Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: ZAUWELEN Volgend artikel: ZAVEL II
GTB Woordenboeken: MNW

ZAVELI

Woordsoort: znw.(o.,m.)

Modern lemma: zavel

ZAVER —, znw. onz., in Vl.-België en Ned.-Limb. bijna uitsl. m. (zie verder hieronder), mv. (in de bet. 3) -s en -en. Mnl. savel. Volgens J. DE VRIES, N.E.W. [1971] uit lat. sabulum. De v in het woord pleit eerder voor een wat latere ontleening uit de Romaansche voortzetting van dat woord, ofschoon de z aan het woordbegin toch wijst op een tamelijk oude ontleening (vgl. WEIJNEN in Med. V.A. 422 [1967]). Dezelfde opvatting vindt men ook in FRANCK-V. WIJK, Suppl. In Bijbel v. Liesveldt [1526] wordt een vorm zabule aangetroffen (zie de bet. 3).
Hoewel het m. geslacht in Vl.-België voor dit woord het meest algemeene is, wordt soms expliciet (ook) het onz. opgegeven: naast het m. geslacht voor het Hageland door TUERL. [1886] en als het eenig gebruikelijke voor Ieper in Verz. GEZELLE [voor 1899].
De vorm zaver wordt (evenals de afl. zaverachtig en zaverig, en de samenst. zaveraarde) m.n. in eenige 18de-e. bronnen aangetroffen (zaverig wel reeds bij DULLAERT, Ged. 28 [c. 1670]). Vgl. voor deze l/r-wisseling b.v. wafer naast wafel (I) en sleuter naast sleutel.
+1.  Zand, op zichzelf, als stof beschouwd. In de alg. wdb. vaak omschreven als: grof zand. In deze bet. zonder mv. In de alg. taal veroud., nog gewest. in Vl.-België in gebr.
+2.  In aansl. bij 1): bodem die uit zand bestaat; zandgrond. Nog slechts gewest. in Vl.-België aangetroffen.
Vander varennen brese mijn heere Van normandien groot seneschal Lacher ooc doot hem en gebrac noit eere Plat inden sauele na doude leere Ghelijc eenen ghemenen man,   PERTCHEVAL, Camp v.d. doot d ij r° a [1503].
Al bi den sauel daer ic op kniele Daer ick sal storten mijn roode bloet Jck woude ick waer bi minen lieue,   Antw. Liedb. 7 [ed. 1544].
Die syn huys niet op de savel, maer op een steenrotse gebaut hadt,   bij DE BO [1873].
  W.V.D. 1, 1, 49 a [1979].
3.  Als zaaknaam, met mv.: stuk land, gebied, streek waar de bodem bestaat uit zand. Nog slechts gewest. in Vl.-België.
Dese wateren die wt comen te hoop vanden oosten zabule, ende neder lopen ten slechten lande vander wildernisse sullen in dese zee gaen,   Bijbel v. Liesveldt, Ezech. 47 B [1526].
Wat behoeft eenen boom wiens wortelen de rots doorboorden? Eene plant die in de zavelen der heiden groeit, en het riet der vyvers? Zonder twyfel lucht, water, warmte,   Akkerbouw 27 Mei 1849, 1 b.
Een vruchtbare zavel,   DE BO [1873].
Daar … strekte zich het wijde landschap van Zeven-Born uit: de drie bolle heuvels …, de zeven vijverputten …, de gele zavels en de zandige wegen,   TEIRLINCK, Serjansz. 145 [1908].
+4.  Grondsoort die bestaat uit een mengsel van klei en een groot percentage (meestal 60 tot 80 %) zand, op zichzelf, als stof beschouwd. In deze bet. zonder mv. De bet. in de eerste litt. aanh. is niet geheel zeker.
Zavel. Zoo noemt men eene grondsoort, bestaande uit eene klei met groot zandgehalte,   BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. [1907].
  V. DALE [1914 ].
  KOENEN [1920 ].
  W.V.D. 1, 1, 47 a [1979].
— Men verplantse (t.w. prei- en bieslookplantjes) …, oft in voorkens …: Oft in een gat met eenen stock ghemaeckt, ende dan suyvert men de wortels ende bladers met schaeren, menghende sauel onder de eerde,   STEVENS en LIEBAUT, Landtw. 205 [1582].
Bovengrond. Klei en zavel. Ondergrond. Leem en zand,   Boeren-Goudmijn 7, 1, 111 [1861].
