Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 7
Aantal hits: 7
MNW
Aantal resultaten: 1
Aantal hits: 1
VMNW
Aantal resultaten: 0
Aantal hits: 0
ONW
Aantal resultaten: 0
Aantal hits: 0
WNT
Aantal resultaten: 6
Aantal hits: 6
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
MNWritsenRITSENww(zw., trans.)Een rits, keep of insnijding in iets maken.
WNTritsenRITSEN (I)ww.(trans.,zw.)Misschien ontleend aan hd. reizen: prikkelen, opwekken (verg. FRANCK-V. WIJK op RITSIG). Prikkelen, aanzetten, ook: aanhitsen, ophitsen, opstoken. Verouderd.
WNTritsenRITSEN (II)ww.(trans.,zw.) Ergens een rits, een inkrassing, een keep, een insnijding of groef in maken, t.w. in stoffen als hout, glas enz.
WNTritsenRITSEN (III)ww.(trans.,zw.) Scheuren. Gevolgd door een bepaling met van: scheuren of rukken van —. Verg. RIJTEN, I, 2).
WNTritsenRITSEN (IV)ww.(intr.,zw.)Een in de oude taal voorkomend ww. met de beteekenis van: zich wegpakken, maken dat men weg komt, er van door gaan, de plaat poetsen en derg., waarvan de oorsprong niet vaststaat. Heeft men hier te doen met een overdrachtelijke opvatting van Ritsen (II) (verg. ndl. uitsnijden?), of wel van Ritsen (III) (verg. hd. ausreissen?)? Ook het Friesch kent, behalve het ww. ritse, ritsje dat overeenkomt met Ritsen (II), 1), een ww. ritse, ritsje in de hier genoemde beteekenissen; in het Friesch Wdb. wordt met dit laatste ww. fri. rits, ”interjectie van snelle plotselinge beweging” vergeleken (verg. RITS (VIII), 2). DE JAGER, Freq. 1, 525 volg. wijst op de mogelijkheid, dat dit oude ritsen verwant kan zijn met rijden en vergelijkt het in de gemeenzame taal wel gebruikelijke oprijden voor: schielijk heengaan, zich wegpakken (b.v. laat hem oprijden! ga heen, rij op!). Van het in de z.-nederl. dialectwdbb. voorkomende ritsen: ”wegloopen, ijlings, stillekens heengaan, opstelen, vluchten, wegsluipen, wegvluchten” (SCHUERM. [1865-1870]), vlug loopen enz. (CORN.-VERVL.), sluipen, vlug loopen (TUERL.) enz., is verwantschap met rijden hoogstwaarschijnlijk; verg. Rijden (I) in de bet. I, IV, A, 9), ook de daar genoemde bett. 8) (glijden) en 12) (op een bepaalde wijze ronddraaien, schuiven, van een tol) heeft het in Z.-Nederl. gebruikelijke ritsen (zie CORN.-VERVL.; TUERL.; JOOS [1900-1904] op RITSER) met rijden gemeen.
WNTritsenRITSEN (V)ww.(intr.,zw.)Ritselen. Thans niet gebruikelijk. Het is niet waarschijnlijk dat het frequentatieve Ritselen onmiddellijk van dit Ritsen is gevormd; zie hierover bij RITSELEN (I).
WNTritsenRITSEN (VI)ww.(intr.,zw.)Ritsen leggen.

Ga naar de GTB applicatie