick die estimatie van der waerde souden connen weten,   R.G.P. 86, 603 [1545].
Wintervarken.
1°. Varken dat men den winter overhoudt, om het het volgende jaar vet te mesten.
Een, in Augustus of September geboren big, bestemd om in het volgende jaar vetgemest te worden, heet gedurende het wintersaisoen wintervarken,   Landb.-Cour. 17, 223 c [1863].
  V. DALE [1872 ].
— Hy … deed 34 wintervarkens hun intrek daar in (in het varkenshok) neemen. Deeze varkens liepen den geheelen winter door met de kippen op het land,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 2, 171 [1781].
Een nevenschuurtje …, waar het wintervarken … een behagelijk geknor doet hooren,   V. DUINEN, Ons Dorp 255 [1846].
Biggen van 6 weken f 6, wintervarkens f 15 à 17, vette varkens 50 cents per pond schoon,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1861, 79.
2°. (W.-Friesl.) Scheldnaam voor iem. die veel rauw of onrijp fruit eet.
  DE VRIES, Westfri. Woorden [1909].
  KARSTEN [1934].
  PANNEKEET, Mooi zoid [1971].
— Kind, je moet die groene knar (harde, nog onrijpe appel of peer) niet opeten. Jullie zijn net van die wintervarkens, van die groenkauwers, die rijp en onrijp naar binnen werken,   LANGEDIJK, Hé, is dat Westfries? 58 [1971].
Wintervastheid (van een in ons materiaal niet vóór 1921 aangetroffen wintervast), het bestand zijn tegen de winterkou, m.n. tegen de vorst; winterhardheid. Gezegd m. betr. t. landbouwgewas.
Dat bladen met minder breedte en geringer oppervlakte eene aanduiding zijn voor grooter wintervastheid,   Versl. Landb. 1910, 1, 124.
In Drenthe was in 1910 een variëteitsproefveld met wintertarwe op ouden dalgrond te Nieuw-Buinen … Aangezien de winter van 1909 op 1910 zich onderscheidde door bijna totale afwezigheid van vorst, verviel de beproeving op wintervastheid van de verschillende variëteiten,   1914, 3, 91.
Wintervegetatie.
Tusschen de keerkringen zaait men de tarwe en andere noordelijke granen in den wintertijd en meestal op die landen, waarop in de heete zomermaanden de tropische planten worden gekweekt, zoo in de nabijheid van Canton … waar de winter-vegetatie een Europeesch karakter vertoont,   Alb. d. Nat. 1899, 1, 50 [1899].
Wintervel, wintervacht.
Ende begeren voirt … dat men alle soorten van vellen up hemselven sette, alse Lonnen-somervel ende Londen-wintervel elcx up hemselven, sonder enige bakons te maken, want onse coopluyden de vellen ontdect begeren te zien,   R.G.P. 14, 236 [1504].
Voirt soe sullen alle vellen staen up een prijs, dairboven dat men se niet en sal mogen copen … Ende als van de contregaringe, die sal staen te weeten de sommervellen up horen prijs, de wintervellen up horen prijs,   14, 252 [1506].
Men (dient) te weten het onderscheidt der vagten, welke na de proportie van de deugt van de woll in 't algemeen verdeelt werden in twee soorten, namentlijk in: 1e. inlandsche, zo zomer- als wintervellen; begrijpen alle vagten, vallende in Zuyd- en Noord-Hollandt …; 2e. in gojers of kleyvellen, dat sijn van schapen, lopende in Utrecht enz.,   49, 650 [1737].
Winterveld.
  WEIDENBACH [1808].
— Dan zal het … aan een spitten en ploegen gaan, voor zooveel het winterveld betreft, want het zomerveld heeft geen haast, en de velden, voor braakland bestemd … hebben rust. Zomer- en winterveld worden dan tevens omtuind,   HOFDIJK, Voorgesl. 1, 243 [1859].
Hij liep daar op goed geluk voort lijk verloren in een dood winterveld,   STIJN STREUVELS, Dagen 22 [1902].
Winterveldgewas.
De winterveldgewassen vertoonen zich … overal ongunstig en mager,   Alg. Handelsbl. 19 Mei 1830, 1 b.
Winterveldtocht.
Winterveldtogt. [Mil. ] Campagne d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Winterveldtogt. Een veldtogt in den winter, eene zeldzame verschijning als de oorlogzuchtige spanning en de staatkundige belangen, die in het spel zijn, slechts gering zijn, dien ten gevolge overal waar het slechts om de belangen der vorsten te doen was,   LANDOLT [1862].
  KUIPERS [1901].
— De winterveldtogt, die aanstonds een aanvang nam, drukte den zegel op al het voorgaande,   V. HOGENDORP, Gedenkschr. 5, 41 [1817-'20].
De slotsom van hetgeen de winterveldtocht van 1672 ons te leeren geeft, is dus deze: dat het toen, bij strenge en aanhoudende vorst, mogelijk is geweest maatregelen te nemen, ten gevolge waarvan een stoute en ondernemende vijand is verhinderd geworden ondernemingen op groote schaal tegen het hart des lands uit te voeren,   Gids 1875, 2, 308.
De bondgenooten moeten … besloten hebben tot een winterveldtocht tegen Duitsche steden,   Avia 7, 95 b [1917].
Wintervenster, voorraam.
Wintervenster. Contre-châssis,   V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
  HEREMANS [1869].
Wintervensterdouble window, winter-windowWinterfenster,   TEN BOSCH, Viert. Techn. Wdb. [1911].
Winterverbeelding, (schild.) wintertafereel of -landschap.
De winterverbeeldingen werden doorgaans, ten opzichte van de koleur, onnatuurlyk vertoond,   DE LAIRESSE, Schilderb. 1, 279 [ed. 1712].
Winterverblijf.
1°. Plaats, woning waar men tijdens den winter verblijft. Ook gezegd m. betr. t. dieren.
Winterverblijf, lieu qu'on habite en hiver,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. DALE [1872 ].
— Rusten wy eens onder het rieten dak van een hoogen Hooiberg, dan zal het kryschende Zwaluwtje … ons doen denken, aan deszelfs tot nog toe twyffelagtige winterverblyf,   BERKHEY, N.H. 3, 13 [1772].
Al de huizen stonden ledig, de bewoners hielden zich nog op hunne winterverblijven in de Karroo op,   in GODÉE MOLSB., Reizen in Z.-A. 2, 258 [1815].
Het huis was hecht, sterk en weldoortimmerd, van alle gemakken voorzien, en even goed tot winter- als tot zomerverblijf geschikt,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 344 [1865].
Tegen den herfst bond hij het vogeltje (een zwaluw) onder een der vleugels een briefje, … waarin de afzender den wensch te kennen gaf het winterverblijf van den zwaluw te mogen weten,   E. Haard 1885, Bijbl. 26 d.
2°. Verblijf gedurende den winter.
Winterverblijf, séjourd'hiver,   V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Hy lette … in de lente op den groei der eene en andere kudde. De meerdere tier en spoediger aanwas der laastgenoemden kan hem overtuigen, dat, geduurende het winterverblyf, iets hebbe plaats gehad, het geen hun de voorkeur geeft,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 1, 85 [1780].
Dit zijn de gissingen … om het ware oord, waar onze trekvogels hun winterverblijf houden, te bepalen,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 2, 291 [1828].
Gedurende de lange winternachten vinden de feesten en ceremoniën plaats, waarvan slechts een winterverblijf onder deze Indianen een juist denkbeeld kan geven,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 201 [1903].
Winterverblijfplaats.
Dewijl er niets naders omtrent hunne winterverblijfplaats (t.w. die van de steenzwaluwen) bekend is, moeten wij vermoeden, dat zij in dezelfde streken, waar de gemeene zwaluwen overwinteren, ook hunne periodieke woonplaats vestigen,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 16, 2, 241 [1828].
Winterveredeling, veredeling die in den winter uitgevoerd wordt.
Door de inkrimping, welke bij de culturen van siergewassen heeft plaats gevonden, is het gebruik der klokken thans zeer sterk afgenomen … Zij worden thans voornamelijk gebruikt voor de winterveredeling van rozen,   Versl. Landb. 1921, 5, 36.
Wintervergadering.
  BOMHOFF [1857].
Wintervergadering. Assemblée, réunion d'hiver, qui se fait pendant l'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1884 ].
— Op de herhaalde Propositie … is eyndelyk vastgesteld, ”om voortaan de Winter Vergadering af te schaffen, en zig alleen te bepalen aan de Zomer Groote Loge; ten ware 'er zaken van gewigt in der tyd voorvielen, dewelke eene Winter Vergadering noodzakelyk maakte”,   Pligten Vrye Metz. 92 [1773].
De Staten … (besloten) in hunne wintervergadering van 1856 zich tot den Minister van Binnenlandsche zaken te wenden,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1861, 8.
Belangrijke vraagpunten worden in de maandelijks te houden wintervergaderingen behandeld,   Onderz. Landb. 1886, 19, 16 [1890].
