Koppelingen:
Vorig artikel: ZINSLOT Volgend artikel: ZINSPEL

ZINSNEDE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: zinsnede

znw. vr., mv. -n. Uit zin en snede.
1.  (Veroud.) Komma.
Sneede, Zinsneede, Comma,   MOONEN, Nederd. Spraekk. ** 8 r° [1706].
  BUYS, Wdb. v. K. en W. [1778].
  BENAU, Ned. en Fr. Wdb. [1809].
— In het gemeen wordt de Zinsneede gebruikt achter alle andere Spraekdeelen, wanneer achter die het Voegwoort En wordt verzweegen, gelyk achter de Werkwoorden; als in, O Lucifer, die vroeg opgingt; die de volken quetste, in uwe harten spraekt,   MOONEN, Nederd. Spraekk. 345 [1706].
De Zinsnede, gemeenlyk Comma genoemt, wordt dus (,) geschreven,   V.D. PALM, Nederd. Spraekk. 3, 53 [1769].
2.  Deel van een volzin dat een logisch, afgerond geheel vormt.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
— Ik moest myne pen daar neder leggen; zo waaragtig is de laatste zinsnede; ik ging eens in 't ruime veld ademen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 261 [1784].
Ik verkies de ruime schepping boven 't eng studeerverblijf: 'k Acht het wand'len, 't rijden, 't zeilen, aangenamer tijdverdrijf Dan het turen op één letter, dan het ziften van één woord, Dan het stooten op een zinsneê die verband en rede stoort,   V. LENNEP, Poët. 5, 73 [1826].
Hij heeft zoo eeven eene zinsneê in dit of dat dagblad gelezen, en hij zal het gesprek zóó lang draaien, tot dat hij de zinsneê te pas brengt,   SNIEDERS 27, 1, 66 (ed. 1877) [1860].
Ik heb géén vrede met sommige zinsneden uit het — niet vertaald — voorbericht van den heer Kops. De schryver somt allerlei verbeteringen op, die in de laatste vyf-en-twintig jaar zyn tot-stand gekomen, en waaraan zyn ”werkje” — lees: het uit allerlei vreemde schryvers en schryvertjes byeen geharkte — niet vreemd is geweest,   MULTATULI 2, 2, 97 [1873].
Tevens schrapte men de tweede zinsnede. ”Hij benoemt en herroept de gezanten en consuls” omdat dit recht reeds in de voorafgaande woorden lag opgesloten,   BUYS, Grondw. 1, 202 [1883].
Al die fraaie aansporingen … hadden op de tijdgenooten van den weelderigen Karel II … al even weinig vat, als op ons geslacht de zinsneden van een sierlijk bewerkt prospectus,   QUACK, Soc. 1, 166 [1899].
3.  (Muz.) Elk van de (meestal twee of drie), uit verschillende maten bestaande, deelen van een muzikalen volzin of periode die op zichzelf een eenheid vormen.
  Muz. Wdb. [1855].
  MELCHIOR, Wdb. d. Toonk. [1890].
— Als … de echo niet éénen kreet, niet één woord, niet ééne enkele noot herhaalt, gelijk alle echo's doen, maar geheele muzikale zinsneden wedergeeft, en als geheel alleen in de verte zijn lied zingt, is de indruk onweerstaanbaar,   BERGMANN, Nov. 208 [1838].
4.  Volzin.
Zoo ontmoet men in datzelfde verhaal wegens de overwintering der Hollanders op Nova Zembla met genoegen zinsneden als de volgende: ”Den eersten Mei kookten zij hun laatste vleesch, dat zij lange gespaard hadden, en was nog zoo goed, dat de laatste beet hun zoo wel smaakte als de eerste, doch 't had evenwel dezen mangel, dat het niet langer duren wilde”,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 15 [1846].
Daarin komt de zinsnede voor: ”Ketters en scheurmakers en oproerigen tegen onzen Heer of zijne opvolgers zal ik naar mijn vermogen vervolgen en bestrijden”,   FRUIN, Geschr. 10, 126 [1853].
Ik wenschte dat we ons haar konden voorstellen als iemand dien men geleerd had zinsneden te ronden, of nagenoeg, en die dus heden-ten-dage had kunnen optreden als auteur,   MULTATULI 6, 292 [1873].
Hij zou in een uitvoerige rede er nogmaals op aandringen, dat de regeering van Dordrecht zich zou voegen bij de meening der zes gewesten, terwijl hij tot sloteffect gebruik zou maken van een zinsnede, woord voor woord door den Prins in overleg met de heeren vastgesteld,   DE BEAUFORT, Geschiedk. Opst. 1, 79 [1889].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1995.