Koppelingen:
Vorig artikel: ZWACHTELEN Volgend artikel: ZWADDE I
Gewestelijke variatie: TNZN
GTB Woordenboeken: MNW

ZWAD

Woordsoort: znw.(o.,v.)

Modern lemma: zwad

ZWADE, ZWADDE, ZWAAI, ZWA enz. —, znw. onz. en vr., mv. -en. Mnl. swat (onz.); mnd. swat, nnd. (oorspr.) swat, swad, swath; nhd. schwad; oeng. swaeđ, neng. swath; fri. swé; on. svađ. Daarnaast oorspr. vr.: mnl. swade, mnd. swade, nnd. swade; oeng. swađu; ohd. swade, nhd. schwade (vormen met lange a in dial. kunnen overigens ook op gerekte a uit de verbogen vormen teruggaan). De etym. is onzeker. Men gaat wel uit van een grondbet. `door snijden getrokken spoor' (vgl. D.W.B. 9, 2169, O.E.D. s.v. swath, DOORNK. KOOLM. s.v. swad); door FRANCK-V. WIJK wordt o.a. verband gelegd met zwade ‘zeis’ (zie bij ZWADE (I)). Zie voor een aantal mog. verklaringen verder J. DE VRIES, N.E.W. Ten gevolge van de onduidelijke etym. is het niet met zekerheid vast te stellen of de bet. 1) of de bet. 3) de oudste bet. is. Naast zwad en zwade, die tot de standaardtaal gerekend worden, zijn in de dial. o.a. ook de volg. vormvarianten in gebr.: zwadde (ook zwatte) in Vl.-België, Zeel. en de Saksische streken van Nederl. (vgl. b.v. DE BO [1873], GHIJSEN, GALLÉE); zwaai in het O. en het Z. van het taalgebied (vgl. b.v. V. SCHOTHORST, SCHAARS [1977], JOOS [1900-1904], CORN.-VERVL., O. Volkst. 2, 234 b, BEENEN); zwa (ook zwo) in Vl.-België en in Geld. en Ov. (vgl. SCHUERM. [1865-1870], DE BO [1873], TEIRL., Taalk. Mag. 3, 68 en EBBINGE WUBBEN); verder nog zwaad (vgl. b.v. SEWEL, PIPERS, PANNEKEET); zwaan, zwan (LIEV.-COOPM.), zwane (BEZOEN in Dm. B. 1953, 23); zwage (Loquela (Wdb.) [1907]), zwog en zwots (GOOSSENS, Landb. Belg.-Limb. 1, 112 [1963]); zwak (Nav. 10, 380 b [Z.-Bev., 1860]). De vorm zwee in Gron. (vgl. TER LAAN) is ontleend aan het Friesch. Zie over het woord verder ook nog GOOSSENS, a.w. 93 e.v. en SCHAARS, Agrar. Termin. in O.-Geld. 77 en 149 [1977]; voor een taalkaart zie men HEEROMA, Taalatlas O.-Nederl., kaart 2.
1.  Breedte die een maaier met één slag van een zeis kan bewerken; ook: kale strook van deze breedte die door maaien is ontstaan. Vgl. ook de bet. 2).
Zwat, de ruimte van zo verre de seissen kan mayen,   V. HALSEMA, Gron. Wdl. in Dm. B. 1953, 81 b [1776].
Zwa, breedte, die een grasmaaijer in eens afmaait,   Taalk. Mag. 3, 68 [Geld., 1840].
  BOMHOFF [1857].
Zwa …, 't zelfde als: zwad, zwade, zwaai, dat is de breedte van den weg of der plaats welke een grasmaaier in eenen zwaai of trek afmaait. (Overal in 't Zuiden ook in Gelderl.),   SCHUERM. [1865-1870].
Zwad, zwat …, de kale stroken, waar het gras is afgemaaid,   MOLEMA [1887].
Zwad, gang gemaekt duer den maeijer als hy t' enden 't maeigras komt,   Verz. GEZELLE [Loo, voor 1899].