Winterverjuis, verjuis (d.i. het zure sap van druiven) in het najaar of den winter aangemaakt en inz. gebruikt als ingrediënt in bep. sausen of gerechten. Sinds lang veroud.
Wantmen in veel sausen … om goeden smaeck te maken vele besiget azijn ende verjuys, so ist van noode dat die ghene die coken wil, dese hebbe. Daerom oft hi dye selve maken wilde ende bisonder den verjuys als somerverjuys ende winterverjuys, so heb ick ooc die maniere geset dwelcmen vinden sal int laeste,   VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 110 [1560].
Om groen verjuys te maken tsomers. Neemt de tweedeel sulckerbladeren enz. Om winterverjuys te maken. Neemt verschen most van onrijpen druyven, ende doet daer in geroost sout, so matelic dat daer na niet en smake, ende dan doeter in een deel onrijpe mispelen,   229 [1560].
 Koockb. 124 [1599].
Winterverkoudheid.
't Is een algemeen verspreid gevoelen, dat de zomerverkoudheden gevaarlijker en langduriger zijn dan de winterverkoudheden,   RIJNHART, Wdb. Prakt. Leven 1158 a [1866].
Wintervermaak.
Wintervreugd, wintervermaak …, plaisir qu'on se procure en hiver (sur la glace etc.),   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Wintervermaak. Plaisir, ou divertissement d'hiver,   OLINGER [1822].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
Wintervermakelijkheid. In de aanh. steeds in het mv.
Wintervermaaklijkheden. Amusemens de l'hiver,   MARIN [1793].
— Wy neemen weinig deel in de Wintervermaaklykheden des omliggenden Adels,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 209 [1785].
Als gij wat spoedig komt, zult gij alle de wintervermakelijkheden hier nog in volle kracht vinden, en ik geloof, dat Parijs u beter bij den winter, dan in den zomer bevallen zal,   LOOSJES, Bronkh. 2, 291 [1806].
Wintervertrek, plaats, kamer waar men tijdens den winter woont of verblijft.
Wintervertrek, of woonplaats. HibernaHibernaculum,   HANNOT-V. HOOGSTR. [1704 ].
Wintervertrek. Appartement, chambre d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 1914].
— Vitruvius spreekt … van vloeren, dewelke de Grieken bouwden in haar winter-vertrekken, die nooit koud wierden,   V. RANOUW, Kab. 2, 35 [1719].
Ik ben Ued. nog mijnen dank schuldig voor de ontvangen afteekening der duinwoning, die zeer juist en nauwkeurig is. Het wintervertrek zou ik beter keuren bij de stal om dan het vee te kunnen waarnemen, terwijl het zomervertrek kon zijn waar men nu 's winters huist,   in HEKKER en V.D. POEL, Ned. Boerderij 24 [1811].
Het voorhuis met buitendeur heeft … plaats gemaakt voor een ”Kelder Camer”, die … van uit het achtergelegen ”Winter Vertrek” (met ”Schoor steen” en ”bedsteede”) kan worden bereikt,   als voren 39 [aangeh. woorden 1811].
Wintervest.
  BOMHOFF [1857].
Wintervest. Gilet d'hiver,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
— Tot een wintervest en winterbroek zullen wij Uw het goed met het vorige goed zenden,   F.W. THORBECKE in Thorbecke-arch. 1, 194 [1817].
Wintervijg.
1°. Overwinterende en in het voorjaar rijpende vijg.
In een zacht klimaat als bij de zee van Galiléa kan men tien maanden van het jaar vijgen plukken … Het jonge hout van het voorjaar droeg reeds in Augustus zomervijgen … Maar wanneer de rusttijd intrad en de boom zijn bladeren verloor, bleven er nog groene onrijpe vijgen over, die de voorjaarswerking afwachtten om geheel rijp te worden en dan af te vallen. Deze … voorjaarsvijgen heetten ”fag” aan welk woord het plaatsje Bethfage … zijn naam ontleende,   Stemmen d. Tijds 4, 1, 302 [1915].
2°. Wintervijgepeer.
Wintervijg. Is wel een lekkere peer, doch is elk jaar gevlekt, heeft veel last van schurft en voldoet hier niet. Zomervijg. Brengt per H.L. een hoogen prijs op,   Versl. Landb. 1918, 1, 144.
Wintervijgepeer, vijgepeer die den winter door goed blijft.
Bezy van Schonaue, matig groot, 1 rang voor het dessert, Dec., milddragend …; in de Betuwe bekend als Winter-vijgenpeer en Oude wijvenpeer,   OTTOLANDER, Ooftb. 140 [1880].
Peervariëteiten, welke ik verder in de Betuwe aantrof, zijn: Kulpeer, Kruidenierspeer, …, Wintervijgepeer,   Versl. Landb. 1918, 1, 98.
Wintervinger, vinger die door de kou gezwollen of opengegaan is.
O! zei Cato, terwijl ze den arm langs het lijf liet zakken, de gele zeemelap tusschen de roode wintervingers,   COENEN, Zwakke 45 [1896].
Wintervink. Gewest. in Vl.-België.
Wintervink(e). Slagvink, pinson commun, fringilla cœlebs … Het wintervinksken is een kleen zaadetend wintervogeltje, gelijkende aan eene distelvink voor bek en pluimagie, doch zoo helder niet van kleuren; het hangt veel aan de takken, bez. van elzenhout, waarvan het de zaadbotten uitpikt,   DE BO [1873].
Winterviolier (zie ald.).
Wintervisch, visch die in het winterseizoen gevangen wordt.
Dat … by den Visschers altijt gepleeght is gheweest Visschen te vangen inder Zee … met Netten hebbende maeschen so nauwe, als die nu sijn, so wel vande somer Netten, daer mede de Ael ghevanghen wort, als vander winter Netten daer mede Posch, Vooren, Spieringh ende ander Winter Visch ghevanghen wort,   Handv. v. Amst. 20 b [1547].
Wintervischvangst.
De wintervischvangst op het ijs … is zoo belangwekkend, en maakt een zoo gewigtig deel uit van het leven der Uralsche Kozakken, dat wij enz.,   Boek d. Uitv. 3, 82 [1867].
Wintervisscherij, visscherij die uitsluitend in het winterseizoen uitgeoefend wordt.
De Kozakken (merken), zoodra de rivier begint toe te vriezen, de plaatsen op, waar de visch naar boven komt om te spelen, of zij gaan, zoodra de rivier … toegevroren is, op het … doorzigtige ijs liggen … en kunnen de groote visschen rustig op den grond zien liggen. Van deze aanwijzingen trachten zij dan bij de algemeene wintervisscherij gebruik te maken,   Boek d. Uitv. 3, 83 [1867].
De wintervisscherij, die … onderverdeeld is in: a. de beugvaart te zoute … b. de beugvaart te versche … c. de schrobnet of trawlvisscherij,   HOOGENDIJK, Grootvissch. 152 [1893].
Wintervitse(n), vóór den winter gezaaide voederwikke.
Uytgenomen de wintervitsen ende somervitsen die welcke de pachtere groen met sijnen peerden vervoyeren ende verdoen sal,   bij LINDEMANS, Landb. 1, 425 [1568].
Op het deel gronds, dat er het laetste gezaed was, mengde hy (een landbouwer) een deel wintervitsen by de Rogge,   Akkerbouw 9 Sept. 1849, 3 b.
Wintervlaag.
Winter-vlaag, winter onweer. Frimats, bourrasques d'hiver,   MARIN [1701 ].
Wintervlaag, bui, slecht weder in den winter,   V. DALE [1872 ].
— Sietmen niet nu Winters-vlagen, End' dan weer schoon somers-dagen?   V.D. MYL, Slach v. Lep. E 2 r° [1593].
De Helden, van uw' rug (t.w. die van het IJ) den aerdkloot omgedraegen, Door barreningen en onstuime wintervlagen, Als watergoden, die … De stormen klinken in hun tuchtspelonk aen bant, Zijn eeuwig van uw' moed … getuigen,   ANTONIDES 1, 3 [1671].
Geen' avond, die, geducht door felle wintervlaagen, Den stoutsten stervling zelfs een' doodschrik aan kan jaagen,   V. WINTER, Jaarg. 13 [1769].
't Verheugt mij, in die dagen, als van u (t.w. van een stroodak) de wintervlagen weg zijn,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 369 [1894].
Wintervlas, in het najaar gezaaide, overwinterende vlasvariëteit.
  Boeren-Goudmijn 7, 1, 293 [1861].
Van 't gewone Vlas onderscheidt men vooreerst winter- en zomervlas,   REINDERS, Landb. 2, 264 [1893].
Wintervleesch, gezouten of gerookt vleesch, dienend tot winterprovisie. Reeds mnl.
  WEIL. [1811].
Wintervleesch, gezouten vleesch om 's winters genuttigd te worden,   V. DALE [1872 ].
