Koppelingen:
Vorig artikel: ZWARTIN Volgend artikel: ZWARTJE

ZWARTJAN

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: zwartjan

ZWARTEJAN —, znw. m., mv. -nen, -s. Uit zwart (I) en Jan. In de volkst.
1.  Oven.
Ick ben verby de Kalck- ” oven. O ellemalementen, hoe kan Swart-Jan, de arge schalck ” hoven!   BREDERO 1, 214 [1612].
Pas op dat zwartjan niet uitgaat!   Dl. VII, 194 [1913].
2.  Zwarte, neger.
Advys van Craa door den fiscael maeckt ons bekent, dat die van Groot en Cleyn Craa, tsamen 9000 man hebben uytgemaeckt om die van Latabe te beoorlogen, welcke plaets ontrent 6 mijl beeneden Craa is leggende, en den 22 deeser aen malcander geraeckt, en dat seer heftich op swertjans manier,   Dagreg. S. Jorge da Mina 252 [1646].
3.  Kachel.
Zwartjan, de kachel,   aant. v. A. BEETS [c. 1900].
4.  Knecht van Sinterklaas, Zwarte Piet. In den vorm zwartejan.
  WEIJNEN in Brabantia Nostra 6 [1940].
5.  (Jag.) Schollevaar, aalscholver.
  HERMANS, Jacht en Taal [1951].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1997.