Zwaai, deurgang v.d. zeisem,   als voren [Boutersem, voor 1899].
+2.  Naam van een oude landmaat met een breedte als onder 1) genoemd, d.w.z. gewoonlijk 7 à 8 voeten of 21/2 m, en een niet precies bepaalde lengte; ¹/ van een mad. Zie ook BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1858 [1907].
De grootte die ghespecifiert is by Zwaen, dat verstaet hem ghemeenlick van zeuen voeten breedden zonder juyste linghde: want een Zwat is alzo veel breedden als een Maeyer met zijnder zeyssen gezwieren magh, ende alzo langhs henen voortgaende door zulcke meersschen daer yemandt met zwaen inne gherecht is,   DE BUCK, Coopl. Handtb. 73 [1581].
  BOEKENOOGEN [1897].
't Swad werd gerekend op 21/2 m breedte,   TER LAAN [1952].
— In Vlaenderen en elders zijn Renten van een Swaen, 2 ofte 3 in een anders landt, verstaet het van 7 voeten breet, soo veel een Maeyer kan recken, Tresoor d. Gew. enz.   144 [1668].
+3.  Rij, regel van afgemaaid gras, koren of ander gewas.
Fœni strigaHew heufflen ordentlich ghestelt. Ein swad oft reck hoys naer malcander. Monceaus de foin par ordre,   JUNIUS, Nomencl. 143 b [1567].
Swade, fris. holl. sicamb. Fœni striga: ordo demessi fœni, ita vt stratum in pascuis iacet,   KIL. [1588].
Zwane …; ook 't gras 't welk gemaaid en ongekeerd ligt,   in Dm. B. 1953, 23 [Ov., c. 1780].
Zwadde. Hetzelfde als Zwade, fr. andain,   DE BO [1873].
Swad, zwad, rij gemaaid gras of gezichte schoven,   TER LAAN [1952].
Zwad(de) snede (rij) neergelegd gras, klaver, graan,   GHIJSEN [1964].
  SCHAARS, Agrar. Termin. in O.-Geld. 77 [1977].
  PANNEKEET [1984].
— Als dan nu de Maaijers te gelijk maaijen, en … gelijken slag houden, dan laat elke Maaijer geregeld zijne grashoopen of zwad achter zich liggen,   BERKHEY, N.H. 9, 195 [1811].
Bij de hooijing moet men voorzigtig te werk gaan, ten einde zoo min mogelijk blad te verliezen, dat de meeste voedingsdeelen bevat en moet men daarom de zwaden slechts even omkeeren met een schudgaffel en niet uit een strooijen,   Ts. Nijverh. 1852, 2, 51.
Aldus moest hij weder tot het harken afzakken, en het ééne ”zwadje” na het andere omkeeren (er is sprake van hooien),   E. Haard 1885, 308 b.
Aan het uiteinde van den vingerbalk (aan een maaimachine) is voorts een staaf of schoen bevestigd, die het af te snijden gras van het overige scheidt, en een bord, dat het afgesnedene tot een zwad bijeenbrengt,   REINDERS, Landb. 2, 45 [1893].
Is het hooi droog, dan gaat men de zwaa (mv. v. zwad) een voor een van de beide eindpunten naar 't midden toe opschuiven met de lange harke,   Dm. B. 1906, 51.
Waar de maaiers gister voorbij gingen, stonden de meiden nu, een heele bende met de bloote beenen in 't gemaaide gras. Vol lust en leven lieten ze de armen gaan, zwaaiden de vork — vingen er de groenigheid op de scherpe glimmende pinnen, striebelden de zwaden open enz.,   STIJN STREUVELS, Vlaschaard 161 [1907].
'n Zwa ges (gras), 'n zwa klavere,   TEIRL. [1922].
Op die weij ligke fieftig zjwaaje graas, op die weide liggen vijftig rijen gemaaid gras,   BEENEN [1973].
4.  Hoeveelheid gras e.d. die door één slag met een zeis wordt afgemaaid; snede gras.
Swat. Autant qu'on abat d'vne faucille à vn coup,   PLANT. [1573].