Wintervlinder, ben. voor bep. vlindervariëteiten die in het najaar (November-December) vliegen. Men onderscheidt o.m. den kleinen of gewonen wintervlinder (Cheimatobia brumata) en den grooten wintervlinder (Hybernia defoliaria). Vgl. ook nog trekmade s.v. TREKKEN, Samenst.
De Wintervlinder. Phalene hyemnale. Der Frostschmetterling,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 14, 317 [1825].
  V. DALE [1872].
Wintervlinder, in den winter vliegende vlinder (cheimatobia brumata) waarvan het vleugellooze wijfje haar eieren op zeer verschillende boomsoorten legt, waaraan de jonge rupsen in het voorjaar groote verwoestingen toebrengen,   [1914 ].
— Sedert eenige jaren worden de boomgaarden … geteisterd door de rups van den zoogenoemden wintervlinder (Phalaena brumata), alhier onder den naam van de trekmade, geducht en gevreesd,   Ber. Geld. Maatsch. Landb. 1846, 341.
In den zomer van 1909 werd een boomgaard van Mr. M. T. te Geldermalsen in sterke mate aangetast door rupsen van den kleinen wintervlinder,   Versl. Landb. 1913, 1, 62.
Wintervloed.
Wintervloed, hooge waterstand 's winters,   V. DALE [1898 ].
Wintervloed. Vloeden die langs de kleine rivieren op ons diluvium voorkomen, doordat die buiten hunne oevers treden bij hooge standen, worden onderscheiden in zomervloeden en wintervloeden. De laatste, die 's winters voorkomen, bereiken in den regel hoogere standen dan de eerste,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907].
— Hier (te Wageningen) zijn twee poorten, … de Bergh-poort, ende … de Noode-poort, aldus geheeten van den Nood-dam … zijnde in verleedene tyden geweesd een kaey ofte soemer-dijk … Tot dat na den hooghen winter-vloed …, waer door binnen Amersfoord eene van de poorten om verre was geloopen en ingestort, deze kay ofte dam in een steeuwigen en breeden dijk is veranderd,   V. SLICHTENHORST, Geld. Gesch. 1, 103 a [1654].
Tegen de hooge vloeden van het IJ … zijn de daar aanpalende laag liggende landerijen, met zeedijken omringd, met uitzondering van die, liggende tusschen Beverwijk en Zandpoort, welke slechts door eene kade, tegen de zomervloeden beveiligd, en door de hooge wintervloeden overstroomd worden,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 94 [1824].
Wintervloot, speciaal voor den winter toegeruste vloot.
Bij aldien acht goede fregatten uijt de respective admiraliteijten wierden gedispecieert, soo om de conquesten van den Staet buiten s'lants te versekeren als om nieuwe, sonderlinge op de Franschen te doen, ende daerdoor de onkosten van de wintervloot tot laste van onse vijanden goet te maecken,   in DE WAARD, Evertsen 83 [1672].
Ick ben nogh niet volkoomen geïnformeert uyt England wat wintervloot sij staet maecken te hebben, maer indien den staet sijn proportie daerin soude dragen, kan ick wel voorsien dat soude pretendeeren dat de scheepen op onse kusten soude moeten overwinteren, soodat ick UEd. in bedencken geeft ofte het niet best was dat de wintervloot van den staet tot beveylinge van haer kusten wiert gebruyckt,   Arch. de la Maison d'Or. 3, 3, 559 [1701].
Wintervocht.
De bekwaamste tyd om te delven is … even voor de Winter, om dat dan de volgende vorst en het wintervogt de Aarde tegen 't Voorjaar vrugtbaarder en muller maakt,   Burger-Thuinb. 12 [1769].
Het (moet) ter diepte van een spade omgespit, en van alle onkruid … gezuiverd worden …, ten einde de wintervogten, in dit lugtiggegraaven land, behoorlijk zouden kunnen intrekken,   Handw. 15, 10 [1798].
Ook op drooge gronden … is de bewerking vóór den winter daarom verkieslijk, dat zij het wintervocht langer behouden,   ENKLAAR, Handb. Landb. 226 [1854].
Wintervochtigheid.
De vorst … maakt de aarde mullig en de intrekkende wintervogtigheid maakt dezelve vrugtbaar,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 4 [c. 1800].
In Maart of April … word de overtollige wintervogtigheid uit de nu mullig geworden aarde door de zon en den wind eerder uitgetrokken,   247 [c. 1800].
Wintervoe(de)r. De vorm wintervoer werd vnl. in de wdb. aangetroffen.
1°. Eten voor dieren, inz. voor het vee, gedurende den winter.
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1872 ].
— Het Wintervoeder, van die gronden (t.w. van waterige weilanden) ingezamelt, (is) schraal en onvoedsaam,   Verh. Maatsch. Landb. 2, 1, 34 [1780].
De vroege vorst in 1805 heeft deze Insecten (t.w. de bijen) verhinderd het benoodigde wintervoeder in te zamelen,   KOPS, Mag. v. Landb. 4, 304 [1807].
Het gewone winter-voeder voor het rund-vee, bestond … uit 2 voer gemestlands en gedeeltelijk aangekocht goed hooi …, benevens zoo veel rogge-, haver- en gersten-stroo …, als de runderbeesten verlangden,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 232 [1859].
In den polder Liederbroek besteedde men …, toen de zandboer een groot deel van het wintervoer buitenaf moest bijkoopen, omdat zijn eigen gronden niet voldoende opleverden, ± fl 70 pacht per H.A.,   Versl. Landb. 1915, 1, 85.
2°. Soort van wintervoeder.
Wy kunnen niet ontkennen dat de raep een zeer goed voeder is voor de hoornbeesten; doch de raep is zoo algemeen geworden, dat de akkerman byna op geen ander wintervoeder zyne oogen slaet,   Akkerbouw 6 Maart 1859, 2 b.
Wanneer men … de gedroogde stengels kookte, dan zouden deze welligt een goed wintervoeder opleveren en ook misschien door het vee gewild worden,   Boeren-Goudmijn 9, 147 [1863].
Wintervoe(de)ring.
1°. Wintervoeder. W.g.
Twintig Runderen, welker Weide … gedeeltelijk in Heide bestaat, zoo als het Hooi voor Wintervoering … nog gedeeltelijk moet worden aangekocht,   KOPS, Mag. v. Landb. 6, 49 [1810].
2°. Het voederen gedurende den winter.
Het (is) zeer heilzaam, om bij het … wintervoeder, mierik en jeneverbessen te mengen, en daarmede … zoo lang aan te houden, als de wintervoedering duurt,   Schatk. v.a. St. 1843, 47.
Terwijl de wintervoedering behalve met hooi en stroo …, 's morgens met een mengsel van kaf, haksel en fijngesneden koolrapen … plaats heeft,   Boeren-Goudmijn 5, 1, 103 [1859].
Wintervoeding.
1°. Wintervoeder.
Ik weeg steeds het voeder, dat verbruikt wordt en houd daarvan dagelijks aanteekening. In de mededeelingen van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw … kan men daarvan aanwijzing vinden, even als van de door den Heer B. verlangde wintervoeding,   Boeren-Goudmijn 3, 1, 178 [1857].
De wintervoeding bestaat uit zoogenaamde sop, d.i. kaf en haksel met raapkoekenwater en soms met meel vermengd,   Onderz. Landb. 1886, 6, 19 [1890].
2°. Het (bij)voeren gedurende den winter.
Men (moet) in slechte tijden — bij vorst, ijzel en in een schraal voorjaar — eenig voedsel beschikbaar stellen (t.w. voor de vogels) … In een enkel geval in 't buitenland konden de goede gevolgen van de wintervoeding voor de in de directe nabijheid gelegen wijngaarden onmiddellijk in het daaropvolgende voorjaar worden geconstateerd,   Vogelcult. (Publ. Dir. Landb. 1914), 15.
Wintervoedsel.
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
— Als dan vallen ook byzonder de … Hæmoptois …, benevens … Diarrhoeæ, als zoo veele bewyzen van de poogingen der natuure voor, om zich te ontlasten van het overtollig bloed en vogten, door het zwaarder wintervoedsel opgezameld, en zich door de eerste warmte uitzettende,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 18, 123 [1778].
Heeft dezelve (t.w. een bijenkolonie) geen' genoegzamen tijd gehad, om zich van wintervoedsel te voorzien …, zoo kan men vóór den winter van een' anderen magazijnkorf … een opzetsel met honig afnemen,   Verh. Maatsch. Landb. 15, 1, 88 [1808].
De hier genoemde bessen zijn slechts de voornaamste soorten, die door de Indianen verzameld worden … Deze bessen worden in de zon gedroogd en voor wintervoedsel bewaard,   Alb. d. Nat. 1903, 1, 197 [1903].
Tengevolge van gebrek aan wintervoedsel kwam het vee vroegtijdig in de weide, waar het volop gras vond,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1912, 11.
Wintervoer, zie -voeder.
Wintervoering, zie -voedering.
Wintervoet, ten gevolge van den door de kou verstoorden bloedsomloop rood verkleurde, jeukende, gezwollen en pijnlijke voet. Inz. in het mv.
