Resultaten zoekvraag

Totaal
Aantal resultaten: 13
Aantal hits: 13
MNW
Aantal resultaten: 5
Aantal hits: 5
VMNW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
ONW
Aantal resultaten: 2
Aantal hits: 2
WNT
Aantal resultaten: 4
Aantal hits: 4
Woordenb.Mod. Ned. TrefwoordOrigineel trefwoordWoordsoortBetekenis
ONWvruchtforhtaznw.  v.Angst, vrees.
ONWvruchtfruhtznw.  v.Opbrengst, oogst.
VMNWvruchtVRUCHT (I)znw.v.opbrengst; winst; vrucht; genot; resultaat; foetus; kind; jong
VMNWvruchtVRUCHT (II)znw.schrik; angstaanjagendheid
MNWvruchtVORGTEznw(v.)Vrees. Kil. vorght, j. vorcht; vorcht, j. vrucht, timor.
MNWvruchtVORTE (III)znw(v.)Vrees.
MNWvruchtVRUCHT (I)znw(v., m.) Vrees, bangheid, angst. Teuth. anxt, … ruchte, bloodicheit, vreese, timor, tremor, pavor e. a. (niet in Voc. Cop.). Kil. vrucht, vurcht, vorght, vrocht, timor (niet bij Plant.).
MNWvruchtVRUCHT (II)znw(m., v.) Voortbrengsel der natuur, vrucht, zoowel boomvrucht, ooft als veldvrucht, al wat uit den grond ontspruit, moeskruiden, graan. Het woord is in het Mnl. ruimer van opvatting dan in het Ndl.; het werd niet alleen gebruikt van alle eetbare voortbrengselen voor mensch en dier, maar ook van dezulke die oneetbaar zijn, b.v. van hars uit den populier gewonnen Nat. Bl. III, 700 (varr. specie) en van voedsel voor dieren in het algemeen; ook staat vrucht nu en dan als verzamelbegrip in de bet. vruchten. Voc. Cop. vrucht, fructus; vrucht hanteren, fructificare; vol van vruchten, fructuosus; ter vrucht toehorende, fructuarius; eerhande vrucht van dien bome, conum (dicitur fructus illius arboris (lat. conus = cypressus); vruchte, fruges; deerste vruchte, primicie (eerstelingen van den oogst). Teuth. vrucht alreley, fructus; vrucht alreley int gemeyn, arbutum (bij, Dief. niet als een algemeene naam voor “vrucht”); in acker wassende wilt cruyt of vrucht agrestis; coorn, sait, saym, vrucht, bladum, fruges, semen, seges, granum. Kil. vrucht, fructus; vruchten der erden, fruges, fruges cereales. Plant. vrucht, du fruict, fructus, genimen; vrucht van alle boomen, glans; allerley vrucht, fruges; allerley vrucht goet om eten, pomum; de eerste vruchten, primitiae; vroech rijpe vruchten; kleyne vruchten als van bakeler e. a., bacca; allerley vrucht die harde schellen heeft als noten, amandelen e. a., nux.
MNWvruchtVRUCHTE
WNTvruchtVROCHT (I) Zie VRUCHT (II).
WNTvruchtVRUCHT (I)znw.(v.,m.) Plantendeel dat zorg draagt voor de voortplanting, soms samengegroeid met andere plantendeelen zooals bloembodem of bloemdek.
WNTvruchtVRUCHT (II)znw.(v.,m.) Gevoel van onveiligheid, beklemming door een (al dan niet vermeend) dreigend gevaar, onheil, vand. ook, inz. in de litt. aanh.: gevoel van bezorgdheid, ongerustheid over wat in de toekomst verborgen ligt; vrees, angst, zorg, kommer.
WNTvruchtVRUCHT (III) Zie VREUGDE.

Ga naar de GTB applicatie