Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 12
Aantal hits: 12
MNW
Aantal resultaten: 4
Aantal hits: 4
VMNW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
ONW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
WNT
Aantal resultaten: 4
Aantal hits: 4
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
ONWrijprīpbnw.Rijp, zijn volle wasdom bereikt hebbend, geschikt om geoogst, geplukt, genuttigd te worden.
ONWRIJP (I)rīpaznw.  v.Strook land, meestal langs het water. In het Oudnederlands alleen in toponiemen aangetroffen.
VMNWrijpRIJPbnw.rijp; geschikt voor gebruik; voldragen; op doorbreken staand
VMNWrijpRIPE (II)znw.bevroren dauw
MNWrijpRIJP (III)znw(o.)Bos, handvol (?).
MNWrijpRIPE (I)znw(v.)Oever, rand, kant, marge.
MNWrijpRIPE (II)bnw Rijp, gezegd van vruchten. Voc. Cop. rijp, messivus (niet bij Diefenb., wèl “messulus”, d. i. “maturus ad messem”; bij Duc. wordt het bnw. vermeld in de uitdr. “feriae messivae”); rijp, maturus; die oochst alst coren rijp es, messis; rijp maken, maturare. Teuth. rijp, maturus; yn der aren dat hoichste ind yrst rip (d. i. rîp) korn, alphica; Dief. op alphita, “primum granum maturum”). Kil. rijp, maturus, maturatus, mitis, tempestivus, mollis, coctus (bij Kil. auct.: rijp voor den tijdt, praematurus, praecoquus, praecox); Plant. rijp, vroech rijp voor den tijdt, een rijpen appel, rijpe vruchten; rijpachtich, aucunement meur, submaturus, subcrudus.
MNWrijpRIPE (III)znw(m., o.)Bevroren dauw, rijm, rijp. Gloss. Bern. ripe vel rijm, pruina. Teuth. rijp, pruina; vol rijps, pruinosus. Kil. rijpe, Sax. Sicamb. Fris. Holl. j. rijm, pruina.
WNTrijpRIJP (I)znw.(m.,o.) Eigenlijk. Bevroren dauw of mist, rijm.
WNTrijpRIJP (II)znw.(v.)Een in sommige streken van N.-Nederl. (N.-Holland, Leiden) gebruikelijk woord voor: rups, dat ook dialektisch in het Friesch (in de noordelijke visschersdorpen; Friesch Wdb. 3, 47 b) bekend is. Naast rijp met oorspr. ī staan in verschillende n. - en z.-nederl. tongvallen vormen met ĭ als rips(e), risp(e), vlaamsch ripsem(e), ripsene. In dezelfde verhouding staan naast elkaar mnl. rupe (nnl. dial. rupe en ruip), fri. rûp met ū en mnl. rupse, nnl. rups met ŭ Het is onzeker of deze beide groepen in oorsprong met elkaar verwant zijn.
WNTrijpRIJP (III)znw.(v.) gebruikelijk woord voor: een voetpad van kleine steenen of klinkers ter zijde van de straat, de kleine steentjes, trottoir. Ook in het Oostfriesch is ripe (rîp) bekend; behalve de bet.: ”gepflasterter Strassenrand”, geeft TEN DOORNKAAT KOOLMAN ook de hoogstwaarschijnlijk oudere en oorspronkelijke bet.: ”Uferrand”; daartusschen kan men zich de bet. denken van: straat aan het water, waarlangs de huizen gebouwd zijn. Men heeft vermoed dat dit woord hetzelfde is als het in talrijke oorspronkelijk friesche plaatsnamen voorkomende rijp (als b.v. Zeerijp in Groningen, Rijperkerk, Dronrijp, enz. in Friesland, De Rijp in N.-Holland, Rijpwetering in Z.-Holland; voor oostfriesche plaatsnamen zie TEN DOORNKAAT KOOLMAN 3, 43 a) en de gissing geopperd dat het overgenomen zou kunnen zijn uit lat. ripa (zie WASSENBERGH, Taalk. Bijdr. t. d. Frieschen Tongval 2, 155; V. D. BERGH, Mnl. Geogr. 305). Dat het woord oud is en vroeger niet tot de friesche streken beperkt was, blijkt uit de bij VERDAM gegeven aanhalingen uit Gloss. Bern., waarin ripe voorkomt in de bett.: oever (ripe vel uver, litus) en: rand, kant (ripe vel spacie, margo); zie verder ald. op RIPE, 1ste art.
WNTrijpRIJP (IV)bnw., bw. Bnw.

Ga naar de GTB applicatie