  WEIL. [1811].
Wintervoet, engelure à un pied,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Wintervoet, door de koude gezwollen voet,   V. DALE [1872 ].
Oleum Terebinthinæ. Is een Balsem voor alle versche wonden …, sy is ook resolverende in eenige groote contusien, insgelycx die winter-handen ende winter-voeten hebben, wanneer men de deelen daer mede strijkt, en tegens het vuur houd,   VERBRUGGE, Chir. Scheepsk. 15 [1693].
Huismiddel tegens de Winterhanden en Wintervoeten. Neemt Vossen-vet en wryft daar in het najaar en des winters dagelyks uwe handen of voeten mede, dan zal men nooit Winterhanden of Wintervoeten krygen,   Holl. Keukenm., Aanh. 49 [1746].
Zie, buiten staat die jongen weêr Te bibbren van de koû! Wat doen zijn wintervoeten zeer!   TER HAAR, Ged. 3, 217 [1849].
Het was zoo koud dat … de asems tot pegels gestold van de slaapkamerzolder hingen en … vele hadden wintervoeten, konden hun schoenen niet aan en hadden pantoffels gekregen,   V. LOOY, Jaapje 77 [ed. 1917].
Wintervogel, vogel die 's winters nog in onze streken te vinden is; bep. echter: vogel die in onze streken komt overwinteren, wintergast.
Wintervogel. Oiseau d'hiver,   HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
  KOENEN [1920].
— Nu en dan een piepend stemmetje der wintervogeltjes, die op dorre takjes mismoedig huppelen, is alles wat ik hoor!   OVERDORP-POST, Het Land 309 [1788].
De sneeuw, van zyn vonkelend vuer beroofd, was mat en levenloos; reeds waren de trouwste wintervogels voor de naderende avondkoude gevlugt,   CONSC., Gierigaerd 71 [1852].
De kraai is een wintervogel,   KOENEN [1903].
Wintervolk, (bijent.) bijen die men 's winters overhoudt.
  V. DALE [1914 ].
— Een kast met wintervolk,   Ald.
Wintervoor (zie ald.).
Wintervoorraad, een hoeveelheid voedsel, brandstof e.d., bijeengebracht en opgeslagen om in den winter te gebruiken.
  HALMA [1710 ].
  V. DALE [1872 ].
— Het is … verbaazend, in Julij of Augustus, in Petersburg, de onoverzichtbaare hoopen Brandhout te zien, welke … elke eigenaar of huurer voor zijn wintervoorraad gewoon is te koopen,   Kab. v. Mode 2, 69 [1791].
De Honig is eene dikke, kleverige, zoetsmakende stof, welke de Bijen uit de honigbakjes … der bloemen zuigen, en in hunne cellen tot wintervoorraad brengen,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 457 [1831].
De eekhoren … voorziet zich van wintervoorraad, die door hem in spleten of holligheden van oude boomen, in de nabijheid van zijn nest uitgezocht, wordt geborgen,   Onv. Speelmakker 179 [1853].
Het spreekt van zelf, dat men eenen wintervoorraad b.v. van appelen en peren zooveel mogelijk uiteenlegt, hetwelk ook gemakkelijker maakt ze van tijd tot tijd na te zien en de rottende weg te nemen,   Boek d. Uitv. 2, 1, 355 [1865].
De aardappel (is) een product, hetwelk Engeland in staat is zelf in voldoende hoeveelheid voort te brengen om van buitenland althans voor den wintervoorraad onafhankelijk te zijn,   Versl. Landb. 1915, 4, 39.
Wintervorst (I), de winter gesymboliseerd als koning.
  V. GELDEREN [1909].
— Hier (t.w. op Nova Zembla) heeft de wintervorst zijn zetel opgeslagen; Hier is zijn erf, zijn rijk!   TOLLENS 5, 107 [1819].
Al schept, in wrev'len luim, de wintervorst behagen In sneeuw en hageljagt en gure noordsche vlagen …, De wijze schikt zich in zijn lot en is tevreden,   SPANDAW 3, 131 [1837].
Als alles wat niet heengaat of sterft verzinkt in diepen slaap, dan nadert de grijze Wintervorst en spreidt een donzen kleed over de aarde om te behouden wat onder zijn killen adem zou verstijven en sterven,   Pluimgraaf 1, 70 b [1899].
Wintervorst (II), vorst tijdens den winter; wintersch vriesweer.
  V. GELDEREN [1909].
— Hier door zal men voor eerst, het hart der planten dekkende, die bevryden tegens den lente-vorst, die gemeenelyk schaadelyker als de winter-vorst is,   Verh. Maatsch. Landb. 1, 167 [1778].
Wat is mijn tegenwoordige toestand dan 't gevolg van 't gemis des heilzamen invloeds der stijvende wintervorst nu meer dan twee jaren achter een?   BILD., Br. 5, 160 [1826].
Om de planten tegen de wintervorst te beschermen, werden de akkervoren in het begin van December uitgestoken,   Akkerbouw 20 April 1851, 3 a.
Heere-God, de felle wintervorst had weer al de waterzabbering bekorst en bevroren!   STIJN STREUVELS, Dagen 6 [1902].
Wintervracht.
Wintervracht. Vracht die men 's winters betaalt. L'argent que l'on paye l'hiver pour aller en chariot, ou en bateau,   HALMA [1710 ].
  WEIL. [1811].
  V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
Wintervreugd, wintervermaak, winterpret.
  WEIL. [1811].
Wintervreugd, wintervermaak, plaisir qu'on se procure en hiver (sur la glace etc.),   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. DALE [1872 ].
Wintervrucht.
1°. Wintergewas. Reeds mnl.
  V. DALE [1914 ].
— De pickers zullen hebben van elk gemet, besaeyt met wintervruchten, xvj stuyvers,   V. HERMELGHEM, Ned. Hist. 2, 87 [1588].
Sullen alle bezaeyde Gemeten voortaen betalen … van yder ghemet Winter-vruchten, voor het Winter-saysoen eenen schellinck Vlaems,   Gr. Placaetb. 1, 2106 [1637].
In dit jaer is het coren, terwe en alle wintervruchten doet bevroesen,   bij GOOSSENAERTS [1709].
Dat ik gemeenlijk mijne landen bebouw met omtrent ²/ deelen winter en ¹/ deel zomer-vruchten, weinig min of meer, naar de gesteltenis van het saizoen, of dat somwijlen de eene of andere winter-vrucht mislukt, die alsdan door eene zomer-vrucht wordt vervangen,   V. AELBROECK, Landb. 100 [1823].
In landen met niet te strenge winters, zooals Engeland, kunnen de paardeboonen ook als wintervrucht geteeld worden,   REINDERS, Landb. 2, 153 [1893].
2°. Ooft dat in het (late) najaar geplukt wordt en goed in den winter bewaard kan worden, waarbij een dergelijke conserveering soms noodig is om het rijpingsproces te voltooien; winterfruit. Inz. in het mv.
  BINNART-DE WILDE [1719].
Wintervrugten noemt men alle die soorten, waarvan velen ook wel reeds in November eetbaar zijn, maar welken egter tot middel in den winter duren kunnen en haar smaak behouden: maar vooral worden onder deze benaming de zodanigen begrepen, welke niet dan in de eerste maanden van 't volgend jaar volkomen eetbaar worden en tot in 't begin van den zomer duren kunnen,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 1, 433 [1805].
Wintervruchten. Dus noemt men de boomvruchten, of het ooft, dat, den geheelen winter over, kan bewaard en goed gehouden worden,   Ned. Handelsmag. [1843].
  V. DALE [1872 ].
— De Fortuin loopt haar (t.w. de ”Republyk der Fruiten”) geweldig teegen in November of 't begin van December, als wanneer het des nagts begint te rypen, ja te vriezen; en daarom mogen de Winter-vrugten niet al te lang aan de Boomen blyven staan,   N. Need. Hoven. 73 [1713].
Men bewaard deeze Winter Vrugt (zekere appelsoort) … van de maand October af wanneerze begind, tot in January en February toe,   117 [1713].
Zoo heb ik … by de Namen van ieder soort … gevoegd de tyd der rypwording, wanneer de Vrugten eetbaar zyn, 't zy van de Boom, gelyk de Zomer-Vrugten, of na dat ze geplukt zynde, wat gelegen hebben, gelyk de Herfst- en Winter-Vrugten,   Burger-Thuinb. 160 [1769].
Wintervruchten moet men op koele, vorstvrije plaatsen bewaren,   OTTOLANDER, Ooftb. 91 [1880].
Hierbij: wintervruchtdragend.
Wyders leven de pit-vrugt-boomen langer als die steen-vrugten voortbrengen: mitsgaders de winter-vrugt-dragende langer als die zomer-vrugten geven,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 74 [1737].
Wintervruchtlichaam, (plantk.) overwinterend vruchtlichaam.
