Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 17
Aantal hits: 17
MNW
Aantal resultaten: 6
Aantal hits: 6
VMNW
Aantal resultaten: 1
Aantal hits: 1
ONW
Aantal resultaten: 0
Aantal hits: 0
WNT
Aantal resultaten: 10
Aantal hits: 10
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
VMNWmotMOTTEznw.v.mot
MNWmotMOT (II)znw(o.)In het Mnl. slechts gevonden in de samenst. torfmot “turfmolm” en steenmot “steengruis”.
MNWmotMOTTE (I)znw(v.)Mot, het insekt. Voc. Cop. motte, tinea (vermis). Teuth. mott, tinea. Kil. motte, tinea, blatta.
MNWmotMOTTE (II)znw(v.)Zeug. Kil. motte, Fris. j. sogh, sus, scropha. Teuth. cryeme, sooge, mutte, porca, scropha; zoo nog eens ald. 
MNWmotMUT
MNWmotMUTTE (I)
MNWmotMUTTE (II)
WNTbon motBONMOTznw.(o.) Geestige zet, kwinkslag.
WNTmotMOT (I)znw.(v.) Eigenlijk. Naam van eene familie der Kleine Schubvleugelige insecten, en inzonderheid van een geslacht daarvan (Tinea), waarvan verschillende soorten hare eieren leggen in graan of wel in wollen stoffen en pelterijen; als zoodanig zeer gevreesd. De vlinder heet mot evenals de rups, doch ook wel vliegende mot of motvogel.
WNTmotMOT (II)znw.(v.)Lichte vrouw, meid. Thans niet meer in gebruik. Door sommigen beschouwd als identiek met Mot (VII), zeug. Dit zou zeer waarschijnlijk wezen, indien mot alleen voor een vuil vrouwmensch werd gebruikt (als zoodanig wordt mot verklaard bij CORN.-VERVL.); doch die beteekenis is niet de gewone. In D. Wtb. 6, 2838 wordt hd. mutze opgegeven in den zin van vulva, en daarnaast mutt als de vorm ”im sächsischen und westfälischen Hessen”. Wellicht zou men deze vormen met mot in verband mogen brengen. Verg. intusschen beneden de samenst. motvarken (waarnaast fri. motbaerch, ”morsebel”: Fri. Wdb. 2, 178).
WNTmotMOT (III)znw.Krot, huisje; bij KIL. [1588] vertaald met lupanar, prostibulum. Het woord prostibulum, dat zoowel hoer als bordeel beteekent, zou kunnen doen denken dat dit woord mot etymologisch hetzelfde was als Mot (II), maar die gissing is zeer onzeker. Thans verouderd.
WNTmotMOT (IV)znw.(v.)Fijne regen; aan den Middelrijn komt mot voor in den zin van nevel (zie FRANCK). Men denkt aan skr. mudira, wolk, gr. μυδω, door de vocht bedorven worden, enz. (zie UHLENBECK, Etym. Wtb. d. altind. Spr. 227).
WNTmotMOT (V)znw.Veenachtige aarde, fijne aardmest (aldus opgegeven voor Overijsel); aarde, stof, slijk (aldus opgegeven voor W.-Vl. in Loquela 14, 15 [1894]). Verg. D. Wtb. 6, 2600 mott in den zin van ”schlamm, schwarze, torfartige erde”.
WNTmotMOT (VI)znw.(o.)Afval, spaanders van hout (ook wel van stroo: zie CORN.-VERVL.); verg. mot, fijne afval (bij GALLÉE, Geld-Overij. Dial.); mot, turfmolm (Fri. Wdb. 2, 178); mut, ”grus, mull oder brocken, abfall von torf etc.” (DOORNK.-KOOLM. 2, 633); mutten, ”abfall, schrot” (bij WOESTE); eng. mote, ags. mot, klein deeltje van iets.
WNTmotMOT (VII)znw.(v.)Zeug; alleen gewestelijk.
WNTmotMOT (VIII)Iets ”in de gaten hebben”, het doorzien, of ook wel: iets in den zin hebben.
WNTmotMOT (IX)znw.Slag, klap. In Z.-N. daarnaast ook mots, dat ook in het Fri. voorkomt (Fri. Wdb. 2, 179). In de algemeene taal niet in gebruik.

Ga naar de GTB applicatie