Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 19
Aantal hits: 20
MNW
Aantal resultaten: 6
Aantal hits: 6
VMNW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 3
ONW
Aantal resultaten: 1
Aantal hits: 1
WNT
Aantal resultaten: 10
Aantal hits: 10
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
ONWbotbutznw.  m.Bot (Platichthys flesus), zekere platvis. In de tweede aanhaling als toenaam gebruikt.
VMNWbot, BotBOTznw.m.bot; Bot
VMNWBotBOTTE (II)znw.Botte
MNWbotBOT (II)znw(m.)Benaming eener munt.
MNWbotBOTTE (I)znw(v.)Knop, van bloemen en vruchten.
MNWbotBOTTE (II)znw(o.)Bot, been; lat. os.
MNWbotBOTTE (III)znwBos. Vooral in den zin van stroobos.
MNWbotBOTTE (V)znw(m.)Bot, de bekende zeevisch.
MNWbotBUTTE
WNTbotBOT (I)znw.(m.) Opgevat als een onwillekeurige stoot, schok van een voorwerp op iets anders.
WNTbotBOT (II)znw.(m.) Hetzelfde als Boot (V). Alleen in Zuidnederlandsche tongvallen. Een bot stroo. Tw botten hooi. Een bot hout, DE BO [1873]. Een bot solferstekken, SCHUERM., Bijv. [1883]
WNTbotBOT (III)znw.(v.,m.) Eigenlijk.
WNTbotBOT (IV)znw.(v.,m.) Zekere visch, behoorende tot de familie der platvisschen en tot het geslacht der schollen, van boven bruin met roestkleurige vlekken (Pleuronectes flesus); langs onze kust (in de zoogenaamde lekken), in de Zuiderzee en in de benedenrivieren met netten — aan het strand ook met een achter een wagen vastgemaakt sleepnet — gevangen, of met eene vork of prik gestoken (zie beneden, de Samenst.). In West-Vlaanderen onderscheidt men den but, fr. flet, picaud, lat. platessa flesus van de plaat of pladijs, fr. plie fransche, carrelet (DE BO [1873]).
WNTbotBOT (V)znw.(v.) Benaming van een geslacht van platte ingewandswormen, die in het lichaam van de grasetende dieren en ook van den mensch leven (Distoma), en waartoe inzonderheid gerekend worden de leverbot (Distoma hepaticum) en de lancetvormige bot (Distoma lanceolatum), die in de galblaas en de lever van paarden, runderen, geiten, hazen, maar vooral van schapen leven. Zie ook HALBERTSMA 470.
WNTbotBOT (VI)znw.(v.) Zekere soort van schop of spade, met een breed (en volgens sommigen niet puntig blad en een korten, van een handvat met oog voorzienen steel; volgens SCHUERM., Bijv. [1883] zeer zwaar en moeilijk te hanteeren. Omtrent den ouderen vorm (botte?), het geslacht en de afleiding van dit woord is niets bekend; de juistheid der gissing (bij SCHUERM. [1865-1870] t. a. pl.), dat het voorwerp aldus genoemd zou zijn omdat het den ”vorm heeft van zekeren visch, bot genaamd” blijkt niet.
WNTbotBOT (VII)znw.(o.) Een woord voor: Been, knook, schonk van dieren of menschen, dat eerst in het jongere Mnl. eene enkele maal voorkomt. Vergelijkt men de beteekenissen van Bonk (I) met Bonken en die van Stomp (znw. en bnw.) met Stompen, dan valt er nauwelijks te twijfelen of dit woord bot is eenerzijds verwant met het bnw. Bot (X), anderzijds met het ww. Botten (I); zie verder die woorden. De oorspronkelijke beteekenis kan dus niet veel anders zijn dan: stomp, afgeknot ding. Het woord is in verschillende gewesten bekend, maar schijnt toch vooral in de Noordelijke en Oostelijke gewesten thuis te hooren (zie HALBERTSMA 469, MOLEMA 37 b (op Bieterke), Arch. v. Ned. taalk. 1, 254; maar toch ook HOEUFFT, Bred. T.; SCHUERM.,Bijv. [1883]; RUTTEN [1890]; Loquela 5, 66 [1885] en Loquela 5, 81 [1885]); van de onderstaande aanhalingen zijn de oudste ook uit die streken afkomstig, en HALMA en MARIN noemen het eveneens Geldersch. Ook thans geldt het in de beschaafde Hollandsche spreektaal, inzonderheid in toepassing op menschen, nog als plat.
WNTbotBOT (VIII)znw.(o.) Scheepsterm. Het vooreind van het ankertouw, dat zich buiten boord bevindt, wanneer het schip ten anker ligt; verg. het gebruik van end voor: touw. Behalve in zekere vaste scheepstermen (zie beneden, 4) inzonderheid voorkomende als afhangende van woorden als vadem enz., die eene zekere lengtemaat aanwijzen; veelal ook in den 2den nv. bots. 
WNTbotBOT (IX)znw.(o.) 
WNTbotBOT (X)bnw., bw. Bnw. 

Ga naar de GTB applicatie