In den winter, soms ook reeds in Augustus, vallen … uit het bruin geworden zwamweefsel de wintervruchtlichamen (peritheciën) op den grond en daarvan gaat in de lente (meeldauw)besmetting uit,   Versl. Landb. 1915, 1, 16.
Wintervulsel, vulsel, farce bij wintergerechten.
Om wintervulsel te maken. Breect eenen appel in wat boteren ende doeter toe herde eyeren, wel gestooten witbroot ende roosemarijn ende menget hier in ghincbaer ende coneelpoeder,   VORSELMAN, Coock Boeck (ed. COCKX-INDESTEGE) 189 [1560].
Wintervuur, vuur in den winter. In de eerste aanh. fig., ter aanduiding van de sterren aan den winterhemel (?).
'k Sal jou zoo lang liefde dragen, Als myn oogen open staan, Soo lang Phœbus met zyn wagen, In het Oosten zal opgaan, Soo lang als de Silvre Maen, En de Winter vuren, Aan den Troon Staat ten toon, Sal myn liefde duuren,   Thirsis Minnewit 3, 23 [1726].
'k Heb mijn kamer niet behangen Met symbolen van den nacht; Vrolijk knapt mijn wintervuurtje, 't Lamplicht schijnt er vriendlijk zacht,   V. ZEGGELEN 5, 180 [1848].
Winterwacht, stadswacht gedurende den winter.
Soo wat Nood-hulpen hun vervorderen te waaken in de Winter-wagt een geheele nagt, of in eenige Quartieren als in sijne, buyten consent en kennis van den Capiteyn, sal in een maant geen Wagt mogen doen,   Handv. v. Amst. 835 b [1673].
Winterwaschte. In W.-Vl. 1°. Wasch in den winter.
  DE BO [1873].
  WEYNS, Volkshuisraad in Vl. [Stavele, 1974].
— 't Is lijk een winterwaschte 't 'n wil niet droogen,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
2°. (Fig.) Iets dat mislukt.
Winterwaschte … Fig. gezegd … van eene zaak … die ver is van wel te zijn,   DE BO [1873].
De winterwaschte niet wel uitvallende zake,   Verz. GEZELLE [Zillebeke, voor 1899].
— Het is eene winterwaschte, eene mislukte zaak, eene verstoorde onderneming,   DE BO [1873].
3°. (Fig.) Een vervelend iemand; deugniet.
Winterwaschte … Fig. gez. van eenen persoon … die maar gemeen is, die ver is van wel te zijn,   DE BO [1873].
  Verz. GEZELLE [Loo, voor 1899].
— Hij heeft geheel zijn leven eene winterwaschte geweest, een ondeugend mensch,   DE BO [1873].
Het is eene winterwaschte van ne vint (slechte waschte niet weerd),   Verz. GEZELLE [voor 1899].
4°. Soep (van mindere kwaliteit?).
  Verz. GEZELLE [voor 1899].
Winterwater (zie ald.).
Winterwatermunt, andere ben. voor barbarakruid of steenkers (Barbara vulgaris R.Br.).
  CHOMEL [1777].
  V. HALL, Kruidtuin 230 [1871].
  HEUKELS 35 b [1907].
Winterwaterstand.
Om met het verval tusschen het buiten- en binnenwater … bekend te worden, zal de winter-waterstand van het binnen-IJ bepaald moeten worden,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 12, 1, 163 [1824].
Men (was) verpligt wederzijds den spoorweg parallelvaarten te maken, tot herstel der afgebroken gemeenschap te water en wel ter diepte van 1,40 M. beneden zomerpeil, gelijkstaande met ongeveer 1,60 M. beneden het maaiveld, waarmede de winterwaterstand overeenkomt,   V. KERKWIJK, Openb. W. 119 [1876].
Het is duidelijk, dat voor bouwland, vooral op dezen moerasveengrond, een lagere winterwaterstand zeer gewenscht is,   Versl. Landb. 1917, 1, 65.
Winterweder, weer zooals het 's winters is. Inz. in den vorm -weer.
  HALMA [1710 ].
  WEIL. [1811].
  V. DALE [1872 ].
— 't Schijnt … dat de tijdt blutsch is van zoomers, ende voortaen niet en heeft dan winterweêr,   HOOFT, Br. 2, 269 [1632].
25 December … Smergens de wint w. z. west met goet winterweer,   V. WASS. OBDAM, Journ. 43 [1658].
Hier hadt myn Kallioop gezweegen …, zo niet Brittanjes Eer De groote Marlbouroug, ten trots van 't winterweer, De Gentsche monsters in hun muithol quam bespringen,   SCHERMER 105 [1708].
Het reizen in zulk een hoog bergagtig Land is, in dit droog helder winter-weder, zeer aangenaam,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 223 [1785].
De vernieuwing mijner borst- en andere kwaal met het vochtige en onstuimige winterweêr,   BILD., Br. 5, 216 [1822].
De heer De Laet … had … door het gure winterweder Vlaenderen doorgereisd en zich dermate het hoofd en het lichaem uitgeput, dat enz.,   Briefw. Consc. 1, 118 [1844].
's Middags maakten de heer Veemer en zijn dochter nieuwjaarsbezoeken, te voet om 't mooie, frissche winterweer,   NAEFF, Dochter 99 [1905].
Winterwederwaardigheid.
Wyl … de Zaaden, uit Upsals Kruid-Tuin my gezonden, gewillig by my in de open grond zyn opgegaan, alle winter-wederwaardigheden hebben verduurd,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 19, 1, 268 [1779].
Winterwee, winterellende. In de aanh. in het mv.
Gy weet …; Dat Jezus, die voor u zoo bitter heeft geleên, In onze naaktheid, voor de strenge winterweên … By u om hulpe schreit,   DULLAERT, Ged. 179 [1669].
Komt onze Bedeschaal … Aan uwe deuren, om het geen De zegen van 't voorlede jaar Tot troost van onze winterween Heeft weggelegt,   183 [1670].
Winterweer, zie -weder.
Winterweg, weg die alleen 's winters te gebruiken is.
Ik (ben) den 12 October in de Stad J. gelukkelyk aangekomen, alwaar ik eenen tyd lang uitrustte, vermits ik aldaar den winter- of sleedeweg afwachten most,   IDES, R. n. China 32 [1710].
Winterweide.
Wy (zullen) Met puick van heilzaem kruit, gepluckt in winterweiden, Het zwacke lichaem … toebereiden, Tot dat de zomerzon ons beter hope geef,   VONDEL 5, 447 [1646].
Hij kwam … soms in de lauwe kamer met, om zijn groot lichaam, de levendige frischheid van den buiten. Soms was hij rood en gloeiend, alsof hij gehold had, al roepend, over eene weeke winterweide,   TEIRLINCK, Iv. Aapje 199 [1909].
Winterwerk, werkzaamheden die gedurende den winter verricht plegen te worden.
  HALMA [1729 ].
  V. DALE [1872 ].
— Als te weten bleckwerck in sijnen sesoene ende dwinterwerck in sijnen tijdt,   in STALLAERT 3, 727 [1577].
Dan den fasseelmes toe en behoort ende met ghetijdigher vromen te weten het winterwerck ende het meij-werck elck op sijnen tijt,   als voren [1612].
Een Metzelaar heeft geen winterwerk. Un Maçon n'a point d'ouvrage en hiver, il n'a rien à faire en hiver,   HALMA [1778].
Vermits … het zomerwerk van wieden, plukken …, rooten, spreiden, en wat daar aan verders annex is, tot November duurt …; terwyl dan nog eerst het winterwerk van braaken en zwingelen begint, welk tot in het voorjaar duurt,   Verh. Maatsch. Landb. 4, 259 [1788].
Door het meer en meer gebruiken van stoomdorschmachines is het winterwerk voor velen vrij wat ingekort,   Onderz. Landb. 1886, 20, 13 [1890].
Winterwerking.
Natuur! … Wat reeks van wondren toont ge aan myn bespiegelingen, Daar ik uw kracht bepeins, in uw geheimen dring, En met verrukking van uw winterwerking zing,   V. WINTER, Jaarg. 154 [1769].
Winterwerkzaamheid.
Welkomstgroet bij Den Aanvang der Winterwerkzaamheden in de Amsterdamsche Afdeeling der Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen,   titel v.e. publicatie v. W.J.C. V. HASSELT [1829].
De winterwerkzaamheden. Gedurende de maanden dat het jacht opgelegd wordt, heeft de zeiler een prachtgelegenheid om zijn geheelen scheepsinventaris en alle onderdeelen van de optuiging voor het aanstaande zeilseizoen weder in orde te maken,   PHILIPPONA, Zeilen 244 [1919].
Winterwijk, winterkwartieren. Alleen in de wdb. aangetroffen.
Winterwyk. Winterlegering. Quartier d'hiver,   HALMA [1710 ].
Winterwijk, winterkwartier,   V. DALE [1872 1898].
  KUIPERS [1901].
Winterwikke, overwinterende wikkensoort.
