Koppelingen:
Vorig artikel: ZELFWERKEND Volgend artikel: ZELFWERKZAAMHEID

ZELFWERKZAAM

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: zelfwerkzaam

— eert. ook ZELFSWERKZAAM —, bnw. Uit zelf (II) en werkzaam.
—  (Wijsb.) Uit eigen innerlijke oorzaak of kracht handelend of werkend; actief.
Zo dra men slegts den naam Mensch noeme, en onder denzelven een wezen verstaa, 't welk met een verstandelijke denkkragt; met eene, als 't ware, na het verstand des Scheppers eenigzins flaauwlijk zweemend, scheppend en zelfwerkzaam vermogen bedeeld is …, dan ook noemt men reeds, met andere woorden, Kunst,   Handw. 13, 1 [1796].
Vrije daaden … zijn niet slegts daaden, die uit een inwendig beginzel voordkomen, en waar in wij zelfwerkzaam zijn; in onderscheiding van andere daaden, in welken wij ons, veelzins, slegts lijdelijk bevinden,   Mag. Crit. Wijsg. 1, 139 [1799].
Het is … geheel onwijsgeerig, van begrippen te spreken, als iets aan anderen mededeelbaar; als iets dat buiten betrekking tot onzen zelfwerkzaamen geest bestaat,   V. HEMERT in a.w. 4, 311 [1801].
Wat zeg ik? Handelen? Neen, geleid worden, zig lijdelijk, niet zelfswerkzaam, bepaalen laten door de natuurlijke oorzaaklijkheid van zijnen trek om gelukzalig te zijn,   KINKER in a.w. 6, 63 [1803].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1994.