Koppelingen:
Vorig artikel: ZONNESPECTRUM Volgend artikel: ZONNESTEEK

ZONNESTAND

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: zonnestand

znw. m., mv. -en. Uit zon en stand, als vert. van lat. solstitium. Niet in Mnl. W. Eert. soms (m.n. in de 16de e.) ook wel eens met zon- of zonnen- als eerste lid.
+1.  (Sterr.) Zonnestilstand; solstitium; zonnewende. Inz. meton. in den zin van oogenblik waarop, periode waarin deze zich voordoet resp. plaats, punt op de ecliptica waar de zonnestand plaats vindt (in deze laatste opvatting niet zelden in het mv.); vgl. zonnestilstand, 2 en 3).
Sonnen standt, als de sonne ten hoochsten is in den somer, oft ten nedersten in de winter,   PLANT. [1573].
Sonnen-stand. Solstitium,   KIL. [1588].
Zonne stand, de tyd in welke de zon in zyn grootste verwydering van de dag en nagt evenaar is,   MARIN [1701].
Zonnestand, vooral de tijd, wanneer de zon op het hoogste (Junij) of op het laagste (December) is en eenige etmalen stil schijnt te staan, zoo dat de dagen schier niets korten noch lengen,   BOMHOFF [1857].
Zonnestand, solstitium, is het oogenblik, waarop het middenpunt der zon, in haren schijnbaren jaarlijkschen rondloop aan den hemel, den grootsten afstand van de evennachtslijn bereikt,   W. GEYSBEEK, Wdb. Zam. [1861].
  V. DALE [1872 ].
— Noortsche Sonstant is t'middelste punt des halven duysteraers tusschen de Lentsne en herftsne die na t'noorden vvijckt: Haer teghenoverpunt heet Zuytsche Sonstant,   STEVIN, Gedacht. 1, 349 [1608].
Dat de beginselen van Cancer ende Capricornus worden genoemt Solstitia ofte Sonnestanden, als of de Sonne aldaer stille stont; is geseyt, niet ten aensien van syn ganck door de Ecliptica; maer van syn afwijcking van de Equator,   BLAEU, Tweev. Onderw. 1, 30 [1634].
Deze wijzerplaten (die van zekeren nieuwen tijdmeter) duiden aan: de 1e de seconden, de 2e de uren en minuten …, de 18e de graden van daling der zon, de evennachten en zonnestanden enz.,   Schatk. v.a. St. 1848, 5.
Als de zon een der twee Keerpunten bereikt, verandert haar afstand tot den Aequator, d.i. hare Afwijking, zeer langzaam, en van daar worden die punten ook wel Zonnestanden of Solstitiën genoemd,   KAISER, Sterrenh. 2, 70 [1853].
2.  (Tuinb.) Stand van planten, boomen e.d. ten opzichte van de zon.
Dat ze (zekere boomen), op eene verkeerde zonne-stand geplant zynde, van natuure genegen zyn tot haere oude Zon-zyde te keeren,   DE LA COURT V.D. VOORT, Landh. 64 [1737].
De Zonnestand die op het Oosten ziet is zeer bekwaam voor fyne en tedere Vrugten, als Persikken, Apricosen, fyne Peeren &c., om dat ze de vroege Morgenzon geniet, die veel toebrengt tot de deugd der Vrugten,   Burger-Thuinb. 69 [1769].
3.  Stand van de zon aan den hemel.
  BOMHOFF [1857].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
— Hij (de waarnemer) kan uit het zichtbaar zijn van een bepaald verschijnsel, b.v. bijzonnen, opmaken dat een zekere stand der ijsnaaldjes in den dampkring overheerschend is, en hieruit kan hij weer afleiden dat een ander verschijnsel, b.v. de circumzenithaalboog, die dezelfde ijskristalletjes vereischt, ook zichtbaar kan zijn en dat de kans om een geheel ontwikkelden kring te zien, niet zeer groot is. Ook de zonnestand speelt daarbij een belangrijke rol,   Alb. d. Nat. 1898, 1, 309 [1898].
Naast haren dagelijkschen gang vertoont de bestraling, en bijgevolg ook de temperatuur van het aardoppervlak nog een jaarlijksche periodieke verandering, een jaarlijkschen gang. De bestraling heeft daarin haar maximum op 21 Juni, den langsten dag, tevens dien van den hoogsten zonnestand; en haar minimum op den kortsten dag, d. i. 22 December,   V. GULIK, Meteorologie 25 [1910].
Afl. Zonnestandig.
Sonne-standigh. Solsticial, solsticiale,   Wdb. Ned. e. Fr. T. [1707].
  SEWEL [1766].
  BENAU, Ned. en Fr. Wdb. [1809].
  V.D. VELDE en SLEECKX [1861].
Samenst. Als tweede lid o.a. in: winterzonnestand, zomerzonnestand.
Als eerste lid o.a. in: Zonnestandshoogte, hoogte waarop de zon zich aan den hemel bevindt.
Zonnestandshoogte. Hauteur solsticiale,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
  KUIPERS [1901].
Zonnestandspunt, hetz. als zonnestilstandspunt (zie ZONNESTILSTAND, Samenst.); vgl. ook hierboven bij de bet. 1).
  Ned.-Hoogd. Wdb. [1846].
Zonnestandspunten. Point solsticiaux,   KRAMERS, Ned.-Fr. Wdb. [1862].
  V. DALE [1872 ].
— Koluren (κóλος, verminkt; oρ, de staart), de twee declinatiecirkels, waarvan de eene door de evennachtspunten gaat, terwijl de andere loodregt daarop staat. Den eersten cirkel noemt men de koluur der nachteveningspunten, en den laatsten dien der zonnestandspunten,   C. DE JONG, Handwdb. 237 a [1869].
Zonstandring, ter aand. van elk der beide keerkringen.
Deeze (”zucht om zoet gewin”) heeft allereerst de Lusitaensche schepen Niet min met stout bestaen dan schrander overleg Afryken omgeruckt langs noit verzochten weg, Den grooten Evenaer en bei de Zonstandringen Op 't hobbelende zout grootmoedig deur doen springen,   DE DECKER 1, 135 [1666].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1996.