Koppelingen:
Vorig artikel: ZWADDERIG II Volgend artikel: ZWADE II
Gewestelijke variatie: TNZN
GTB Woordenboeken: MNW

ZWADEI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: zwade

ZWA, ZWAAG, ZWADDE —, znw. vr., mv. -n. Mnl. swade; mnd. swade, nnd. swade; fri. swe; ohd. swade, nhd. schwade. De etym. is onzeker. Het woord zal wel samenhangen met zwad (zwade) `hoeveelheid gras die in één keer met de zeis is afgemaaid' of ‘rij afgemaaid gras of graan’ (zie ZWAD). Bij FRANCK-V. WIJK 832 a wordt de mogelijkheid geopperd van een gemeenschappelijk idg. basis voor beide woorden: *swet-, *swot- of *swo- ‘strijken over iets’ (vand.: ‘maaien, glijden’) met een formans -to-, -tâ-, *swe-, bases die echter van elders niet bekend zijn. HEEROMA leidt het woord af van een naast zwad opgekomen ww. zwaden ‘maaien, zwadsnijden’ (zie Dm. B. 10, 25-26 [1958] en ZWADEN (I)), maar de chronologie en de geringe frequentie van dat woord doen eerder een omgekeerde verhouding veronderstellen. Het woord is van oost. herkomst en is in Gron. Dr., het O. van de Graafschap en in den Achterhoek (Winterswijk) nog in versch. vormen in gebr., vooral in den door syncopeering van d ontstanen vorm zwa (zwao, zwoa); een opvallende g in den auslaut vertoont zwaag (zie voor de ontwikkeling -d- > j > g > χ WEIJNEN, Verg. Klankl. Ned. Dial. 136 [1991]); KIL. vermeldt ook een vorm zwate; een vorm zwadde wordt (onder invloed van zwad?) gebruikt door BERKHEY, N.H. 9, 188 e.v. [1811] als ben. voor het blad van een zeis. Zie voor uitgebreidere informatie verder: V. VESSEM, Oogstgerei 95 e.v. [1956]; art. van NAARDING en HEEROMA in Dm. B. 9, 97-103, 104-114 [1957] en 10, 23-26 [1958], T. & T. 15, 170-171 [1963]; Taalatlas 1, afl. 1, n° 13. Vgl. ook nog SCHILLER-LÜBBEN en DOORNK. KOOLM. s.v. swade.
+1.  Zeis, vooral van een grooter, zwaarder type met een breed mes en twee gebogen krukken als handgrepen, inz. voor het maaien van gras.
Een Seyssen, swade, leen, zende. Vne faulx, ou faucille. Falx fœnaria,   PLANT. z 4 r° b [1573].
Swade, fris. hol., sicamb. j. seysene. Secula, falx,   KIL. [1588].
  MEYER, Woordenschat [1669].
Zwade, Euphon: Zwaeye, secula, falx,   L. TEN KATE, Aenl. 2, 723 a [1723].
  WEIL. [1811].
Zwa, of zwaa, ook zwade; zeis,   LAURMAN 83 [1822].
  LESTURGEON in Dr. Volksalm. 1844, 171.
Zwoa, zwoag, zeissen,   MOLEMA [1887].
  TER LAAN [1929].
Zwaa, zeis om gras te maaien. (Voor koren: zeiden of zichte),   DEUNK en ENTJES [1971].
  HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
— Anghesehen de bowmesteren voerwenden, dat tusschen de smeden ende Sijmen Lamberts van den erbaren borgermester Albert Coenrades der genomen swaden halven eene sententie ende kennonghe ghegeven, ende gemelte Sijmen sich up dsulve sententie, neet voer rechte comparerende, beclaget, koennen daerumme B. ende R. voer dit maell in der saecken neet kennen,   ALTING, Diarium 90 [1558].
B. ende R. mitter S.M. hebben den bouwmesteren ende smeden der swaden halven, so int Goerecht verkofft moegen worden, ingesecht, dat enz.,   138 [1564].
Geen kinkelsbrein zoo stug, dat niet de sneê En slag der zwaden Beproeft, en keurt, in 't vellen van zyn gras,   TRIP, Tydw. 1, 171 [1764].
Dit woord zwad of zwad liggen, heeft zijn oorsprong van het ijzeren snijtuig, het welk men oudstijds en nog heden de zwadde heet, in den zin van een snijdend mes of sikkel, zijnde beide kromme messen tot hooi- en koornmaaijen geschikt, doch waarvan de zwadde bijzonder dienstig is tot het maaijen van het hooigras,   BERKHEY, N.H. 9, 188 [1811].
