Koppelingen:
Vorig artikel: ZWILGEN Volgend artikel: ZWILK II

ZWILKI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: zwilk

ZWIL(LI)G, ZWELG —, znw. onz., mv. -en. Niet in Mnl. W. Ontleend aan hd. zwillich, zwilch (ohd. zwilih ‘tweedradig’, naar lat. bilex). Het woord is uit het Hd. overgenomen in den vorm zwil(li)g, waarna (volgens ons materiaal na 1646) de g na liquidum is overgegaan in k (zie WEIJNEN, Verg. Klankl. Ned. Dial. 138 [1991]). De bet. 1 en 2) zijn wel te onderscheiden, maar in de aanh. niet altijd duidelijk te scheiden.
1.  (Stofn.) Tweezijdig geweven grove, linnen gekeperde stof, een soort van tijk (als voeringstof gebruikt); trielje. (Voorwerpsn.) Doek van trielje.
Swilligh … j. bockerael,   KIL. [1599].
Zwilk, tela cannabina lævigata; als zijnde door rol-persinge glad gemaekt,   L. TEN KATE, Aenl. 2, 727 a [1723].
Kanefas. Zwelg of grof doek om rokken &c. te helpen voeren,   MARIN [1717].
  V. DALE [1872 ].
— Noch 10 ellen zwilch f. 2 st. 10,   in B.H.G. 36, 311 [1521].
Noch een swarte ronde mantel mit swillich, geestimeert op vyff gl.,   Oud-Holland 37, 59 [1587].
De Duytsche Fusteynen, Swilligen ende Boccasijnen, sullen in 't inkomen van 't stuck betalen anderhalven stuyver, ende in 't uytgaen een stuyver,   Gr. Placaetb. 1, 767 [1599].
Alle Norenborgherije Fusteynen, Swillighen, Sledseghen, Linwaten, als oock mede alle Akense waren; die moeten hier in de Landen comen,   Placc. v. Brab. 1, 306 b [Antw., 1603].
Ende in dese kiste hadde oock den Keyser een groven swilligh gheleyt, daer-men sijn doodt lichaem in naeyen soude,   V. TEYLINGHEN, Par. d. Well. 134 [1630].
De kleermaeckers zijn in die wetenschap geconfijt, en afgerecht; Doch 't ambacht brenght het me, Heer, Krijn, riep onse Brecht, Wel dus veel itimme? van swilck, sy, en knoope? En and're snorrepypen? reeckent dat voor 't geen ghy door 't oogh van jou schaer liet loope,   NOOZEMAN, Ber. Stud. A 3 r° [ed. 1646].
Netel- en Kamerdoeken, Basten, Wollen-dekens, Fransche-Linnens, Zwilken en andere Kamer-behangzels,   Ned. Jaerb. 1750, 844 [1750].
Van de kettingkepers bij kaard-garenweefsels behooren vermeld te worden de onder verschillende benamingen voorkomende bukskins en kasimiren, bij soortgelijke kamgarenweefsels de kasimiren, bij linnenweefsels de drells en zwilligs, bij katoenenweefsels de drells en tijken,   Boek d. Uitv. 2, 1, 233 [1865].
2.  (Stofn.) Gegomd, gelakt of met een laagje rubber bedekt linnen; tafelzeil, wasdoek; (voorwerpsn.) doek van wasdoek, tafelzeiltje.
  MARIN [1701].
  Ned. Taal 6, 22 [Dr., 1861].
  V. DALE [1872 ].
  O. Volkst. 1, 161 b [Saksische streken, 1882].
  GALLÉE [1895].
Zwilk of zwilkje, als zelfst. naamw.: een stuk zwilk, bvb. over een tafel, elders ook ”zeil” of ”zeiltje” genaamd, met welke laatste benaming oorspronkelijk alleen zeildoek, thans ook wasdoek wordt bedoeld,   MOLEMA, Suppl. [1897].
Zwilk, wasdoek, zeildoek, zeil,   aant. v. A. BEETS [Gron., c. 1900].
  MAASEN en GOOSSENS [c. 1900].
't Swilk, het tafelzeil; wasdoek,   TER LAAN [1929].
  PANNEKEET [1984].
— 't Was zoo benauwd, dat d'r zuk glad zwilk over toafel hên lag,   DE HAAS-OKKEN, Hoppersv. 103 [1912].
Azze je ooit weer zukke kunste uithale en main nuwe zwilkje volspatte, kaik ik je nooit meer an,   KARSTEN 2, 150 b [1934].
Afl. Zwilken, van zwilk vervaardigd.
  HEREMANS [1869].
  V. DALE [1872 ].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1997.