1. Wortelgewassen, Kool, Winterwikken, of Aardappelen. 2. Garst. 3. Klaver en Gras voor eenige Jaren. 4. Boonen … Dit is eene veel voordeeliger afwisseling van vruchten, dan die gene, waarbij men bij de vierde opvolging Tarw … zaait,   KOPS, Mag. v. Landb. 5, 305 [1809].
In Midden- en Zuid-Duitschland zijn Winterwikken zeer gewild … en geven zekerder oogst dan de zomervruchten, mits ze tegen den winter kunnen,   STARING, Huisb. 977 [1862].
Zij (de zandwikke) levert reeds vroeg groenvoer …, is tegen de strengste vorst bestand en verdient daarom de voorkeur boven de Winterwikke (Vicia sativa hiberna),   REINDERS, Landb. 2, 312 [1893].
Winterwild, wild dat 's winters gevangen wordt of verkrijgbaar is.
Winterwildt. Gevogelte dat 's winters komt. Gibier qui vient en hiver,   HALMA [1710 ].
Winterwild. Winterwild, Geflügel das den Winter zu haben ist,   KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
Winterwild, gibier que l'on chasse en hiver,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
Winterwild, wild, dat 's winters geschoten wordt,   V. DALE [1872 ].
Winterwind.
De winterwind, die 't woud doorfloot …, Heeft olm en eik en beuk ontbloot Van alles wat hen tooide,   DAUTZENBERG, Verspr. en Nag. Ged. 63 [c. 1860].
De oude, bonkige perelaars …, ze hadden weerom de dood bedrogen; — de winterwind had zoolang in hun stramme kruinen gehuisd; ze waren … gesnoeid, doorkorven en gekraakt hadden zij gestaan, ontsapt en overdood,   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 197 [1903].
Hierbij: winterwindorkaan.
Hy gaat … Den zwarten Moor in d'Afrikaansche landen, Ontziende ramp noch winterwindörkaan, Bezoeken aan zyn blakerende stranden!   HOOGVLIET, Mengeld. 46 [1711].
Winterwol, wol die 's winters gegroeid is en in het voorjaar afgeschoren wordt.
  HALMA [1710 ].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— De Schaapen daarmen naaulyks de Huid met den vinger voelen kan, zyn de besten; ook die, welken tweemaal geschooren worden, en Winter- en Zomer-Wolle geeven,   Koopman 1, 216 [1768].
De eerste schering, geschiedt … des voorjaars, in de maand Mei, de tweede in den herfst, op het eind van September. De zomer-wol groeit dus slechts vier, de winter-wol ongeveer zeven, maanden,   NUMAN, Schaapst. 2, 91 [1836].
Winterwolf, wolf zooals die zich 's winters gedraagt.
Die met een trop verraders quam, En scheurden dit onnozel lam, Als winter-wolven uyt zijn armen,   LUYKEN, D. Lier 54 [1671].
Winterwolfswortel, winterakoniet (Eranthis hiemalis Salisb.).
  CHOMEL [1777].
Eranthis hyemalis. Salisb. …: van den winter, d. i. in den winter bloeijende. … Akonietjes, winter wolfswortel of kleine gele wolfswortel,   V. HALL, Kruidtuin 212 [1871].
  HEUKELS 93 [1907].
— Om dattet soo vroege bloeydt, is dit gewas (t.w. de ”cleyne geele wolfswortel oft Aconitum hiemale”) hier te lande Winterwolfswortele geheeten,   DODON. 785 [ed. 1608].
De Winter Wolfswortel is een gewas dat 't vroegste in 't voorjaar bloeit en dikwils in 't midden van januarij Bloemen voortbrengt, om welke reden het in alle fraaije tuinen eene plaats verdient,   CHOMEL [1777].
Planten nu in bloei in de open lugt (titel). Eenige enkele anemones …, smalbladige guldenroede en in zagt weêr somtyds de winterwolfswortel,   MILLER-BASTER, Tuin-Oefeningen 270 [c. 1800].
Winterwolk.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  KUIPERS [1901].
— Daar hield zy … stand, Met star op hem gevestigde oogen, Waar uit een Lentemorgen scheen, Met Winterwolken overtogen,   BILD. 1, 170 [1798].
Ziet gij daar die winterwolken striemen zoo de vlamme viers striemt?   GEZELLE (ed. BAUR) 1, 443 [1858-'59].
Winterwoning, verblijf waar men gedurende den winter woont. Ook in toep. op het winterverblijf van bijenvolken. Reeds mnl.
  KRAMER [1719].
  AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. DALE [1872 ].
— Deser wooninge … maken … gemackelijck (gerijffelijck,) kamers … en die voor gebruyckbare dingen wel onderscheyden: soo dat 'er zy een keucken voor de spijsen te bereyden … en een Kachel-kamer (stove) ofte Winter-steede (-wooninge) toegerecht met een Kachel (oven) ofte schoor-steen … waer de Huys-genooten t'saemen-woonen,   COMENIUS, Deure d. Taalen 250 [1666].
Deeze arbeid … verrigten zij (de bijen) … in den Herfst, wanneer … zij hunne winterwooning in gereedheid moeten brengen,   Handw. 14, 24 [1797].
De winterwoningen der Eskimo's … zijn van sneeuw,   Ned. Mag. 1835, 64 a.
Zy sprak van eene winterwooning te Brussel,   CONSC., Kwael d. T. 1, 162 [1859].
Het paviljoen, dat bestemd is voor winterwoning der bijen, staat op een voetstuk, en kan opgeligt worden om den stok te bezien,   HEKMEIJER, Bijent. 64 [1866].
Winterwortel, winterpeen.
  BOMHOFF [1857].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1884 ].
— De teelt van winterwortelen,   Boeren-Goudmijn 1, 2, 88 [1855].
De bedden, op welke men tuinboonen poot, kunnen geschikt vooraf bezaaid worden met winterwortelen, die blijven doorgroeien nadat de tuinboonen tot rijpheid gekomen en weggenomen zijn,   Boek d. Uitv. 2, 1, 357 [1865].
De in de open lucht verbouwde wortelen, zoowel de vroege per bos in den handel gebrachte, als de winterwortelen leverden eene goede opbrengst,   Versl. Landb. 1915, 3, XLVIII.
Winterzaad (zie ald.).
Winterzaadveld, akker waarop een wintergewas gezaaid is.
Het voordeel eener goede bebouwing springt dit jaar duidelijk in het oog, en de verslaggever is in de gelegenheid geweest, verscheiden boerderijen te zien, waar de winter-zaadvelden zeer voortreffelijk waren, en de voorjaars-zaadvelden … verre overtroffen wat men anders in de streek ziet,   Boeren-Goudmijn 4, 1, 58 [1858].
Winterzaaiing, gewas dat in den laten zomer of in den herfst gezaaid wordt en gedurende den winter te velde staat; winterzaad (1).
Wil men ze (t.w. bep. mesthoopen) voor de winterzaaijingen bezigen, dan moet men ze tegen St. Jan omkeeren,   Schatk. v.a. St. 1849, 28.
Schrale landen moeten … vroegtijdig bezaaid worden, omdat het ontkiemen en wortel schieten er trager gaat dan in vetter en vaster gronden … en de winter-zaaijingen hebben meer tijd om hare wortels uit te spreiden,   1850, 10.
Winterzaaisel, gewas(sen) in den winter gezaaid; (meton.) stuk bouwland waarop wintergewassen gezaaid zijn of worden; winterzaad (2).
Men onderscheidt natuurlijke-, kunst- en toevallige weiden … Tot de toevallige weiden behooren de weiden op braakvelden, boschweiden, weiden op stoppelvelden, op winterzaaisels en op hooilanden,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 698 [1871].
Winterzalm, 's winters gevangen zalm; bep. echter als ben. voor den drie- of vierjarigen zalm, zwaarder dan 16 pond en met een lengte van c. 1 meter, en tusschen October en Mei in de rivieren te vangen. Reeds mnl.
  V. DALE [1884 ].
— Item gecoft eenen wyntersalm, ende den onsen gen. heren van Vtrecht geschenct,   Kameraarsrek. Kampen 26 [1517].
In desen somertijt soe sent ons Godt almachtich noch mede den somersalm, die dan mede haren omganck neemt op ons dit lant. Dit zijn ghemeenlijc cleijne salmen, ongelijck minder dan den wintersalm,   Die Haghe 1910, 120 [c. 1577].
Thans lust het Visscher naau Zich op het woeste meir te wagen met zyn praau, Want niemant heeft in lange een' winterzalm vernomen,   achter ZEEUS, Overgebl. Ged. LI [1726].
Voor die … kostbare vette zalmen met dat fraaie roode vleesch, die van October af den geheelen winter door naar binnen komen, is men eenen anderen naam gaan gebruiken: die is men gewoon ”winterzalmen” te noemen; het zijn de zalmen van de grootste afmeting, die uit zee naar binnen zwemmen,   Med. Visscherij 18, 93 [1911].
Winterzanger, andere ben. voor den bastaardnachtegaal.