Zwat, zooveel als met elke streek der zeis gemaaid wordt,   LESTURGEON in Dr. Volksalm. 1844, 171. V. DALE [1872 ].
  BOEKENOOGEN [1897].
Eene zwa is eene ende gers, die in eenen trek met de zeisem wordt afgedaan, en zikkelwijsde nedervalt,   Verz. GEZELLE [Izegem, voor 1899].
Zwaai. (Boer) Hoeveelheid klavers of gras die men met eenen trek der zeisen afmaait,   JOOS [1900-1904].
  CORN.-VERVL., Aanh. [1906].
  KARSTEN [1934].
  BROEKHUYSEN 14 [1950].
  LANDHEER [1955].
  SCHAARS, Agrar. Termin. in O.-Geld. 77 [1977].
  PANNEKEET [1984].
— Hij slaat een groot zwad,   BOEKENOOGEN [1897].
'k En kon nog maar eene zwa of drie gemaaid hebben, als ik ne nest vond met drie veugeljonskes, die nog maar vesch gekipt waren,   Verz. GEZELLE [Izegem, voor 1899].
+5.  In ruimeren zin: geheele opbrengst van een hooiland; ook het gewas zooals het er bij staat voor het gemaaid wordt. Inz. in verb. als een goed, mooi, dik zwad e.d.
Een mooy, en dik zwad beteekent een mooy overvloedig gewas,   aant. v. H.C. V. HALL [c. 1855].
  BOEKENOOGEN [1897].
Een mooi zwad, een aerdig zwadje, een mooie snede gras,   aant. v. A. BEETS [Heiloo, c. 1900].
  DE VRIES, Westfri. Woorden [1909].
— Van dat land is 'en goed zwad 'ekomme, een flinke snede,   BOEKENOOGEN [1897].
We hewwe 'en flink zwad hooi,   Ald.
6.  Slag, streek van een zeis.
Zwane. Eene slag of streek met de Zenne in 't grasmaaien,   in Dm. B. 1953, 23 [Ov., c. 1780].
Zwad(e), zwog, zwogge, zwaai met de zeis,   ENDEPOLS [1955].
+7.  Strook of rij die vergelijkbaar is met een zwad in de bet. 1 en 3).
Afl. Zwaden (zie ald., het 2de art.).
Samenst. Zwadbalk. In Gron.
Zwatbalk; de rug tusschen de stroken van het afgemaaide gras,   MOLEMA [1887].
Swadbaalk, de scheiding tussen twee swoaden gras; 't gras blijft daar altijd iets hoger staan,   TER LAAN [1952].
Zwadhalen. In W.-Friesl.
Swadhale. Het onkruid en de afgevallen bladeren onder een hoopje aarde tussen de bessebomen bedekken,   KARSTEN [1934].
  PANNEKEET [1984].
Zwadkam, hetz. als zwadbalk. In Gron.
Zwatbalk; de rug tusschen de stroken van het afgemaaide gras, te Haren o.a. zwetkam genoemd,   MOLEMA [1887].
Zwadkeerder.
1°. Gewest. ben. voor den beugel van de zeis.
  V. VESSEM, Oogstgerei 90 [1956].
2°. Werktuig om gemaaid gras dat in zwaden (3) ligt te keeren, zoodat het beter kan drogen.
Zwaadkeerder. Werktuig, z. hooischudder,   PIPERS, Landb.-wdb. [1911].
De ”zwadkeerder”, gebruikt om het in rijen of zwadden gelegde hooi te keren,   ELOY, Oud Landbouwger. 334 [1983].
  PANNEKEET [1984].
— De adviezen over werktuigen betroffen de volgende onderwerpen …: ploegen, eggen, … hooischudders, zwadkeerders enz.,   Versl. Takken v. Dienst Landb. 1915, 7.
Zwadkeeren.
Swadkere. (Met de machine) stroken gemaaid gras keren,   PANNEKEET [1984].
Zwamaad, zwanoot (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1997.