Een derde hoofdbestanddeel van het diluvium, na zand en leem, noemt men zavel. Men onderscheidt met dien naam gronden, die uit leem vermengd met zand bestaan,   Alb. d. Nat. 1878, 1, 283 [1878].
5.  In aansl. bij 4): bodem die bestaat uit zavel (4); zavelgrond.
Die vrucht groeit beter in zavel dan in zwaren grond,   DE BO [1873].
Men (onderscheidt) de gronden hier (t.w. te Eenrum in Groningen) in kleiachtige zavel, zandige zavel en zeer zandige zavel,   Onderz. Landb. 1886, 23, 3 [1890].
De pataten groeien gèren in dieë' zavel,   CORN.-VERVL. [1903].
6.  (Gewest. in Vl.-België) De grond(laag) onder de bouwnerf in zandachtige gronden; ondergrond.
  GOOSSENAERTS [1958].
  W.V.D. 1, 1, 48 a [1979].
Afl. Zavelaar, (W.-Vl.) soort aardappel die op zavel (5?) wordt verbouwd.
Zavelaar. soort eerrappel,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
Zavelachtig (zaverachtig), inz. van grond, aarde, land e.d.
1°. Veel zavel (1) bevattend; uit zand bestaand; zandachtig.
Sabulosus …, Santachtich, sauelachtich,   SERVILIUS, Dict. Trigl. YY 6 v° b [1552].
Zavelachtig, graveleux, plein de gravier,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  W.V.D. 1, 1, 48 b [1979].
— De Myn-graavery van de Barnsteen is moejelyk en zeer gevaarlyk, op de landen en zandbergen dicht aan Zee gelegen, voor de Graavers, om dat de grond of zandig, en zaverachtig, of bros en zo glad is, dat iemant naauwelyks zyne voeten in dezelve vast kan doen staan zonder uit te glyden,   V. RANOUW, Kab. 3, 459 [1720].
De Zandgronden zyn verscheiden en slegter, na maate zy uit schraalder of grover Zand bestaan. Die uit het grofste Zand bestaan en geheel schraal zyn, noemd men Zavelagtige Gronden,   Burger-Thuinb. 4 [1769].
Wanneer den grond droog en zavelachtig is zal het best wezen de fruitboomen diep te planten,   Akkerbouw 25 Maart 1849, 2 a.
Hij heeft in zijne beboschte gronden van die zavelachtige gele wegen, waar de zon op valt met een vonkeling als van vloeibaar goud,   ROOSES, O. e. N. Kunst 1, 175 [1893-'94].
Da' land en es nie' vele werd, 't es te zavelachteg,   TEIRL. [1922].
2°. Veel zavel (4) bevattend.
Savelachtig noemt men hier den grond, die wel een zandgrond is, doch niet uit het mulste zand bestaat, maar met eene soort van bastaard-klei, als ware het, gemengd is,   HOEUFFT [1836].
  V. DALE [1914 ].
  KOENEN [1920 ].
— Het (t.w. gierst) en groeyt niet alleen in sauelachtighen, maer oock in sandachtighen gront, als die nat ende vocht en is,   STEVENS en LIEBAUT, Landtw. 575 [1582].
Den 11en ditto naer middach hebben wy het geanckert op 15 vaedem sauelachtiche kleygront onder het voorn. eylant,   Eerste Schipv. 2, 320 [1596].
Te veel plaetsen ist (t.w. het land) seer savelachtich ende sandtachtich, te weten in d'meeste deel van Vlaemsch Vlaenderen, ende in een deel van Brabant,   KILIAAN, Guicciard. 7 a [1612].
De Tuberoozen begeeren eenen vetten zavelagtigen wel doormesten klei-grond in eene vrye open warme lucht met veel vogt,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 409 [1737].
Het leem vindt men in deze gronden (t.w. het diluviale leem) òf zuiver en in lagen, of vermengd met het zand. In dit laatste geval heeft men zoogenaamde zavelachtige gronden, die wegens hun vruchtbaarheid voor den landbouw van veel belang zijn,   BLINK, Nederl. 2, 492 [1892].
Vandaar: zavelachtigheid.
Deze … zandige woestyne is ook zo moeyelyk om door te gaan, door de rulheid en zaverachtigheid van het zand,   V. RANOUW, Kab. 5, 372 [1721].
Zavelen (zie ald., het eerste art.).
Zavelig (zaverig), inz. van grond, land. 1°. Veel zavel (1) bevattend; zandachtig; zanderig.
  OLINGER [1822].
  KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 1898].