Motacilla Modularis … De Basterd-Nachtegaal, de Winterzanger … Komen in het laatst van October of begin van November hier te lande aan … en vertrekken in de lente,   Nat. Verh. Holl. Maatsch. Wet. 11, 365 [1822].
In ons land leeft slechts eene soort (t.w. van het geslacht Accentor), namelijk de Bastaard-Nachtegaal, ook Winter-Zanger, in Gelderland Boeren-Nachtegaal, in Noord-Brabant Doornkruiper genoemd,   SCHLEGEL, Vogels 96 [1860].
Te allen tijde worden geacht voor landbouw of houtteelt nuttig te zijn … de volgende spitsbekkige zangvogels: 1. het winterkoninkje …, 17. de bastaardnachtegaal, winterzanger, boerennachtegaal, doornkruiper (Accentor modularis) enz.,   Besl. v. 24 Oct. 1892 (Stbl. 236), blz. 3.
Winterzeep.
Winterzeep. Savon qu'on fait pour l'hiver,   HALMA [1710].
  V. DALE [1872].
Winterzeep, zeep voor den winter bestemd, eenigszins anders van samenstelling dan de zomerzeep,   [1898 ].
— Akte, waarbij W.W. v. B., koopman en zeepzieder … verklaart, dat ”den requirant nu (Jan. 1649) ontrent een maent geleden van hem, getuyge, gecocht heeft een party winterzeep”,   R.G.P. 144, 524 [aangeh. woorden 1649].
De heer J.P. v.d. Velden, Fabrijkant, Tilburg, een Vaatje groene Winterzeep,   Cat. Nijverh.-Voorw. 180 [1832].
Winterzeil.
1°. (Zeilv.) Specifiek zeil dat 's winters gebruikt wordt. In Vl.-België.
Winterzeil … Bruin zeil dat des Winters op de jachten gebruikt wordt,   JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
2°. (Mol.) Molenzeil waarmee de molens 's winters maalden en dat in kleur verschilde van het z.g. zomerzeil. Ook in fig. verband in de verb. de winterzeilen ophangen, de zomerkleeding voor de winterkleeding wisselen. In het Zaansch.
Winterzeilen, de twee donkerrode en twee okergele zeilen waarmee de molens 's winters maalden,   HUSSLAGE, Windmolens [1965].
  WOUDT achter BOEKENOOGEN 2 [ed. 1971].
— De zeumer-, of, winterzaile op 'ehonge,   E. Volk 6, 50 a [1934].
Winterzijde, zijde van iets die naar het Noorden gericht is.
De Winterzyde, die Winterseite,   WEIDENBACH [1808].
  BOMHOFF [1857].
Winterzijde, (d'une maison, d'une montagne) Côté ou versant septentrional; côté du nord,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
Winterzon, zon zooals die 's winters schijnt; ook meton.: het schijnsel van de zon in den winter.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— De winterzon, die traag, langs onze kille kimmen, Na d'eersten middag van dit Jaar poogt op te klimmen,   DULLAERT, Ged. 186 [1671].
Zelden zal de winterzon De bloeisems, met haar flaauwe straalen, Uit de opgeborste knopjes haalen,   SCHERMER 181 [c. 1710].
Daer boven, aen den zuiverblauwen hemel, glanste de heldere winterzon, die de rustende natuer met licht overgoot,   CONSC., Gierigaerd 5 [1852].
Een ziek winterzonnetje glipte en glom door de infirmerie over de smoezelige muren en de akelige tafels,   V. DEYSSEL, Kl. Rep. 1, 283 [1889].
Vóor het venster op twee draden hingen de perziken gelijk een snoer van groote parels. Een lichte winterzon speelde errond,   TEIRLINCK, Serjansz. 282 [1908].
Door het … raam scheen de winterzon,   GOEDH.-BECKER, M. Vroom 11 [1916].
Winterzonneschijn.
Hoe zaligh is de vreê der herdren, buiten kommer, In winterzonneschyn, of koele zomerlommer, Gezeten,   HOOGVLIET, Abr. 180 [1727].
Hij landt aan 's Grijsaards woning, Doch vindt den Huisheer niet; een winterzonneschijn Heeft hem naar 't veld gelokt,   STARING 2, 38 [1827].
Winterzonnestand.
1°. Hetz. als wintersolstitium of winterzonnestilstand.
  V. MOOCK [1846].
  V. DALE [1884 ].
Winterzonnestand, stand der zon op 22 Dec.,   KOENEN [1903 ].
— Dat, gelyk de grootste hitte doorgaans komt na den Zomer-Zons-stand (Solstitium æstivum), als de dagen beginnen te korten, de grootste koude ook meestentyds invalt na den Winter-Zons-stand (Solstitium hibernum), als de dagen beginnen te lengen,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 9, 3, 654 [1767].
Na dien tijd (t.w. na de herfstnachtevening) gaat de zon allengs meer en meer ten zuiden van het oosten op en ten zuiden van het westen onder, terwijl de hoogte die zij op den middag bereikt tevens afneemt. Dit gaat alzoo voort tot den tijd van den winter-zonnestand, den 22sten December, waarop de zon 40 graden ten zuiden van het oosten op- en evenver ten zuiden van het westen ondergaat,   KRECKE, Klimaat 1, 49 [1863].
2°. Stand van de zon gedurende den winter.
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
— 't Gewest is 'er van een ongemeene koude gesteltheit …, maakende de langste dagen, wanneer de Zon in den Zomer-zonnestand … is; alsdan gaat ze in den tyd van twee maanden niet onder …; waar uit ook volgt, dat ze in den Winter-zonnestand …, geduurende den tyd van twee maanden, niet gantschelijk boven den Horizont reist,   ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 35 [ed. 1720].
Winterzonnestilstand, wintersolstitium.
  CALISCH [1864].
  V. DALE [1872 ].
— Dewyl de Zon in het midden van den Zomer in het begin van den Kreeft komt, zo noemt men dat punt het Punt van den Zomer-zonne-stilstand, daar het ander den naam draagt van het Punt van den Winter-zonne-stilstand, om dat het, de Zon in het zelve zynde, midden in den winter is,   Oefenschoole K. en W. 1, 232 [1763].
Dat de minste warmte geweest is na den Winter-Zonsstilstand, te weten den 4. January, en de meeste na den Zomer-Zonsstilstand, den 25. en 26. Augustus,   Verh. Holl. Maatsch. Weet. 16, 2, 363 [1776].
Winterzonnewende.
  DE BO [1892].
Winterzuring, ben. voor diverse in den winter groeiende zuringsoorten.
Een akker met Gelling kool: daer na vroege Spinagie …, Winter Zuuring, laete heete Erreten, Zuikerpeulen, en diergelyke Herfst- of Winter-moes, als Beet, Kervel enz.,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 305 [1737].
Zuuring: daar van zyn twee zoorten, de Spaanse- en Schaape of Veld-Zuuring …, welke laatste … haastig schiet en daarom niet zeer bekwaam is tot Zoomer-Zuuring, maar alleen tot Winter-Zuuring gezaaid word,   Burger-Thuinb. 367 [1769].
Deze plant (t.w. zekere nieuw ontdekte zuringsoort) … is … gebleken niet onbelangrijk te zijn, daar de bladen, van eenen aangenaam-zuren smaak, zich vroeger ontwikkelen dan die van de gewone zuring, ja midden in de sneeuw voortgaan met groeijen, zoodat deze plant den naam van winter- of sneeuw-zuring met alle regt verdient,   Ts. Nijverh. 1851, 1, 156.
Winterzwam, zekere eetbare plaatzwam; fluweelpootje.
Mijzelve is het (t.w. het kweeken van bep. eetbare paddestoelen) gelukt met de smakelijke winterzwam: Collybia velutipes. Ik zaaide daarvoor in Januari op een vorstvrijen dag de … sporen dezer zwam uit over een … boomstronk en in November van hetzelfde jaar … kwamen de eerste vruchtlichamen te voorschijn en kon ik er bij voortduring hoeveelheden voor een bescheiden maaltje afplukken,   COOL en V.D. LEK, Paddenst. 122 [1913].

Aanvulling bij WINTERI

Samenst. Winterbaan. 1°. Baan van de zon in den winter.
Daarom geleek zijn komst op het doorbreken van zonlicht, op de overwinning van de dag op de nacht, en het zegevierend klimmen van de zon in haar stijgende winterbaan na de wende,   V.D. MEER, Catech. 160 [1955].
2°. (Wielersp.) Overdekte baan voor de beoefening van de wielersport in den winter.
De grote Parijse winterbaan, de Vélodrome d'Hiver,   DUYZINGS in Blue Band Sportboek 196 b [1955].
De heer Louis Dewinter, voorzitter van de Europese vereniging der winterbanen en tevens medeïnrichter der Antwerpse Zesdaagse, nodigde de bij de vereniging aangesloten bestuurders naar de start zijner Six Days uit,   De Standaard 25 Febr. 1963.
Winterberging, berging, zoowel abstr. als concr., voor booten in den winter.
