Koppelingen:
Vorig artikel: WORMSGEWIJS Volgend artikel: WORMSWIJS, WORMSWIJZE
GTB Woordenboeken: MNW

WORMSTEEK

Woordsoort: znw.(m.,v.,o.)

Modern lemma: wormsteek

znw. m. (soms vr. of onz.), mv. -en. Uit worm (I) en steek.
+ Gat of gang in een gewas of vrucht veroorzaakt door wormen; wormgat.
Afl. Gewormsteekt.
Wormsteeksel, hetz. als wormsteek. Gewest. in Zeel., eenmaal aangetroffen.
  GHIJSEN [1964].
Wormsteekte, hetz. als wormstekig. Gewest. in W.-Vl.
  SCHUERM. [1865-1870].
  DE BO [1873].
Wormsteekte. z. ormstikte Ormstikte = hooremstikte, geëten van den hoorm of hoorem,   Verz. GEZELLE [Geluwe, voor 1899].
Wormstekel(d), hetz. als wormstekig.
Wat Tonnen quaet spint, ofte schampschooten hebben, geborsten, wormstekelt ofte deurdevelt zijn, sal men de duygen ofte bodemen, daer 't selve gebreck in is afslaen,   Gr. Placaetb. 1, 720 [1582].
Wat tonnen, quaet-spijnt, rood-olmt, zadigh, wormsteeckel …, oft deurdeuvelt zijn: sal men de duyghen oft bodemen daer 't selve gebreck in is, aen stucken slaen,   Handtv. v. Ench. 257 b [1620].
Wormstekelig, hetz. als wormstekig.
  SEWEL [1691].
  HALMA [1710 ].
  V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
  GHIJSEN [1964].
— Waarlyk men kan met een goed Gemoed zeggen, dat de Oudheytkundigen op zommige Kaaseeters munten, die op de wormsteekeligste Kaazen vlammen, en de heelen en gaaven niet eens willen aanzien,   WEYERMAN, Holl. Zinlykh. 68 [ed. 1726].
Wormstekelijk, hetz. als wormstekig.
  KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
  WEIDENBACH [1808].
— U appelen zyn geduijrich, maer die mijne zyn geduijriger ende al beter — dat derf ick roemen — zo zy niet wormsteeckelick en zijn,   Bronnen Coornhert 210 [1577].
Wormstekerig, hetz. als wormstekig. In de tweede aanh.: gemakkelijk vatbaar voor aantasting door wormen.
De kerk heeft bij de Tillysche plundering, 1630, haar goud en zilver meest verloren en brilleert thans nog alleen door hare merkwaardigheden, als daar zijn: Tilly's handschoen, de pantoffel van de moedermaagd, de steen dien de duivel aan den Heiland voorhield om er een brood van te maken …, de staf daar Mozes het water mede uit de rots deed springen, doch deze is al wat wormsteekerig, enz.,   FALCK, Br. 125 [1800].
Linden-, populieren en wilgenhout worden gebruikt tot buizen, klossen, kisten, enz. en zijn weinig duurzame en zeer zachte houtsoorten, die gemakkelijk zijn te bewerken; de kleur is wit; deze soorten zijn weinig onderhevig aan kromtrekken en zwellen, doch vrij wormstekerig,   HAAKMAN, Zee-art. 3, 122 [1871].
Wormstekig.
1°. Van hout, gewassen, fruit e.d.: aangetast, aangestoken door de(n) worm(en); wormen hebbend.
  DASYP. [1556].
  BINNART [1654].
  DES ROCHES [1769].
  WEIDENBACH [1808].
  V. DALE [1872 ].
Materies luna decrescente cæsa carie non infestatur. Timmerhout dat gehouwen wert als de maene minder wort en wort niet wormstickich,   SERVILIUS, Dict. Trigl. H 8 v° b [1552].
De vermakelijckheden deses tijdlijcken levens zyn als wormstekighe Appelen, die vroegh rijpen en vroegh rotten,   SPRANKHUISEN 7, 20 b [1647].