— Indien zy geen steden en houden, soe sullen sij genootsaict zijn inlaegen te moeten leggen, alzoe zy eenen saveligen dyck hebben,   bij BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1807 [1565].
Als 't weer wat doijt, soo schravelen en maecken sij (t.w. hazen) haer leger in versch gulligh oft saveligh landt,   Jachtbedr. 13 [1636].
De deugdt, de liefde, ende d'oprechtigheyt en kunnen in sulcken doornachtigen en saveligen grondt niet wassen of groeyen, maer moeten daer in versticken,   ORIZANDT, Heracl. 178 [1643].
Gy bouwde, gy bescheent, gy goot de zavrige aarde, Zoo dat het welig loof der ranken, die zy baarde, Na weynige oegsten straks de landstreek had volgroeit,   DULLAERT, Ged. 28 [c. 1670].
Zy (t.w. de mergel) is hier te Lande schraal en zaverig, maar niettemin zeer hard en steenagtig,   BERKHEY, N.H. 2, 344 [1770].
Zavelige gronden,   KOENEN [1911].
2°. Veel zavel (4) bevattend; zavelachtig.
  V. DALE [1914 ].
  KOENEN [1920 ].
— Kleigronden zyn de eenige, die 'er met uitzigt van voordeel toe kunnen dienen (t.w. tot de vlasteelt); zoo wel de zwaare, als die wat ligter en eenigzins zavelig zyn,   Verh. Maatsch. Landb. 4, 197 [1788].
Het zyn de zware kleigronden die het meest tot het ontvangen der vruchtgevende deelen geschikt zyn; na deze volgen de zavelige kleigronden,   14, 1, 41 [1804].
Men kweekt dit gewas (t.w. venkel) op matig vruchtbaren zaveligen, geheel open liggenden grond,   Ts. Nijverh. 1853, 1, 178.
Vandaar: zaveligheid.
Dat … de landstreek tusschen de Zee en de Stad Gaza, meerder aardachtig, vruchtbaar en kleyig is, en dat de zaverigheid en zandigheid meer aan de andere zyde van de Stadt gevonden word,   V. RANOUW, Kab. 5, 373 [1721].
Samenst. Zavelaarde (zie ald.).
Zavelbak (1), (steenb.) (Vl.-België) bak waarin zavel bewaard wordt.
  GOEMANS [1954].
  LIEV.-COOPM. [1955].
Zavelboer (1), (Belg.-Brab., Haspengouw) handelaar die langs de huizen trekt om zavel te verkoopen; vgl. zandboer.
Te Leuv. is een zavelboer: een die met de zavelkar rijdt, zavel aanhaalt of zand verkoopt,   SCHUERM. [1865-1870].
  RUTTEN [1890].
  GOEMANS [1954].
Zavelgracht, zandgroeve. Slechts in het aangeh. wdb.
Sauelkuyl, sauelgracht. Sablonniere. Sabuletum, arenariæ,   PLANT. [1573].
Zavelgrasland (1), (stuk) grasland op zavelgrond, tgov. kleigrasland en drasgrasland.
Van de Klei- Dras- en Zavelgraslanden ieder in 't byzonder (paragraaf in een landbouwkundig schoolboek),   Verh. Maatsch. Landb. 5, 2, 50 [1786].
Zavelgrond (zie ald.).
Zavelkar (1), (Vl.-België) kar waarmee men zavel vervoert.
  SCHUERM., Bijv. [1883].
  TEIRL. [1922].
  CORN., Bijv. [1938].
  GOEMANS [1954].
  LIEV.-COOPM. [1955].
Zavelkist, (loodg.) kist waarin het zand bewaard wordt dat voor het gieten bestemd is; zandkist, zandbak.
  V. HOUCKE, Loodg. 871 [1902].
Zavelklei, hetz. als zavel, 5). Eenmaal aangetroffen.
Hier is heel Scheveningh verschenen t'mijner baet En heeft mijn savel-kley met schelpen-gruys gestraett,   HUYGENS 1, 369 [1651].
Zavelkleigrond.
Het grootste gedeelte der gemeente … bestaat uit vruchtbare zavelkleigronden. In het zuidelijk deel bevinden zich zwaardere kleigronden,   Onderz. Landb. 1886, 22, 4 [1890].
Zavelkuil (zaverkuil) (1), kuil in den grond die ontstaat door het afgraven van zavel; zandkuil. Veroud., behalve in Vl.-België.
Arenáriae. Sablonnieres. Sauelkuylen, Santgrachten,   Dict. Tetragl. 24 d [1562].