Met de thans gebruikt wordende zigten of zeissen en zwaën werkt men zeker spoediger, dan met den sikkel der Oosterlingen, die slechts eenen, met de hand omvatten, hoop afsneedt,   UILKENS, Technol. 2, 8 [1813].
Het gras worde gemaaid, wanneer het zich meestal in bloei bevindt; de zwade ga gelijk en effen over den akker, niet te hoog noch te diep, en doe het gras in een geregeld zwad nêervallen,   UILKENS, Handb. Vad. Landhuish. 232 [1819].
De rogge wordt ook met de zwade, welke ik hier senne hoorde noemen, afgemaaid,   Ts. Nijverh. 1839, 132.
Vaader geet grøs meajen: hee hef de zwaa bi-j zik,   DEUNK en ENTJES [1971].
2.  Steel van een zeis. Vgl. ook Mnl. W. 7, 2464 s.v. swade. W.g., gewest. nog aangetroffen in den vorm zwee in Vl.-België (Wevelgem) en in den vorm zwa in Gron. (Sellingen).
Behalve de volgende unica zijn verder alle gegevens op kaart gebracht: be(I)n, de gèerd, hout, vgl. het noordelijker voorkomende (sichte)hout(sje) voor de steel van de zicht …, zwē, zwoa,   V. VESSEM, Oogstgerei 41 [1956].
3.  (Dr.) (Meton.) Ploeg van drie personen waarvan er een het maaien, een ander het verzamelen van de schooven en een derde het binden daarvan voor zijn rekening neemt.
  HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
— De grootste schapenhouders leveren een maaier en een ”weller” of binder, kleine schapenhouders slechts één persoon. De vereeniging van drie personen noemt men een ”zwa” of ”zwade”. Met vijf, zes zwaden wordt dan des schepers koren, meestal niet meer dan 4 à 5 mudden lands ongeveer, of ruim een Hectare, in een halven dag gemaaid en in hokken ter droging op het land geplaatst,   TIESING in Vragen v.d. Dag 16, 136 [1901].
Wij waarkten met elf zwao volk of drie 'n daarteg man,   bij HADDERINGH en VEENSTRA [1979].
Afl. Zwaden (zie ald., het 1ste art.).
Samenst. Zwaboom, steel van een zwade; vand. ook: zwade als zoodanig. Volgens MOLEMA ook: strijklat om de zwade te scherpen.
Striklat, zwoaboom; de lat, los aan eene zwade bevestigd, welke dient om het ijzer door herhaaldelijk strijken te scherpen; ook Dr.,   MOLEMA 410 b [1887].
— Wanneer men zich het boom-gebied van de steel-van-de-zeis-kaart uitgetekend denkt op de kaart van de zeisbenamingen, kan men een indruk krijgen van de verschillende typen composita die er zo al opgegeven zijn, van het Groningse zwao- en zeisboom … tot … het vooral in het N. van N.-Brabant optredende zeissieboom toe,   V. VESSEM, Oogstgerei 41 [1956].
Van 1946 is er echter voor Kotten ook een opgave zwaanboom,   135 [1956].
Een overeenkomstig verschil tussen de aanduidingen voor de beide zeis(steel)-modellen vindt men terug in het Oosten van de provincie Groningen, waar het A-model kruksa(a)ize, en de B-zeis zwao(g), swoagsaize of zwoagboom genoemd wordt, 161   [1956].
Zwaagsnede.
In de provincie Groningen laat men de hooilanden maaijen bij het mat; 5 mat is omstreeks 2 bunder … Men zegt hier: ”Honderd twintig treê en twintig zwat, Is een maaijers mat.” d.i. 120 treden lang en 20 zwaagsneden breedte,   Spreekw. Veet. in Landhuishoudk. Alm. 1857, 105.
Zwastaf, hetz. als zwaboom.
  V. VESSEM, Oogstgerei 45 [1956].
Zwastok, hetz. als zwaboom.
  V. VESSEM, Oogstgerei 44 [1956].
Zwaagzeis, zeis van het bij zwade, 1) genoemde type. Zie voor een bewijsplaats hierboven bij zwaboom.
Zwazet, hetz. als zwaboom.
  V. VESSEM, Oogstgerei 45-46 [1956].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1997.