Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 25
Aantal hits: 25
MNW
Aantal resultaten: 10
Aantal hits: 10
VMNW
Aantal resultaten: 4
Aantal hits: 4
ONW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
WNT
Aantal resultaten: 9
Aantal hits: 9
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
ONWschaar, Schareskarznw.Aandeel in een gemeenschappelijke weide dat groot genoeg was om één volwassen dier te voeden; schaar.
ONWschaarskaraznw.  v.Legereenheid.
VMNWSchaarSCAERznw.o.Schaar
VMNWschaarSCARE (I)znw.v.leger(eenheid); gezelschap; gevolg; bende; kudde
VMNWschaarSCARE (II)znw.v.(het) scheren; schaar
VMNWSchaarSCARE (III)znw.v.Schaar
MNWschaarSCHAER (I)
MNWschaarSCHAER (II)znw(o., m.) Een stuk grond van onbepaalde grootte, welke in eene gemeene weide gerekend werd als noodig voor het voedsel van één volwassen dier; of ook de hoeveelheid voedsel waarop in eene gemeene weide voor een grazend dier moet worden gerekend, en het recht om een stuk vee dat op eenschaargerekend werd in de gemeene weide te doen grazen; aandeel in de mark. Vooral, omdat onverdeelde gronden in de oostelijke gewesten veel langer zijn blijven bestaan, in het Oostmnl. en in de friesche (ook westfriesche) streken. Zie Van Dale op schaar, “eenheid voor grazende runderen; eene koe rekent men gewoonlijk op 1, een vaars op 34, een pink op 12 schaar; een weiland (wordt) verhuurd op conditie van 20 scharen”, en vgl. Boekenoogen 871 op schaar, 2): “aandeel in eene gemeenschappelijke weide, de verdeeling of splitsing van eene “mient”, naar gelang van het grondbezit der verschillende eigenaars, ter bepaling van het aantal koeien dat ieder in die weide mag brengen”; V. d. Water, Oost-Bommelerw. op schaor: “weide”; “kudde die er graast”, “één stuk vee”; Oudem. 6, 94; Kern, in T. en Lettb. 4, 143; Buitenrust Hettema, Bijdr. Ofri. Wdb. 35; ofri. scheer; eng. share, “deel, aandeel”; ags. landscearu, en de samenstellingen koeschaar en mienschaar (ofri. mênskêr, Richth. 920). Van dit woord komen de bnw. scharig, half scharig, overscharig, waarover zie Beets in Tijdschr. 24, 166, en overscharig (“overtollig”; zie oversc(h)arich en Tijdschr. 24, 165) en vgl. scharen.
MNWschaarSCHAER (III)znw(o.)Kustlijn, zoom, oever.
MNWschaarSCHARE (I)znw(v., %m.) Eene meer of minder scherp begrensde legerafdeeling of gewapende schaar, bende, troep, rot, vleugel. Zoo ook o. a. in het Ohd. en Mhd. Ook leger in het algemeen. Voc. Cop. een scare, falanx; een scare ghewapender liede, acies; een schare, clanga (caterva); een scare volcs, caterva; een schare volcs, turma; een scare, turba; een scare van volcke, cohors; een schare volcs, cuneus; een schare, corus (agmen); een scare, agmen; een schare, ala; een schare volcs te perde, alaris, turba equitalis; een schare, een heer, manus; ter scharen toehorende, catervarius; van scaren te scaren, turmatim, catervatim (vgl. schaermaelde). Teuth. her, schare, enz., legio; dye in den her of schare steetlick is, catervarius; schare verw. naar here schare; schare van perdruteren, alaris; eyn schare te perde, alaris. Kil. schare, grex, turma, multitudo, cohors, turba, caterva, agmen; vulgo scara. Plant. een schaer krijchsluyden, bende de gens de guerre, cohors. schare van tweendertich reysigers (ruiters), une multitude ou bende de trentedeux voyagiers, turma; groote scharen vergaren, congregare turbam magnam; met scharen, par tourbes et multitudes. Het enkv. schare, leger, staat in beteekenis met het mv. scharen, legerbenden, gelijk. Vgl. ndl. heerscharen en legerscharen.
MNWschaarSCHARE (II)znw(v., %m.)Deel, aandeel. Bepaaldelijk in de opvatting aandeel aan de mark, markgerechtigdheid, de bevoegdheid om een zeker aantal stuks vee te laten grazen in de gemeene weide. Meermalen met ware verbonden. Zoo ook mnd. — Ook in de bet. grondstuk van een onbepaalden omvang waarnaar bepaalde lasten worden berekend.
MNWschaarSCHARE (III)znw(v.)Oogst, het te velde staande graan, jaaroogst. Zoo ook mhd. “schnitt, ernte”.
MNWschaarSCHARE (IV)znw(v., ?m.) Schaar, het snijwerktuig. Voc. Cop. scere, forfex. Harl. Gloss. nayers scgere (d. i. schere), forpex; smeets schere, forfex. Teuth. schere tot doick, forfex, forficula; schere hair mit to snijden, forpex, forpicula, tonsilla; schere der smede, forceps, forcicula, formicales (plur.); eyn cleyn hairscheere, tonsilla. Kil. schaere j. schere, forfex; scheere, schere, schaere, forfex; scheere j. aelscheere, fuscina (aalschaar, aalgeer, aalelger, Ndl. Wdb. 1, 26); daarnaast scheere, schaers, Germ. Sax. Sicamb. vomis, vomer (ook ploegschere, ploegscharre). Plant. een schere (niet “schare”), des forces, ciseaux, forfex; scherken, forcettes, forficula (daarnaast “de schaers van de ploech”).
MNWschaarSCHARE (V)znw(?v.)Oever. Zie schaer, 3de Art. en ald. de aanhaling uit Teuth. Vgl. Beekman 2, 1406, en ald. 1408 de samenstelling schaerdijc, schoordijc, “een dijk die weinig of geen voorland heeft, zoodat de waterrand bij een gemiddelden waterstand aan of dicht bij den teen van het buitentalud van den dijk staat”.
MNWschaarSCHEER (I)
MNWschaarde, schaarSCHEERDE
WNTschaarSCHAAR (I)znw.(v.) Afdeeling gezamenlijk marcheerende, opgestelde of strijdende krijgslieden.
WNTschaarSCHAAR (II)znw.(v.) Werktuig om te knippen, bestaande uit twee zich om een gemeenschappelijke spil bewegende of door een veer verbonden over elkander schuivende messen of knijpers.
WNTschaarSCHAAR (III)znw.(v.) Naam voor verschillende zaken die dienen om iets vast te zetten.
WNTschaarSCHAAR (IV)znw.(o.,v.) Eenheid van aandeel in het bezit eener gemeenschap aan weide of bosch.
WNTschaarSCHAAR (V)znw.(v.,o.)Hetgeen een veld of bosch oplevert; gewas. Niet algemeen.
WNTschaarSCHAAR (VI)znw.(o.) Dijk zonder voorland, schaardijk.
WNTschaarSCHAAR (VII)znw.(o.) Diepe geul in een vaarwater.
WNTschaar, schaardeSCHAAR (VIII) Zie SCHAARDE.
WNTschaarSCHAAR (IX)bnw. Steil (van een wal), hoog (van de zee). In Groningen (MOLEMA).

Ga naar de GTB applicatie