  HALMA [1710].
Zavelkuil, sablière où se trouve du gravier,   AGRON en LANDRÉ [c. 1813].
  V. DALE [1872 ].
  RUTTEN [1890].
  GOOSSENAERTS [1958].
— Deze (zekere soorten keisteen) worden veel gevonden in zant, of zaverkuilen, en aan rotzige en klippige boorden der rivieren,   V. RANOUW, Kab. 8, 1, 49 [1723].
Zavelland. Nog slechts in Vl.-België. 1°. Zandgrond.
Arenaria terra. Zauel land. Terre sablonneuse,   PALUDANUS 4 a [1544].
  LUYTHON 5 b [1555].
  W.V.D. 1, 1, 49 a [1979].
2°. ”De grond(laag) onder de bouwnerf in zandachtige gronden” (W.V.D. 1, 1, 48 a [1979]).
Zavelleurder, (Vl.-België) zandverkooper; zavelman.
  TEIRL. [1922].
  LIEV.-COOPM. [1955].
Zavelmagazijn (1), (Vl.-België) winkel waar men in groote hoeveelheden zavel verkoopt.
  SCHUERM., Bijv. [1883].
Zavelman (1), (Vl.-België) man wiens beroep het is zavel te verkoopen; zavelleurder, zavelverkooper.
  TEIRL. [1922].
  LIEV.-COOPM. [1955].
— Dat eenen ballinghe in masquarade kleederen present is geweest als wanneer Cisten den boer vermoort heeft eenen savel-man,   bij LIEV.-COOPM. 1764 b [1726].
Zavelmeester, beambte die de leiding heeft van de straatmakers. Sinds lang veroud.
Soo wanneer de savelmeesters sullen laten ghebieden de straeten te maecken, soo sal elck ingheseten hem reguleren, volghens het selve ghebodt, ter ghesetter uren ende plaetsen … te compareren, den stercksten uytten huyse, met alsulcken wapenen als de selve savelmeesters sullen ordineren,   Cost. v. Antw. 7, 300 [Mol, 1633].
Zavelpad, (Vl.-België).
Zonder dat Mieken het gewaar werd, stapte Willem Van den Bosch achter haar op het gele zavelpad,   SEGERS, Wonderd. 17 [1913].
Zavelpapier, (Vl.-België) schuurpapier.
  RUTTEN [1890].
  V. KEIRSBILCK, Timm. [1898].
  V. HOUCKE, Loodg. [1902].
  TEIRL. [1922].
Zavelperceel.
Op het groote zavelperceel, dat jaarlijks met chilisalpeter, zwavelzuren ammoniak en ammoniumnitraat bemest wordt, werden in 1913 boonen verbouwd,   Versl. Landb. 1914, 5, 7.
Zavelput, hetz. als zavelkuil.
  DE BO [1873].
  TEIRL. [1922].
  GOEMANS [1954].
  LIEV.-COOPM. [1955].
  W.V.D. 1, 1, 69 a [1979].
Zavelschip (1), (Vl.-België) schip waarmee men zavel vervoert.
Zavelschipper (1), pers. wiens beroep het is per schip zavel te vervoeren. Veroud.
Pieter Vlietinck Savel schipper,   bij LIEV.-COOPM. [1725].
Zavelsteen, (Vl.-België). 1°. Slechte straatsteen die gemakkelijk in stukken breekt en in zavel uiteenvalt.
Zavelsteen. Verrotte straatkei, kalsijdesteen die gemakkelijk morzelt en in zavel verandert, pavé pourri,   DE BO [1873].
  GOEMANS [1954].
2°. In O.-Vl. ook ter aand. van een steen of kei van zandsteen in het veld.
  W.V.D. 1, 1, 52 b [1979].
Zavelstreek, (gewest. in Vl.-België).
  RUTTEN [1890].
  TEIRL. [1922].
Zavelweg, (Haspengouw).
  RUTTEN [1890].
Zavelwinkel (1), (Vl.-België) gebouw waar men in het klein zavel verkoopt.
  SCHUERM., Bijv. [1883].

Aanvulling bij ZAVELI

Samenst. Zavelkot, bergplaats voor zand; zandhok. Gewest. in Vl.-België.
Zavelkot, kot waarin men zavel bewaart,   TEIRL. [1922].
  GOEMANS [1954].
Zavelkot. Zandkot: bergplaats in steenbakkerijen, waar men het droog zand legt,   LIEV.-COOPM. [1955].
  W.B.D. 1, 1, 39 a [1967].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1993.