De beste Kurkumawortels zijn die, welke niet wormstekig, maar hard, broos, glansrijk en donker op de doorbraak zijn,   CAMPAGNE, Droog. en Apoth. 116 [1831].
Waarop door den kellner een fleurig mandje gebracht, opgesierd met groen krulpapier; en daarop 1 abrikoos, wat fletse druiven, en 2 onnoozele peertjes, waarvan 1 wormstekig,   GOERÉE D'OVERFL., Dagb. 158 [1918].
In enkele spreekw. bij HARREB.
De worm komt van het hout, dat hij verbrijzelt en wormstekig maakt,   HARREB. 1, 335 b [1858].
Van wormstekige penen kan men geen' lekkeren hutspot koken,   1, 347 a [1858].
2°. Van personen: met wormen behept.
Onse maege in wellusten, maeckt veel uytworps, laet veel goede spijse ontvallen, de welcke by honger en noot, souden voor goedt aengenomen worden; daerom eet het swijn liever der rijcken, dan der armen menschen dreck. Oock een volwassen mensch is min worm-steeckigh, dan een kint, der onvolkomen verduwingen schult,   V. HELMONT, Dageraad 151 [ed. 1660].
In fig. zin van personen of persoonsattrib.: verrot, bedorven.
De Meysjes syn huyensdaeghs so op het goed versot, Dat, al is de Vrijer geck, broets, wurmstekigh, iae half verrot …, Het hy maer goed, hy sal een Vryster kryghen nae syn wensch,   STARTER, Dar. B 3 v° [1618].
Een worm-stekigh herte, dat wrot is in't geloove, is veel-tijts met een lastertonge vergezelschapt: die zoo zeer niet en dient benijt, als erbermt; want zy vindt haer schavot en gloeyend yzer in haer-zelven,   DE BRUNE, Bank. 1, 59 [1657].
Vandaar: wormstekigheid, toestand waarin iets verkeert dat wormstekig is; het wormstekig zijn. Hetz. als wormbeet.
  HALMA [1710].
  V. DALE [1872 ].
— Oud, vermuft (murw geworden) hout is blootgesteld aan de wormbeet of wormstekigheid …, dat is: aan de vernieling door insecten, vooral van het geslacht der kevers of torren …, welke talrijke gangen in het hout uitboren of uitknagen en dit in stof of pulver doen overgaan,   KUIJPER, Technol. 1, 659 [1861].
De uitgevoerde onderzoekingen hadden betrekking op: Bijenvergiftiging te Lent; schadelijkheid van Orobancha ramosa (hennepvuur) voor tabak; wormstekigheid van appel en peer; wantsen in stokboonen enz.,   Versl. Takken v. Dienst Landb. 1919, 43.
Wormsteking, hetz. als wormstekigheid.
  PLANT. [1573].
  KRAMER-V. MOERBEEK [1787].
— Datmen met een volle Mane geen temmerhout afhouden en sal, maer alleene int afgaen der selver, want alsmen sulcx doet so isset tot rottingen, ende wormstekinghe gheneycht,   PARÉ-BATTUS, Chirurgie 46 b [1604].
Samenst. Wormsteekmot, appelmotje (Phalaena tinea pomonella).
Pomonella. Wormsteek-Mot. Mot, die de Wieken Wolkig, van agteren met een roode vergulde Vlak heeft,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 11, 734 [1767].
Het masker van het wormsteekmotje, uit zijne donkere woning aan het helder daglicht gebragt, werpt zich heen en weêr en laat, zoodra het zich voelt aangeraakt, een roodachtig vocht loopen, waardoor het zich onkwetsbaar poogt te maken,   Nat. Verh. Kon. Maatsch. Wet. 5, 2, 53 [1810].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1993.