Koppelingen:
Vorig artikel: ZAAIGOED Volgend artikel: ZAAIING

ZAAIGRAAN

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: zaaigraan

znw. onz., mv. -granen. Uit zaaien en graan (I).
—  Graan, bestemd om als zaad te worden gebruikt, en daartoe speciaal geteeld of geselecteerd, en tegen bederf e.d. behandeld.
  DE BO [1873].
  SCHUERM., Bijv. [1883].
  V. DALE [1898 ].
  PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
— Om de Ontsteking geheel voor te komen, werpt men het Zaaigraan in een groote tobbe of balie met water; gedurig roerende, zal het gezonde zinken, en al wat aangestoken is, dryven,   Verh. Maatsch. Landb. 14, 1, 67 [1804].
Tarwe laat men … in de zon droogen. Vervolgens brengt men dezelve binnen op een' wagen, over welks bodem men voor het uitrijzen een huif of zijl gespreid heeft, slaat er zachtjes de rijpste korrels uit, en behoudt deze voor zaaigraan,   KOPS, Mag. v. Landb. 4, 571 [1808].
De hoeveelheid zaaigraan per bunder uit te werpen hangt veel af van de grootere of kleinere korrel,   Ts. Nijverh. 1853, 1, 5.
Tot verbetering van zaaigraan wordt hoofdzakelijk het middel van verwisseling aangewend,   Onderz. Landb. 1886, 7, 24 [1890].
Bouwakkers werden aangelegd, waarvan de maatoppervlakte werd bepaald bij mudden lands, geregeld naar de hoeveelheid zaaigraan die men voor elken akker noodig achtte,   TIESING in Alb. d. Nat. 1907, 1, 52 [1907].
Reeds de Romeinen wisten, dat het oogsten van zaaigraan met zeer veel zorg moest geschieden, daar anders de soort door de overhand krijgende minderwaardige rassen snel achteruit zou gaan,   Natuur en Vernuft 2, 350 a [1916].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1993.