Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: ZOMMIG Volgend artikel: ZOMP II
GTB Woordenboeken: MNW

ZOMPI

Woordsoort:

Modern lemma: zomp

ZOMPE, ZUMP —, nevenvorm van somp (I). Zie derhalve dat art. en nog de volg. aanvullingen. Het woord hangt mog. samen met zwam en zou dan eig. ‘zwammige, sponzige, poreuze grond’ beteekenen: zie hierover verder de etym. wdb. s.v. zomp en zwam. Zie ook nog ZIMPEREN en het daar over zomp opgemerkte. De bet. 3 t/m 5) bevatten voldoende bet. -overeenkomst met de eerste twee bet. om er hetz. woord in te zien. Van de bet. 6) is dat echter minder zeker. Voor de bet. 7) is onzeker of het wel om hetz. woord gaat.
1.  Bij somp (I), 1).
Zomp. Dit woord wordt hier niet alleen gebruikt in de oorspronkelijke beteekenis van een moeras, maar ook in die van eene laagte of eene vochtige plaats in het algemeen,   HOEUFFT [1836].
Zump, Zie zomp,   SCHUERM. [1865-1870].
Zompe. Hetzelfde als Somp, in de Wdb., fr. marécage; bourbier; eng. swamp,   DE BO [1873].
Zomp, lage waterige plaats,   O. Volkst. 2, 241 b [Limb., 1885].
Zomp, … moeras,   DORREN [1918].
  V.D. HEIJDEN [1927].
Zompe, moerassige grond,   TER LAAN [1929].
  KATS 56 [1939].
Zompe, laag, drassig land, dito plek in weide of bouwland,   GHIJSEN [1964].
  W.B.D. 1, 2, 195 b [1967].
  DEUNK en ENTJES [1971].
Zompe; moeras,   DESNERCK [1972].
Zômp: moeras en eveneens moerasachtige grond,   BEENEN [1973].
  V.D. VOORT [1973].
  SCHELBERG [1979].
  W.V.D. 1, 1, 30 a [1979].
Zomp, laagste deel aan de rand van een veld, dat een mindere opbrengst geeft, of drassige laagte meestal in weiland,   1, 1, 33 a [1979].
  CROMPVOETS, Veenderijterm. 203 [1981].
— Dat huis ligt in een' zomp,   HOEUFFT [1836].
De dampen, die zich uit zompen en moerassen ontwikkelen, maken niet alleen de lucht koud; maar zij oefenen menigerlei nadeeligen invloed op de planten, welke in derzelver omtrek groeijen,   Vriend Landm. 1, 216 [1837].
De elzenhouten stammen zie 'k, verzopen onder 't gers der natte zompe, allengerhand ze leêg- en droogepompen,   GEZELLE (ed. BAUR) 2, 372 [1895].
Z' hadden in dien hof de voren juiste keeraafsch gedolven m 't water of te leên en in 't voorjaar dat was zuiveruit een waterpilse. — d.i. als een zompe of zomperinge, moerasscherie,   Verz. GEZELLE [Brugge, voor 1899].
't Land ligt doorgrinseld als een zompe, 't wordt allangs om natter,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 4 [1907].
Daar komt ginds … een lompe donkerbruine vogel, laag, met plompe vleugelslagen, traag … wegscherend over meersch en zompe,   R. DE CLERCQ, Ged. 21 [1907].
Kijk, daar is er een reiger die uit gindsche zomp met een kik-vorsch weg-wiekt,   V.D. WOESTIJNE, Proza 100 [1908].
2.  Bij somp (I), 2).
Zomp, somp, doornatte turf,   TER LAAN [1929].
  CROMPVOETS, Veenderijterm. 175 [1981].
3.  Rioolput of mestgeul. Gewest. in Zeel.
  GHIJSEN [1964].
4.  Groote plas die blijft staan na een regenbui of in het alg. flinke hoeveelheid water. Op Goeree.
In de kerketras (regenbak v. d. kerk) stôôt midden in de zeumere nog 'n zompe waeter,   GHIJSEN [1964].
5.  (W.-Vl.) Waterig slijk.
E zompe inhén: veel slijk in het net hebben,   DESNERCK [1972].
6.  (Vl.) Graszode.
  W.V.D. 1, 1, 123 b [1979].
7.  (W.-Vl.) Zie de aanh.
Zompe, … Een klomp van drie, vier of meer aaneenklevende steenen van eenen afgebroken muur. Met zompen metselt men somwijlen het solement van een gebouw,   DE BO [1873].
  V. KEIRSBILCK, Mets. [1899].
Afl. Zompeling. Nevenvorm van sompeling. Zie SOMP (I), Afl. en nog de volg. aanvullingen.
Zompeling, moeras,   SCHUERM. [1865-1870].
Zump, zumpeling, enz. Zie zomp, enz.,   SCHUERM. [1865-1870].
Zompeling, sompeling. Moeras, fr. marais,   DE BO [1873].
Zompelinge. Natten hoek van een slik, moerassige grond,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
  W.V.D. 1, 1, 30 a en 33 b [1979].
— Er liggen veel zompelingen in dat gewest,   DE BO [1873].
Dat land is drassig gelijk eene zompelinge,   DE BO [1873].
As je waterwild schiet, 't zit seffens in de zompelinge,   Verz. GEZELLE [Zedelgem, voor 1899].
Zompen.
1°. Met zompen (7) metselen. In W.-Vl.
Zompen. Iets met zompen metsen, d. i. met klompen aaneenklevende steenen van een afgebroken gebouw,   DE BO [1873].
  V. KEIRSBILCK, Mets. [1899].
— Eene grondvest zompen,   DE BO [1873].
2°. Sijpelen. Gewest. in Vl.
't Water zompt van die hoogte alhierwaard,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
3°. Door ondiep water waden, pootje baden. In het Ze., in de vormen zompen en zommen.
Zomme(n), door ondiep water waden, pootje baden,   GHIJSEN [1964].
— à m'n vroeger mè(t) schorre gienge deeë m'n aoltied zomme,   Ald.
't Sompt onder je voeten: het water sopt, welt op onder je voeten,   Ald.
Hierbij(?): zompstap, groote, zware stap.
Het kind zag hem omdraaien en met groote zompstappen het hagenpad uitgaan,   SCHART.-ANT., Sprotje 1, 80 [1905].
Zomperen, krachtig sijpelen. In Vl. Vgl. ZIMPEREN.
Zomperen, wat meer als zimperen,   Verz. GEZELLE [voor 1899].
— 't Water zompert op de Meernt, zwèèft,   Ald.
Zompering, hetz. als zompeling.
  W.V.D. 1, 1, 30 b [1979].
Zompetig, moerassig, drassig. In Z.-Limb.
Zómpetig en zómpig, moerassig,   ENDEPOLS [1955].
  SCHELBERG [1979].
  CROMPVOETS, Veenderijterm. 207 [Maastricht, 1981].
Zompig (zie ald.).
Samenst. Zompgrond, moeras; laaggelegen, moerassige, vochtige of veenachtige grond. Gewest.
Zompgrond, moeras,   DORREN [1918].
  W.V.D. 1, 1, 27 b [1979].
  CROMPVOETS, Veenderijterm. 204 [1981].
Zompepitje, het zinkputje van den gootsteen, of buiten op de plaats. In Zeel.
  GHIJSEN [1964].
Zompescheel, deksel van het rioolputje. In Zeel.
  GHIJSEN [1964].
Zompestuk, drassig stuk land. Gewest. in Vl.
  W.V.D. 1, 1, 30 b [1979].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1996.