Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 8
Aantal hits: 9
MNW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
VMNW
Aantal resultaten: 1
Aantal hits: 1
ONW
Aantal resultaten: 1
Aantal hits: 2
WNT
Aantal resultaten: 4
Aantal hits: 4
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
ONWoord, Oordortznw.Uitstekende punt, hoek; spitse landtong. In het Oudnederlands alleen als toponymisch element overgeleverd. Het toponiem Orthen, plaats bij Den Bosch, prov. Noord-Brabant, hoort hier niet bij, vgl. Van Berkel/Samplonius 2006: 344.
VMNWoordORT, OORTznw.m.,o.rand; hoek
MNWnoord, oordNORT (II)Hoek, punt.
MNWoordORT (I)znw(m., o.) Het uiterste punt of het uiteinde van iets, kant, rand. Kil. oort, ora, extremitas, extremum. Plant. dat oort van een yegelick dinck, la fin de chascune chose, ora, extremitas, extremum, primores. Vgl. hoec en egge, waarmede ort verschillende punten van overeenkomst heeft. Nu en dan is deze opvatting niet gemakkelijk te onderkennen van die van hoek, vermeld onder 5), waardoor ook hoekpunt kan worden verstaan.
WNTnoord, oordNOORD (II)znw.(m.) Bijvorm van Oord, dat voorkomt in den zin van: buitendijksche grond. Zie BEEKMAN, Dijk- en Waterschapsr. 1246 vlgg., waar o.a. uit een stuk van 1608 wordt aangehaald: ”de voorsz. noorden ofte vuyterlanden”. Volgens dezen schrijver zal ook de eigennaam Noordeloos (naam van een water en van een dorp, daarna ook een familienaam) van dit noord moeten worden afgeleid, en zal dit ook zijn bewaard in den naam De Noord (het water tusschen Dordrecht en Krimpen). Verg. verder Ned. Wdb., Dl. XI, kol. 69—70.
WNToordOORD (I)znw.(o.,m.) De oorspronkelijke beteekenis van oord was in alle Oudgermaansche dialecten: spits eener speer, maar is, met het in onbruik raken van het wapen zelf, in het Nieuwnederlandsch teloorgegaan. Reeds vroeg heeft men het woord toegepast op de spits van andere snijdende voorwerpen, eene beteekenis die thans nog gewestelijk voortleeft: in Gelderland noemt men oord de vooruitspringende punt van de ploegschaar (het kouter); in Noord-Brabant, de punt van een mes (zie Onze Volkstaal 1, 218); evenzoo in Groningerland, waar oord tevens van de punt van een ijzeren schop wordt gezegd (zie HALSEMA, in Pro Excol. 2², XL en MOLEMA 307 a). En WEILAND vermeldt, dat ”op de Veluwe, … de maaijers de punt van eene zicht en zeissen den oord (noemen)”. Dat deze beteekenis ook in Noord-Holland bekend moet geweest zijn, mag men vermoeden, op grond van het nog in den Nederduitschen Helicon voorkomende scherpoordig (zie beneden).
WNToordOORD (II)znw.(o.) Eigenlijk, als geldswaarde: het vierde deel van eene munt.
WNToordOORT (I)# (geldswaarde). Zie OORD (II).

Ga naar de GTB applicatie