Schilderwerk Reparaties Winterberging,   Waterkamp. n° 809, 67 b [1946].
Die eigenaars, wier jachten in Duitschland gebruikt werden, mogen … van geluk spreken, want deze schepen werden onderhouden en in winterberging gebracht,   Waterkamp. n° 816, 63 b [1947].
Ook hier vindt men botenverhuurbedrijven, een clubhuis, restaurants en twee loodsen voor winterberging,   Deltawerken 38, 400 [1966].
Winterhulp.
Winterhulp, (1940-1945) instelling tot leniging van stoffelijke nood, opgericht bij decreet van de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied van 22 oktober 1940, naar het model der Duitse Winterhilfe,   KOENEN [1974].
Winterhulp klopt op de deur. Laat ieder zijn plicht doen!   Telegraaf 28 Nov. 1940.
Zij waren van het type dat geen collectant voor Winterhulp door durft sturen,   VOETEN, Doortocht 159 [1943].
Voorts verschafte de (Nederlandsche) Unie zich armslag voor haar propaganda door er naar te streven, bij den bezetter in het gevlij te komen, bijvoorbeeld door medewerking te verleenen aan de Winterhulp-Nederland, met beschouwingen over de historische roeping van het Duitsche volk,   Rijksbegr. 1947, E. K., V, blz. 4 a.
Hierbij: winterhulpactie.
De winterhulpactie staat voor de deur; op 29 en 30 November a.s. wordt zij ingezet met een straat- en huiscollecte,   Telegraaf 20 Nov. 1940.
Eenzelfde gebrek aan psychologisch inzicht openbaarde zich in het najaar van 1940, toen de Winterhulp-actie een aanvang nam,   Onderdr. en Verzet 1, 439 [1949].
Winterjasmijn, (plantk.).
  HERWIG, Tuinencyclop. [1949].
Winterjasmijn, uit China afkomstige sierheester (Jasminum nudiflorum),   V. DALE [1976].
— Zou het niet feestelijk zijn met de kinderen samen te ontdekken of er in de één of andere tuin al een bloeiend takje te zien is van de winterjasmijn?   Ons Gezin 4, 13 b [1949].
JasminumWinterjasmijn. Deze klimplant groeit uitmuntend op Oost- en Zuidgevels en bloeit dan met een menigte van bloemen,   uit een prijscour. [1968].
Winteroffensief.
Winteroffensief, offensief dat in de winter ondernomen wordt,   V. DALE [1950 ].
— Wanneer de Duitsche pers, toen de distantieeringsbewegingen van de Duitsche strijdkrachten … den Dnjepr bereikt hadden, van een adempauze spraken, werd daarmee te kennen gegeven dat de Dnjepr niet de linie behoefde te vormen, waarachter een verwacht Sowjet-Russisch winteroffensief moet worden opgevangen,   N. Rott. Cour. 16 Oct. 1943.
Winterolie, bij koude temperaturen vloeibaar blijvende plantaardige olie.
Door de zomerolie sterk te koelen, kristalliseert de stearine uit, de winterolie is dan ook steeds troebel,   WAGENAAR, Voedings- en Genotm. 216 [1947].
Koelt men zomerolie langdurig en sterk af, dan kristalliseert een vrij grote hoeveelheid stearine uit. Door deze af te persen wint men dan de gele of witte winterolie,   V. OSS, Warenk.5 2, 836 [1949].
Winterperiode.
  V. DALE [1950 ].
— Het jaar kan … gescheiden worden in twee perioden, een van 4 maanden (zomerperiode) en een van 6 maanden (winterperiode),   Alb. d. Nat. 1903, 1, 30 [1903].
Op de leslokalen van de telegraaf-afdeeling van het Regiment Genietroepen te Utrecht, werd in de winterperiode, wanneer de scholen aan den gang waren, onder zeer veel meer, de electriciteitsleer onderwezen,   VOGT, Radiolev. 7 [1933].
Op het overige deel van het gebied heeft die invloed tot gevolg, dat het grondwater in de winterperiode gedurende vrij lange tijd tot in het maaiveld staat,   Deltawerken 66, 297 a [1973].
Wintersluitgat, (dijkw.) voorloopig sluitgat in een waterkeering, voldoende voor den eersten winter tijdens den opbouw.
Hoewel de caissons van doorlaatopeningen zijn voorzien, veroorzaken zij niettemin een zodanige vernauwing van het sluitgat, dat het nuttige doorstroomprofiel na plaatsing van alle caissons slechts ongeveer 1500 m2 bedraagt, tegen 3500 m2 voor het wintersluitgat,   Deltawerken 16, 8 [1961].
In het algemeen wordt in de eerste fase — het zogenaamde wintersluitgat — een stroomsnelheid van 2 m per seconde bij gemiddeld getij als grens genomen, terwijl tijdens de sluiting geen hogere snelheden mogen voorkomen dan 4 à 5 m per seconde,   Deltawerken 58, 403 a [1971].
Voor de wintersluitgaten heeft men 450 000 m2 aan bodembescherming nodig,   Deltawerken 67, 386 b [1974].
Wintersport, vandaar: Wintersporten, wintersport beoefenen; op wintersportvacantie zijn.
Ineke was met haar man gaan wintersporten in Zwitserland,   V. HILLE-GAERTHÉ, Advent 65 [1949].
In de Franse Alpen en de Franse Pyreneeën valt genoeg te wintersporten,   Avenue Nov. 1973, 144 a.
Wintersporter, beoefenaar van wintersporten.
Medische adviezen voor de wintersporters,   Eva 21 Dec. 1968.
De ervaring heeft geleerd dat ook meer sportieve wintersporters de voorkeur geven aan een appartement met meer ”privacy” dan in een hotel,   N.R.C.-H. 9 Dec. 1975, 3.
Hierbij: Wintersportcentrum.
  V. DALE [1976].
Wintersportplaats.
  V. DALE [1976].
Wintersterfte, sterfte gedurende den winter.
Aldus beteekenen winterziekten en wintersterfte de belangrijkste schadepost voor individuëele gezondheid en volksgezondheid,   Praev. Geneesk. 1, 21 [1936].
Ontleedt men de hoge wintersterfte naar de afzonderlijke oorzaken, dan zijn het telken jare de zelfde ziekten, die er voor aansprakelijk zijn,   V. LOGHEM, Gezondheidsl. 31 [1941].
Oorzaken en voorkomen van wintersterfte,   SCHOTMAN, Bijent. 438 [1942].
Wintertraining, (sport).
Wintertraining, de periode, waarin de athleet op rustige wijze met lichte oefeningen ontspanning verkrijgt van het afgelopen wedstrijdseizoen en zich langzaam voorbereidt op het nieuwe seizoen,   Sportencyclop. 61 b [1951].
  V. DALE [1976].
— Een vast schema voor de wintertraining kan moeilijk worden opgesteld, daar, wat voor den een past, niet altijd geschikt is voor den ander, terwijl het weêr, de toestand van de baan en de tijd, dien men heeft, vóór de eerste wedstrijd gehouden wordt, overheerschende factoren zijn,   Handb. d. Sp. 4, 298 [1924].
Wintertros, (bijent.) trosvormig samenklitten van een bijenkolonie in den winter om zich te wapenen tegen de koude; meton. ook een op deze wijze gevormde tros bijen.
December is … de maand … van sneeuw en ijs. De dagen zijn kort. De natuur is doods en stil, alsof hij nooit meer ontwaken zou. Bij de bijenhal is 't evenzoo, de immen zitten in wintertros en voeden zich met 't vervangmiddel van honing, n.l. suiker, die de imker hen tijdig heeft toegediend,   Maandschr. Bijenteelt 44, 189 a [1941].
Terwijl de volken, nu de temperatuur bij de komst van de winter dalen gaat, zich terugtrekken in de woning om de wintertros te formeren, waarin zij het nieuwe bijenjaar zullen afwachten, nu de stilte en de rust van de koude weer invallen, zullen wij ons eens met die zachtzinnige dief, de imker verstaan,   DE ROEVER, Bijen 104 [1948].
Winteruitwatering, (scheepsb.) uitwateringslijn voor den winter.
Winteruitwatering vanaf bovenkant houten dek 1315 mM. Vermindering voor zomeruitwatering 63 mM.,   KRIJGSMAN, Scheepsb. 307 [1930].
Men onderscheidt de volgende uitwateringslijnen: Uitwateringslijn voor de zomer (zomeruitwatering) Z. Uitwateringslijn voor de winter (winteruitwatering) W,   BES, Scheepvaartt. 104 [1949].
Winterzit, (bijent.) overwintering van de bijen in den korf.
Het is van uitermate groot belang, dat de bijen gedurende hun winterzit ongestoord blijven,   SCHOTMAN, Bijent. 443 [1942].
Daar druipen in de winter grote waterdruppels af, die de rustige winterzit verstoren en bovendien betekent een teveel aan schaduw ook een teveel aan vocht met als gevolg van dien schimmel, rotting en ziekte,   DE ROEVER, Bijen 273 [1948].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1992.